|
|
|
Karperstekken |
|
|
Wat is goed? |
|
|
Dit ruikt gewoon naar karper!
|
|
|
|
|
|
Als ik aan een willekeurige karpervisser de vraag zou stellen: 'Zit jij graag op een goede karperstek?', dan zou hij me vol verbazing aankijken en aarzelend 'Ja' zeggen. Wie wil dat immers niet, iedereen toch! Natuurlijk stelde ik ook wel een hele domme vraag. Intelligenter is de vraag: 'Wat is een goede karperstek?' De gebruikelijke antwoorden die dan op me worden afgevuurd, staan in alle boekjes en de algemene noemer daarvan is 'alles wat de eentonigheid doorbreekt', zoals rietkragen, overhangende bomen, lelievelden, takken in het water, dukdalven, plateaus en glooiingen. Deze lijst is oneindig lang. Inderdaad zijn dit de eerste aanknopingspunten waarnaar ik kijk als ik op zoek ben naar een nieuwe karperstek. Als ik op het oog een redelijke stek gevonden heb, ben ik er nog niet en ga ik zeker nog niet onmiddellijk vissen of voeren. Voordat ik dat besluit neem, wil ik eerst twee dingen weten. |
|
|
Twee eisen |
|
|
 |
Modder of niet? Ik wil altijd weten of de bodem hard of zacht is. Bestaat de bodem uit stevig zand of uit kleverig klei? Of liggen er stenen? Of ligt er een dikke modderlaag? Omdat ik graag vis met boilies, heb ik het liefste dat ze keurig op de bodem liggen en makkelijk zijn door de karpers zijn op te peuzelen. Boilies verliezen hun effect wanneer ze verdwijnen tussen de stenen of in de bagger. Jaren geleden viste ik eens op de Loosdrechtse Plassen, waarop sommige plekken de bodem zo dun was, dat je daar zelfs met een stok niet voelen kon, waar het water ophield en de bodem begon! De bodem leek er nog het meeste op dunne bruine bonensoep. Op een dergelijke plek te voeren heeft volgens mij geen enkele zin. Niet alleen verdwijnen er de ronde boilies in, maar ook de veel lichtere particles. Toch zwommen er wel karpers, want ik lokaliseerde ze daar. Vermoedelijk aten ze ook wel van het voer, maar een voerplek bleek gedoemd tot falen en dan zwijg ik over de vistechnische problemen met al die modder. |
 |
Rommel Verder vind ik het belangrijk te weten of er rommel op de bodem ligt. Een vuile bodem is een verschrikkelijke ergernis bij het vissen. Denk aan in het water gewaaide takken, stukken hout, vergane planken, rottende bladeren, afgeknipte kabels, prikkeldraad, of weggegooide winkelkarretjes! Meer normale dingen kunnen ook erg lastig zijn, denk aan: scherpe zwanenmossels, boomwortels, planten en wierbedden. De niet geringe kans om hieraan een karper te verspelen, lijkt me wel duidelijk. Aan de waterkant probeer ik zoveel mogelijk hierover te weten te komen. Dat doe ik meestal met een hengel en een stuk lood. Na een half uur gooien en voelen, weet ik dan genoeg. |
|
|
|
Loosdrecht |
|
|
Tussen lelies bevinden karpers zich heel graag.
|
|
|
|
|
|
Het gebied dat ik jarenlang beviste vanuit een boot, was de Kievitsbuurt bij Breukelen. De Kievitsbuurt was de naam voor een labyrintachtig trekgatengebied van minstens 100 smalle kreekjes naast elkaar. Behalve de vele kale gaten zonder waterplanten, lagen er ook schitterende paradijsjes. Sommige gaten leken stukjes pure wildernis en kleurden groen van de lelies en het riet, en werden geheel omzoomd door verzonken legakkers met uit het water stekende stronken en takken. Toen ik dat gebied in 1989 besloot aan te pakken, ging ik natuurlijk het eerste kijken bij deze fraaie plekken. Ze bevatten alle kenmerken uit de boekjes en hadden een magnetische aantrekkingskracht op mij èn op de karper! Iets beters kon ik me niet bedenken. Als ik zeg dat het er werkelijk barstte van de karpers, overdrijf ik beslist niet. Ik keek niet verder en legde er handenwrijvend meteen een voerplek aan en ik ging er vissen.
Tussen de karpers! De resultaten vielen bitter tegen! Het begon al bij de plek. Ik kon er alleen voeren en vissen in de kleine open gaatjes tussen het lelieblad en tot mijn teleurstelling was de bodem daar boterzacht. Met ronde boilies ging het dus al niet. Daarom besloot ik er te gaan voeren met platte boilies en strooide er voor de zekerheid enkele handen gekookte maïs bij. Op de visdag bleek het ook een probleem om er in de bootje stilletjes heen te roeien, zonder de karpers te verjagen. Verder was ik gedwongen te vissen met een zo goed als zwevende pop-up, die ik toch nog elk uur diende op te halen om schoon te maken, anders werd ie onverbiddelijk besmeurd door zwarte blubber. Als ik eindelijk een karper wist te haken, moest ik de krachtpatser met groot geweld blokkeren, zien weg te sleuren van de gevaarlijke takken en 'm als een handige goochelaar zien te manoeuvreren in mijn landingsnet tussen al die vervelende lelies.
De hele plek was dan zo op stelten en zo troebel, dat het er de eerste uren wel uitgestorven leek. Ving je twee karpers in vijf uur tijd dan was je een hele kerel, ook al zat je temidden van vele karpers! Lang viel het in de roeiboot ook niet uit te houden. Je zat daar bovenop een gigantische broedplaats van wolken steekmuggen en als die in de avondschemering massaal uitkwamen, kon je maar beter vluchten. Nachtvissen was ondoenlijk. In het donker zag je in die wildernis niks en licht of geen licht, elk uur moest je ophalen, je rig controleren en opnieuw ingooien. De aanbeet kwam altijd onverwachts, terwijl je alert diende te reageren. Eén seconde te laat en de karper denderde alweer metersver in het lelieveld en lijnbreuk was vaak het onvermijdelijke resultaat. Balend kon je opnieuw beginnen. Veel karpers ving ik niet, zo'n 50% verspeelde ik. Ik ergerde me meer dan dat ik blij was. Volgens het boekje was het een prima karperstek. En ik geef toe, het wemelde er van de karpers! |
|
|
Een stek zonder karpers? |
|
|
Een beauty uit de wildernis.
|
|
|
|
|
|
Die vervelende dingen dwongen me tot nadenken. In die wildernis zag ik constant karpers en gefrustreerd kwijlde ik ervan, maar ik ving ze niet. Ik vroeg me af of ik mijn aanpak radicaal diende te wijzigen en een mindere stek moest zoeken, waar ik fatsoenlijk kon vissen. Zou er in de buurt van die berestek een plaats zijn, waar de omstandigheden wél in mijn voordeel waren? Ik wilde lekker plezierig vissen en ook effectief! Wat heb je aan een goede karperstek als alles in je nadeel is? Ik besloot een stek te zoeken met een harde bodem, waarop ik mijn boilies perfect kon deponeren en waar geen gevaarlijke takken lagen en weinig lelies. Dan had ik een goeie kans om een gehaakte karper te vangen. Als ik daar mijn boot fatsoenlijk kon aanleggen was ik een tevreden mens. Of daar karpers waren, bekommerde ik me maar niet.
|
|
|
|
|
|
 |
De viersprong Na wat zoeken vond ik 200 meter verder in het verlengde van die wereldstek, een viersprong. Daar eindigde het trekgat waar het wemelde van de karper. Op de kop van de legakker liep een stevige houten schoeiing geslagen. Daar prikte ik met een stok en ja hoor, tot twee meter uit de oever was de bodem zanderig en hard! Het was er brandschoon en rommel of takken lagen er niet. Langs de kale kant dreef een enkel lelieblaadje. Mijn boot kon ik prima vastleggen aan een andere akker. Ik kon prima ingooien naar die kale kop en de open ruimte ertussen was groot genoeg om een karper af te drillen. Die stek voldeed aan alle technische viseisen, maar miste alleen nog karpers. Als ik hier aanbeten kreeg, zat ik gebeiteld. |
 |
Mijn gedachtegang: Deze nieuwe stek was strategisch gekozen. Die karpers daar verderop bleven daar heus niet eeuwig. Als ze gingen zwemmen, moesten ze langs deze viersprong en dus over of langs die kale plek. Die stek was een logische zwemroute. Al kwam er maar één karper langs per dag , 's nachts of overdag, dan maakte dat niks uit, want mijn boilies hadden de tijd en overbrugden de vele uren die ik er niet was. Als ik mijn boilies één of twee karpers zouden vastpinnen, was mission impossible geslaagd. Mijn enige taak was het dagelijkse voerritueel. |
 |
Constant vangen! Ik weet nog goed dat ik de avond van de derde dag, de visdag dus, met kloppend hart roeide naar deze onooglijke stek. De eerste uren gebeurde er niets en ik begon al te twijfelen. De twee voorgaande dagen was er toch wel minimaal één karper langsgeweest? Onverwachts kreeg ik een rustige aanbeet in de schemering. Juichend drilde ik de karper in de open ruimte en zonder gevaar verliep het landen perfect! Mijn eerste vis was direct een spiegelkarper van 25 pond! Het bleek mijn enige vis die avond. Gezien de vele aasresten aas in zijn ontlasting was het ook de enige karper die van de boilies had gegeten. Twee dagen later viste ik er opnieuw en ving er zowaar in 7 uur tijd maar liefst 5 karpers! Jarenlang heb ik die strategische stek bevist. Hij bleek ongelooflijk productief. Heel wat dertigers uit Loosdrecht ving ik daar. Het was een prima route want nieuwe karpers zwommen er steeds langs. Door die vissen goed aan te voeren, kon ik ze bijzonder effectief vangen. Op Loosdrecht was dat een wereldstek waar ik alles onder controle had. Rare capriolen waren niet nodig. Altijd was er wel een karper. De stek was makkelijk te onderhouden en 's nachts was ie prima te bevissen. Goed beschouwd ving ik daar bijna alle bekende grote karpers op Loosdrecht! Als ik maar bleef zitten, zwommen ze toch een keer over die kale stek, al kwamen ze van kilometers afstand. |
|
|
|
|
|
|
De stekken zien we, nu de karpers nog.
|
|
|
|
|
|
Mijn eerste gedachte is 'Wat moet ik hiermee?' Vaak lees ik het grote belang om eerst karpers te lokaliseren voor we gaan vissen. De schrijvende matadoren adviseren meestal de beginnende vissers om aan de waterkant hun ogen wijd open te houden, rond te sluipen en te speuren naar signalen van aanwezige karpers. Als je je ogen goed de kost geeft, zie je misschien de karpers hun baantjes trekken of zelfs springen! Wanneer ze zijn ontdekt en gelokaliseerd, is het een gemakkelijke conclusie om daar te vissen! Was het maar zo eenvoudig, dan had ik allang meer karpers gevangen. Over dat lokaliseren wil ik enkele dingen opmerken. |
|
|
|
|
|
 |
Zijn de karpers te bevissen? Waar veel karpers zwemmen, zijn niet altijd goede stekken. Je moet ze er ook goed kunnen vangen. Zie dat voorbeeld van Loosdrecht. Nog een. Stel je ziet op een hete zomerse dag een tiental karpers zonnebaden aan de oppervlakte. Wat kunnen we daar mee doen? Ik zou het niet weten, behalve heel misschien er een broodkorst bij te werpen? Als de zon daalt, de avond invalt en het kouder wordt, heeft het geen enkele zin om op die plek op de bodem te gaan vissen als er bijvoorbeeld tien meter water staat. Op die diepte zwemmen ze 's zomers beslist niet. Ook kan het gebeuren dat je varend in een boot met behulp van een dieptemeter of fishfinder een school karpers ontdekt, maar midden op een diepe plas en op half water! Dat is best wel leuk en interessant om te weten, maar wat hebben we daaraan? Het schiet me nu trouwens ook te binnen dat een fishfinder een prima apparaat is om het bodemprofiel te leren kennen, maar zeker niet om karpers te proberen te vinden! Zo kun je je behoorlijk vergissen in de vissoort, want welk symbool garandeert een karper? |
 |
Een prima visloze stek! Verder, stel je ziet een lege, visloze plek, betekent dat dan ook een slechte karperstek? Nog een voorbeeld. In de herfstmaanden viste ik vaak in de Maarsseveense Plassen. Daar maakte ik het dikwijls 's middags mee, dat ik er zat te karperen en er tevens driftig door snoekvissers slepend werd gevist vanuit een boot. Mijn hengels lagen ongeveer 50 meter uit de oever op een glooiend zandplateau en recht daaroverheen vaarden dan geregeld die enthousiaste gasten. Aanvankelijk voelde ik me daar niet altijd even prettig bij, maar merkte op den duur, dat dat varen geen enkele invloed had op de vangsten. Toch zagen onze snoekers op hun fishfinder blijkbaar nooit wat en probeerden ze me dikwijls op stang te jagen met opmerkingen als: 'Hé karpervissertje, als ik jou was, zou ik maar gauw een andere stek opzoeken. D'r is hier geen visje te bekennen!' In mijn trots gekrenkt, hoopte ik op een vlotte revanche. Vaak ving ik nog geen half uur na zo'n geintje een mooie karper, maar jammer genoeg zagen die jongens dat natuurlijk niet. Ik wil alleen maar zeggen, dat een fishfinder slechts een uiterst kort moment weergeeft van wat er zoal op een plek kan zwemmen. |
|
|
|
Groot water, wat dan? |
|
|
Wat doen we als we de karpers niet kunt lokaliseren? Meestal is dat op groot water het geval. Als ik aan de oever sta van de Loosdrechtse Plassen, een veenplassengebied van 5000 hectare, een water zo groot dat ik de overkant niet kan zien, of als ik sta bij het wild klotsende water van het 72-kilometerlange Amsterdam-Rijnkanaal waar zwaarbeladen olietankers af en aan varen, dan stel ik nogmaals de vraag: 'Hoe moet ik hier in hemelsnaam de karpers lokaliseren?' Op dergelijke wateren kan ik moeilijk wachten tot ik er een zie zwemmen of springen. Dat gebeurt daar gewoon niet. Visueel op karpers jagen is daar niet zinvol. Ik geef toe, in mijn visserij heeft het daadwerkelijk lokaliseren van de karpers nooit een rol gespeeld, niet op de Maarsseveense Plassen, niet op het havencomplex de Lage Weide te Utrecht en ook niet op Vinkeveen of Nieuwkoop. |
|
|
|
|
|
Zo'n stek lijkt me de moeite van het proberen waard.
|
|
|
|
|
|
Strategisch denken Altijd en overal probeerde ik een strategische stek te vinden. Eerst keek ik naar de aanknopingspunten, de bekende boekjeskenmerken, daarna probeerde ik een geschikte plek te vinden in de buurt met een harde bodem zonder rommel en het liefste op een zwemroute. Dan voerde ik twee dagen. Op de visdag wist ik of er karpers langsgekomen waren. Dan wist ik of ik ze had gelokaliseerd. Zodra ik blankte, vertrok ik en zocht ik onmiddellijk een nieuwe, soortgelijke plek. Door zo te zoeken, vond ik in de loop der jaren legio prima karperstekken. Goed, het lukte niet altijd, maar deze gedegen aanpak leverde mij meer karpers in het net, dan de wispelturige hak-op-de-tak-methode uit de boekjes die oppervlakkig aanbeveelt bij iedere fraaie stek te vissen of waar we een karper zien zwemmen. |
|
|
Eigen ervaring |
|
|
Ik praat hoofdzakelijk vanuit mijn ervaringen op groot water, maar heb weinig tot geen ervaringen op klein water, zoals cultuurwatertjes, karperputten, sloten, vaarten, forten of polders. Het kan best zo zijn en ik ontken dat niet, dat daar de zoektocht naar fraaie karperstekken en plekken waar ze zwemmen daar erg belangrijk is. Maar al bij het typpen van deze zin, merk ik toch weer bij mezelf dat ik 'm meer gebruik, omdat ik denk dat de lezer hem zo graag wil horen. Het gevoel bekruipt me sterk dat je op klein water toch nooit ver van de vissen vandaan zult zijn? Is het daar echt zo moeilijk om de karpers te missen? Moet je ze daar echt opzoeken en lokaliseren? Komt succes daar op 10, 50 of 100 meter aan? Misschien zal ik het verkeerd hebben, maar ik heb de indruk dat ook daar dingen als een harde bodem, de afwezigheid van rommel en een strategische zwemroute belangrijk zijn! |
|
|
De loopjes |
|
|
De laatste jaren valt het me steeds meer op dat óók karpers hun typische 'loopjes' hebben. Anders gezegd, óók karpers hebben hun eigen paadjes. Van vele wilde dieren is bekend dat ze zich steevast verplaatsen over dezelfde wildpaadjes door bos of kreupelhout. Niet alleen grof wild als olifanten, herten, zwijnen en reeën doen dat, maar ook klein wild als hazen en konijnen. Vooral handige stropers maken van deze wetenschap gebruik. Allerlei onbenullige dingetjes verklappen of en waar een reeën- of konijnenpaadje door de struiken gaat. Een vakkundige stroper leest op zijn ervaring de signaaltjes die hij ziet en kan exact voorspellen welke route een konijn zal lopen. Vervolgens kan de onverlaat nauwkeurig zijn valstrik spannen. Doch als hij 'm iets verkeerd heeft opgesteld, of zomaar in het wilde weg, heeft hij weinig kans van slagen. In de val of niet heeft alles te maken met zo'n loopje. Ook vissen hebben vaak hun eigen loopje. Met name palingvissers en doorgewinterde peurders weten precies langs en hoever uit de oever de weg van paling loopt. Als de beste peurder er niet achter kan komen welke route een gladde jongen zwemt, vangt hij niets, zelfs niet op de beste avond! |
|
|
Gewoontedieren |
|
|
 |
Theo Vork : Karpers en zeker de oudere vissen zijn echte gewoontedieren en hebben overal hun eigen loopjes. Wanneer een karpervisser zijn hengels weet te posteren op zo'n loopje kan succes niet uitblijven. Zo'n paadje bevindt zich bijvoorbeeld langs de bovenrand van een talud, of strak langs de oever om ineens af te buigen om een paaltje heen dat verderop in het water staat. In dit verband heb ik een leuk citaat uit mijn laatste boek Speurtocht naar Giganten. Het gaat over Theo Vork die 42 jaar de botenknecht is geweest bij visgelegenheid Het Plashuis in het dorpje Noorden bij Nieuwkoop. Toen ik Theo interviewde was hij letterlijk een ouwe rot van over de 70 jaar en een karpervisser in hart en nieren. Ik citeer op pagina 91: 'Bij lelievelden was het aanlokkelijk om de pen in de ronde gaten te dopen. Aanvankelijk deed hij dat ook, maar Theo kwam erachter dat hij meer succes had, als hij lette op de typische loopjes door de bladeren. Hij lette dan vooral op de ligrichting van de bladeren. Zo'n loopje zag eruit als een iele visgraat, dáárdoor zwommen ze. In dat vissenpaadje moest je liggen. Al waren die gaatjes maar tien centimeter klein, toch wriemelde Theo zijn pen erin en altijd met succes!' |
 |
André Mijs : Ik herinner me nu een interessante opmerking van André Mijs die de afgelopen jaren op de Nieuwkoopse Plassen veertigers tot 48 pond wist te vangen en ook zijn verhaal staat in mijn boek. Het opmerkelijke was dat André ze niet alleen verschalkte op dezelfde stek, maar ook nog allemaal op exact dezelfde vierkante meter! Dat was namelijk het plekje waar hij altijd zijn linkerhengel gooide. Op zijn andere hengels ving hij ook wel, maar een echte dikke haakte André steeds weer op dat ene onooglijke plekje. Het gekke was dus dat als een gigant na zoveel maanden of zelfs jaren kwam langs André's stek, het leek alsof ie alleen maar zwom over dat ene magische, smalle paadje. Kortom, kennis van zulke strategische loopjes is goud waard en vaak veel belangrijker dan een uiterlijk fraaie stek. Veel succes! |
|
|
|
De watertemperatuur Nut van een voerplek
|
|
 |
 |
 |
 |
 |
|
 |