Twee vragen bij een voerplek

Twee vragen

Hoe wispelturig ook, toch lukt het ook in het voorjaar wel.

Twee interessante vragen wil ik aan de orde stellen m.b.t. het voeren op karper.

Heeft het zin te voeren in het voorjaar?

Houden we bij een voerplek rekening met de aasperiodes van de karpers?



Niet voeren in de lente? Gedurende de 15 jaar dat ik op karper vis, heb ik altijd gevoerd. Welk jaargetijde het ook was - lente, zomer, herfst of winter - ik deed het altijd. Elk jaargetijde mislukte een voerplek wel en dat vind ik vrij normaal. Achteraf was er altijd een reden voor te vinden.

Fiasco's het hele jaar

Zo blankte ik in de koude wintertijd gemakkelijk als ik de karpers niet kon lokaliseren, dus niet wist waar ze zich ophielden. Maar als ik ze eenmaal had gevonden, kon ik ze beslist goed vangen, zelfs bij lage watertemperaturen van 5º - 6º Celsius. Tegengesteld is de zomer. Gevoelsmatig denk je vlug 'Warmte! Lekker zonnen op het strand en fijn spartelen in het lauwe water. De karpers zullen ongetwijfeld goed bijten.' Inderdaad is de zomer een redelijke periode, maar niet de beste. Vooral de tropische zomers vind ik ronduit slecht. Als die koperen ploert de buitenlucht opdrijft tot ver boven de 30º Celsius heb ik ontzettend slecht gevangen.

Meestal begon de slechte tijd rond 21º - 23º Celsius. Dat betekent niet, dat ik en mijn vrienden rond 22º graden geen grote karpers meer hebben gevangen. Bij 22º graden ving ik op Loosdrecht een fraaie spiegelkarper van 32 pond en mijn eerste 36'er verschalkte ik ooit in het lauwe water van het Uraniumkanaal, waar het kwik minstens 23º Celsius was! Statistisch echter, vingen we over meerdere jaren gerekend makkelijker onze grote vissen in de koele periodes van het voor- en najaar. Meningen verschillen, maar boven de 25º - 26º Celsius vingen we bijna niets meer. Vermoedelijk heeft dat te maken met de mindere hoeveelheid zuurstof die warm water op kan nemen.

Nukkig voorjaar

Veel vissers zijn het er tegenwoordig over eens, dat het voorjaar de nukkigste visperiode is van het kalenderjaar. Waar het najaar stabiel is in de bijtlust van de vissen, is het voorjaar wispelturig. Dat houdt verband met de wijze waarop de watertemperatuur stijgt. Bij een geleidelijke stijging is er niet veel aan de hand. Zodra de watertemperatuur als een raket omhoogschiet door een hittegolf in mei en het water stijgt van 13º naar 18º graden binnen enkele dagen, kun je het schudden op de meeste wateren. Die snelle stijging prikkelt de hormonen van de karpers. De vissen worden actief en ongedurig, en speuren naar soortgenoten. Samen zwemmen ze naar ondiepe plekken om te paaien. Ze eten wel, maar de activiteiten zijn niet primair gericht op voedsel. Het snel opwarmende lentewater elektrificeert als het ware het karperlichaam in zijn drang tot voortplanting en dat veroorzaakt een instabiel eetgedrag. Dat is ook de reden, dat lentekarpers het zo moeilijk doen op een voerplek.

Aasresten
Ze eten wel van het voer, wat makkelijk te zien is als iemand op een druk bevist water een karper vangt. Zo'n vis heeft dan duidelijk boilieresten in zijn ontlasting. Vol verbazing roept een visser dan: 'Moet je kijken, die karper poept bruin voer. Dat lijkt wel vismeel en ik vis met rode aardbeiboilies?' Het voorjaar is de enige periode in het jaar, waarin de instantvissers - die niet van tevoren voeren - evenveel of beter vangen dan de ijverige voerplekmakers! Die ontembare drang in de vissen leidt ertoe, dat de karpers lastig op een voerplek blijven hangen, dat ze makkelijk doorzwemmen en dat slechts enkele vissen terugkomen!

Doel van een voerstek

Wat was alweer het hoofddoel van voerstek?

Als ik me goed herinner: de karpers 'vast te houden' of 'terug te laten komen!' Kortom, wat voor nut heeft een voerplek als die vervelende hormonen ons zo dwarsbomen? Dat lijkt inderdaad de conclusie te rechtvaardigen: 'Kom nou, ik gooi mijn geld niet in het water. Voorlopig hou ik ermee op. Ik voer wel weer als ze bijten.' Nu ik dit stukje heb getypt en het nog eens rustig nalees, klinkt deze conclusie zo logisch als wat, maar toch zint me hier iets niet. Ik moet sterk denken aan het spreekwoord: 'Het kind met het badwater weggooien.' Als je iets niet ziet zitten en je alles als zinloos ervaart en je uitsluitend de schaduwkanten van iets ziet, ben je geneigd om de weg van de minste weerstand te kiezen, dus: 'Hup, weg met dit alles!' We mogen niet vergeten, dat er altijd iets goeds bij is. Dat gooi je dan ook weg, wat dan ook! We gooien een zojuist gewassen kindje toch ook niet weg met het smerige badwater!

Ik voer wél
Waarom ik wél voer in de lente! Voor ik mijn redenen geef om toch te voeren, wil ik eerst tilstaan bij die conclusie om niet te voeren. Gek genoeg kwam die conclusie nooit en te nimmer bij mij op! Ik heb er gewoon nooit aan gedacht om niet te voeren. Ik niet en al mijn vrienden niet. Stom of niet?

Cor de Man

Tot mijn stomme verbazing las ik die conclusie in het karpermagazine Karper nr. 5. Cor de Man schreef daarin een uitstekend artikel: 'Voercampagnes: to bait or not to bait?' In grote lijnen was ik het met zijn hoofdconclusies eens. Evenals Cor onderschrijf ik het volledig dat het voorjaar een ontzettend moeilijke en instabiele periode is. Alleen ben ik het absoluut oneens met Cors conclusie: 'Het is zinloos om te voeren in het voorjaar.'

Wat dan?
Wat moet je dan doen, vraag ik me af? Uitsluitend instant vissen? De laatste weken van april en de meimaand zijn daarvoor uitstekende tijden. Belangrijk is het motto: 'Vis in de lente diep én ondiep en je zult vangen!'

Diep en ondiep

Van grote, diepe plassen is bekend, dat de ondiepe oeverzones snel opwarmen, waardoor vlug een schril contrast optreedt met de koele waterlagen tot acht meter diepte. Na een paar dagen warme zon komt het geregeld voor, dat een karper uit de diepte wipt op weg naar die heerlijke warmte op het ondiepe. Op de Maarsseveense Plassen gebeurde het niet zelden, dat je bezig was met een voerplek op zo'n zes meter diepte, maar na plotseling twee warme dagen kreeg je daar geen beet. Als je in die diepte zat te blanken en nauwkeurig de nabije omgeving observeerde, zag je vlakbij de oever een rietstengel schokken. Je kon er op wachten als je er alert wat boilies plus een hengel bijgooide. Vijf minuten later incasseerde je prompt een fraaie karper! Vaak genoeg bleek die karper ook van je boilies in de diepte te hebben gegeten! Alleen was hij daar niet blijven hangen, maar was hij doorgeschoten naar die warme oeverzone. Stel, dat ik géén voerplek had gemaakt? Had ik 'm dan ook gevangen? Hierover twee dingen:

Ik heb te weinig zelfvertrouwen om zomaar al die uren te gaan zitten wachten.

Zou die ene karper dan ook in de buurt hebben gezeten?



Ook al rendeert een voerplek niet altijd optimaal, toch fungeert hij vaak nog wel als een magneet, waar in een cirkel eromheen karperactiviteiten kunt bespeuren. Nu zie je er eentje in het riet, dan weer tussen de lelies. Het feit dat die karper van die boilies in het diepe had gegeten, bewijst ook dat de karpers zich zowel in de diepte bevinden als in het ondiepe! In dit verband herinner ik me een schitterende instantvangst van de Rotterdammer Hans Visser.

Timing!
Op 17 mei 1998 viste hij voor de eerste keer op een diepe plas. Het was een typische meidag. De zon scheen en zwemmers dolden verderopin het warme voorjaarswater. Hans startte 's ochtends. Eén hengel gooide hij op vijf meter water en de andere dropte hij op een taludje bij de oever. Er stond nauwelijks een metertje. In het glasheldere water kon hij zelfs zijn rig zien liggen op de bodem. De hele dag gebeurde er niets en Hans pitte lekker in de zon. Een heerlijk zondagje was hij uit. Hans besloot voor de files weg te gaan, toen zijn oeverhengel afdaverde! Het resultaat? Een schitterende spiegelkarper van 36 pond! Blijkbaar kwam ie nieuwsgierig uit de koude diepte. Hans' vangst was een typische voorjaarsvangst. Bewijst dat Cors gelijk? Absoluut niet! Hans' tactiek om tegelijkertijd zowel diep als ondiep te vissen was doorslaggevende van aard. Plus het feit, dat hij op het juiste tijdstip op de juiste plaats viste! Wie deze twee dingen altijd weet te combineren, is ongetwijfeld de beste visser van de wereld! Het probleem is dat we die combinatie nooit van tevoren weten! Wist ik 't altijd maar: 'Wanneer en waar?'

Zekerheid

Met een flinke portie zelfvertrouwen geniet je van zo'n avond.

In de praktijk kunnen zoveel dingen vlug veranderen en de enige zekerheid die je in die chaos hebt, is dat je wél van tevoren hebt gevoerd! Lukt het niet, oké. De wetenschap dat al dagen boilies voor me werken, geeft mij een flinke portie zelfvertrouwen. Ik weet dit klinkt wat magertjes. Daarom een doordenkertje. Zelfs in de beste herfst kan het gebeuren, dat een voerplek faalt. Waardoor weet niemand. Je hebt dus wél gevoerd! Bijten ze niet, dan heb ik daar vrede mee. Op een voerplek heb je dat binnen enkele uren in de gaten. Mijn kansen zijn dan ook nihil op een mooie blindganger, maar voor die instantvisser geldt hetzelfde. Niet voeren, betekent niet dat hij een streepje voor heeft. Laten we het eens theoretisch bekijken.

Stel de karpers bijten niet. Mijn conclusie: beide vissers vangen niets, zowel de instantvisser niet als de voerplekmaker niet.

Stel de karpers bijten wél. Mijn conclusie: beide vissers vangen. Alleen zal de instantvisser alleen vangen wat er die dag langskomt, terwijl die voerplekmaker juist ook grote kansen heeft op alle karpers, die al op zijn voerplek zijn geweest! Voor die voerplekmaker behoort een topdag tot een reële mogelijkheid! Onze beste Cor heeft dus in dit geval, door niet te voeren, een absolute topdag verspeeld! Vandaar dat ik altijd kies voor de zekerheid om toch te voeren.

Ook al is het lenteweer overal in Nederland en België hetzelfde, de vele watersoorten zijn dat dan beslist nog niet! Het ene water is diep, het andere is ondiep. Er zijn hard stromende rivieren en diepe kanalen. Er zijn diepe zandafgravingen en ondiepe veenplassen. Er zijn forten en grindgaten. Ik geef nogmaals toe, dat een voerplek inderdaad kan falen in het voorjaar, maar het ene water is het andere niet. Op exact dezelfde dag kan een voerplek in het ene watertype compleet mislukken, maar op een ander watertype ongelooflijk scoren!



Voer- en aasperiode

Voeren direct voor een aasperiode bevordert dat karpers sneller de boilies vinden. De voordelen zijn:

Optimaal boilie-effect
Een korte ligtijd in het water bevordert het boilie-effect. Boilies zijn uitgevonden om zo min mogelijk witvisgevoelig te zijn. Vandaar dat hardgekookte schilletje eromheen. Als boilies vele uren in het water liggen, weken ze in en absorberen ze geleidelijk meer water. Ze zwellen op en het schilletje wordt zachter. Op termijn verdwijnt het doel van de boilies en neemt de beschikbaarheid voor ongewenste vissoorten als voorn, brasem en winde steeds meer toe. Ten slotte zal een karper niets meer vinden. Dit opruimingsproces is een normaal gegeven en is uiteraard ook in het belang van het milieu.

Hoelang het duurt voordat het boilie-effect verloren gaat, zou ik niet weten. Dat hangt af van de hardheid van de boilie. Als het boilie-effect zo'n 15 tot 20 uur duurt, vind ik dat ruim voldoende. Langer hoeft niet. Op een voerplek voer ik elke dag, dus eenmaal per 24 uur. Met keiharde boilies die dagenlang onaangetast blijven liggen, heb ik slechte ervaringen. Een bikkelharde knikker weekt weliswaar niet of nauwelijks in, maar de ingrediënten die nodig zijn om zo'n boilie te fabriceren, hebben een slechte invloed op de voedingswaarde en op het verteringsproces. Anders kan ik niet verklaren, dat dergelijke boilies het nooit best deden op een voerplek. Terwijl juist bij hen het boilie-effect optimaal was!

Optimale voedingswaarde
Een korte inweektijd is belangrijk voor een goede voedingswaarde! Dat geldt vooral voor de in water oplosbare B-vitamines. In het studieboek Bio-energetics and Growth, Volume VIII (W.S.Hoar) las ik, dat de volgende elementen van groot belang zijn voor de samenstelling van een voer.

De stabiliteitseis van voer. Valt het voer uiteen dan verdwijnen de vitamines snel.

De tijd voordat het voer wordt gegeten. Deze tijd dient het liefst zo kort mogelijk te zijn.



Hier blijkt duidelijk het belang van een stabiele boilie en een goede pellet voor een karperkwekerij! Als die te snel uiteenvalt, gaat dat ten koste van de voedingswaarde! Zelf doe ik daarom altijd een behoorlijke hoeveelheid B-vitamines in mijn mix, zeker ook gezien de mogelijke verliezen door verhitting, door oplossing in het kookwater en door het wegsijpelen op de voerplek. Een eventueel overschot aan B-vitamines is ongevaarlijk voor de vis. Ze zijn immers in water oplosbaar en komen uiteindelijk via de urine weer uit het lichaam.

Gewenning aan voertijd
Aangevoerde karpers wennen zo uitstekend aan de door de visser gekozen voertijd. Hongerige gewoontedieren als karpers kunnen zich zo goed op dat tijdstip instellen. De kans dat een karper op je voerplek ligt te wachten, is dan huizenhoog!

Willekeurig voeren

Voeren op een willekeurig tijdstip verhoogt de kans, dat het erg lang duurt voordat de karpers het voer ontdekken. Een lange ligtijd heeft de volgende nadelen:

Witvisgevoeligheid Dat boilies lang inweken met als gevolg dat de witvisgevoeligheid toeneemt. Misschien liggen de boilies er zelfs niet meer als een karper daadwerkelijk verschijnt. Naarmate de tijd verstrijkt, vermindert het selectieve boilie-effect steeds meer.

Slechte voedingswaarde Als boilies lang in het water liggen, zullen de B-vitamines langzaam maar zeker wegsijpelen en oplossen in het water. Belangrijke nutriënten gaan zo verloren. Volgens de voedingsleer is de definitie van nutriënten: 'Dit zijn essentiële voedingsstoffen, die niet of onvoldoende door het lichaam kunnen worden gemaakt. Het ontbreken van een of meer ervan maakt leven uiteindelijk onmogelijk.' Het karperlichaam kan die B-vitamines uitstekend gebruiken bij het verteringsproces van de gegeten boilies. Als B-vitamines ontbreken, verslechterd uiteraard de voedingswaarde.

Geen gewenning Er zal nauwelijks of geen gewenning zijn van de karpers aan de voertijd, wanneer de eerstvolgende aasperiode pas vele uren later start. Karpers zijn gewoontedieren met vaste eetpatronen in hun bioritme. Het is moeilijk, zo niet onmogelijk om karpers tot eten te dwingen buiten hun normale aasperiode. Over die voertijd heb ik een mooie anekdote.



De avondkarper

Deze karper bepaalde zelf zijn eetpatroon.

In oktober 1996 beviste ik de ingang van de Heicop, een zijtak van het Amsterdam-Rijnkanaal. Als gewoonlijk voerde ik twee dagen om 18.00 uur en ging de derde dag ook op dat tijdstip vissen. Na een paar sessies werd het eetpatroon van de karpers duidelijk. Steevast kwam er een aanbeet tussen 19.00 en 20.30 uur. Het werd steeds vroeger donker en de wintertijd was al ingegaan en het weer verslechterde. Daarom nam ik het besluit om 's middags te gaan vissen. Zo gezegd, zo gedaan. Ik voerde twee dagen om klokslag 12.00 uur. De derde dag begon ik een kwartiertje eerder. Gespannen wachtte ik de hele middag, maar er gebeurde niets! Was mijn voerplek mislukt? Het werd vijf uur, zes uur... en ik zat er nog. Zouden ze weer na 19.00 komen? Voor de zekerheid had ik thuis al afgesproken, dat ik wat later zou kunnen komen als het 's middags niet lukte. Dus ik bleef en de schemering viel in

Het gouden uurtje
Om precies 19.15 uur verzilverde ik eindelijk een run met een fraaie schubkarper van 23 pond! Toeval? Zeker niet! Mijn weegnetje zat binnen de kortste keren onder de bruine smurrie van de verteerde boilies! Dat kon natuurlijk nooit door die 10 boilies, die ik om 12.00 uur rond mijn haakboilie had gestrooid. Daarvoor duurt het verteringsproces bij water van 14º Celsius gewoon te lang en in het netje lag ook teveel. Ik neem aan dat die karper de hele middag passief in de buurt van mijn voerplek heeft rondgehangen en pas op zijn normale etenstijd is gaan eten. Als zijn normale aasperiodes middags was geweest, had ik hem ongetwijfeld uren eerder al gevangen. Niet voeren in de nabijheid van een werkelijke aasperiode kan zodoende ook een vals beeld geven. Het lijkt dan net of de voerplek is mislukt. Meestal vis ik op een voerplek zes uur. Ik kies het voertijdstip dan enkele uren voor het donker. Als ik niet beter had geweten, was ik misschien al om 18.00 gestopt en had ik een knalharde blank gehad! Het is dus altijd belangrijk om te weten, wanneer de karpers azen. Uitproberen en informatie inwinnen bij andere karpervissers is in dit opzicht ook van groot belang.

Dwingt de voertijd?

De voordelen van een goed gekozen voertijd zijn nu duidelijk. Toch kan het gebeuren, dat de ideale voertijd bekend is, maar niet haalbaar wegens prive- of werkomstandigheden. Een strenge aasperiode als hierboven geeft de opluchting, dat het niet altijd noodzakelijk is om steeds op dezelfde tijd te voeren om een vast eetpatroon bij de karpers af te dwingen. Als je weet dat de karpers toch niet eerder bijten, dan zeg 19.00 uur, kun je met je voeren rekening houden met je eigen mogelijkheden. In dit voorbeeld voer je dan bewust in je lunchpauze tussen 12.00 en 14.00 uur en ga je op de visdag pas na het avondeten, om 18.00 uur! De karpervisser die een nacht wil pakken of een vroege ochtend vissen, hoeft om te voeren, echt niet midden in de nacht op te staan of bij het allereerste ochtendkrieken. Zelf ben ik absoluut geen ochtendmens en volsta in dat geval met regelmatig 's avonds laat! Toch blijft ook hier de kennis van de werkelijke aasperiode van groot belang om zonodig het voertijdstip aan te kunnen passen.

Willekeurig dag en nacht?

Enige tijd geleden las ik over de voertijd een rare uitspraak. In BEET aug. 1998 schreef Ton Cremers een artikel met als onderwerp 'Stekvoorbereiding en voeren'. Ik citeer de eerste zinnen uit het stukje 'Voermomenten':

'Het voeren met de boilies probeer ik zoveel mogelijk op verschillende momenten van de dag en de nacht te doen. De reden hiervoor is dat de karpers dan ook op andere uren dan de gebruikelijke voermomenten de boilies tegenkomen. De variabele voermomenten hanteer ik om geen vast voerpatroon te creëren, waaraan ze gewend zouden raken. We willen tenslotte de hele dag (en nacht) door aanbeten krijgen!'

Tja, wat moet ik daar nu mee? Als een goed gekozen voertijdstip volgens Ton volkomen onbelangrijk is en hij het liefste dag en nacht chaotisch voert, dan heb ik bovenstaand stuk voor niets geschreven. Beste lezer, ik wist van tevoren waar ik aan begon. Sterker, die tweede vraag over 'voertijdstip en aasperiode' heb ik juist gesteld naar aanleiding van Tons uitspraak!

Structuur of chaos?
Als chaos wordt verheven tot structuur, weet ik 't ook niet meer en komen de gekste vragen bij me op. Wanneer moet ik beginnen? Hoeveel voer moet er per dag in? Om de hoeveelheid tijd? Hoelang dient mijn sessie te zijn? Zes uur, tien uur of 24 uur? Welk dagdeel? Hoe zit het met al die zinloze uren dat de karpers niet bijten en de boilies liggen in te weken en de voedingswaarde achteruitholt? De hele dag en nacht beet krijgen, wil ik ook wel, wie niet? De vissen laten zich toch niet dwingen? Of kan Ton dat wel? Zouden karpervissers die maar wat doen en nooit rekening houden met aasperiodes, beter vangen? Als het er niet toedoet wanneer ze bijten, omdat je bewust chaotisch voert, naar welke ongebruikelijke tijdstippen wil je de vissen dan dwingen?

Of heeft Ton zoveel uren of dagen ter beschikking, dat het totaal onbelangrijk is wanneer ze bijten? Waarvoor dient een voerstek? Toch om uren uit te sparen en effectief te vissen! Je gebruikt toch juist een voerplek om structuur in chaos aan te brengen? De gedachte om zomaar je huis uit lopen als je zin hebt, wat boilies te pakken en die op willekeurige tijdstippen op je voerplek te smijten, trekt me absoluut niet aan. Misschien is 't wat voor de gemakzuchtigen onder ons? Even serieus, Ton zal het allemaal wel goed bedoelen, maar ikzelf zal het niet doen. Structureren, beredeneren en weten wat je doet, levert volgens mij nog steeds de allerbeste vangsten. Veel succes.


Voerhoeveelheden