De Havenbaron

Utreg!

Een beauty, de grootste karper van het stadsjie Utreg! Heel simpel, dat slag vissen kan ik niet vangen in Nederland, maar ik niet alleen, niemand kan dat, hoeveel moeite ik ook zou doen, welk water ik ook zou zoeken. Een oneerlijker vergelijking kan ik bijna niet bedenken. De absolute vergelijking is hier nog harder of gemener dan de relatieve.

Het is algemeen bekend dat de grootste karper van het stadsjie Utreg een schubkarper is van 37 pond. Deze vis zwemt rond in het havencomplex van de Lage Weide. Hoewel vroeger de geruchten de ronde deden, dat die havens kanjers zouden herbergen van dik boven 40 pond, weten we anno 1997 wel beter. De feiten spreken voor zich. Ik denk dat ik er niet ver naast zit als ik beweer, dat er in al de havens bij elkaar en die zijn echt kilometers groot, nog nooit een zwaardere karper is gevangen dan deze vis.

Af en toe duurde het jaren, maar plotseling hoorde je dan weer over de vangst van een geweldige karper van 36 of 37 pond. Bij navraag bleek het steevast om dezelfde schubkarper te gaan. Wateren waar zulke karpers zwemmen, oefenen een magnetische aantrekkingskracht uit op talloze karpervissers. Ze komen van heinde en verre, in regen en wind, in zomer en in winter. Ondanks de kille fabrieksomgeving waagden velen hier een gok. Toch viel de hoofdprijs zelden. Uit betrouwbare gegevens blijkt dat deze mysterieuze vis in die havens minimaal vier keer is gevangen in de laatste tien jaar.

Het Uraniumkanaal

Zijn verblijfplaats is achterin het Uraniumkanaal.

De eerste keer ving ik die gigant in 1986 helemaal achterin het Uraniumkanaal. De exacte plaats was aan het eind van die bomenrij. Theo de Kraay ving de Havenbaron 1989 op vrijwel dezelfde plek. Daarna duurde het vier jaar voordat hij opnieuw gevangen werd. Dat gebeurde in april 1993. Die derde keer was de gelukkige visser Huib Wolf jr., die hem verrassenderwijs haakte op de kop van de Kernhaven. Dat was vooraal in het A'dam-Rijnkanaal zelf. In 1995 ving Bob Siemons hem voor de laatste keer op het grote platform in de Kernhaven.

Nu ik dit opschrijf, heb ik zo'n flauw vermoeden waarom die karper zo weinig wordt gevangen. Waarschijnlijk verblijft hij graag achterin dat lange Uraniumkanaal, dus op de plaats waar ik hem voor de eerste keer verschalkte. Jammer genoeg kan die vis tegenwoordig daar niet meer worden gevangen. Geen mens kan er nog komen door de aanwezigheid van hekken en honden. De zwaarbewaakte fabrieksterreinen verhinderen dat men er nog kan vissen. Die karper heeft daar rust. De karpervissers kunnen hem slechts vangen in de voorste havens, maar dan moet hij er wel uitkomen zwemmen. Slechts twee keer gebeurde dat.

Een droom?

Mijn tweede karper 36p in het Uraniumkanaal te Utrecht!

Aan het Uraniumkanaal grensde een braakliggend stuk land met brandnetels, scherpe distels en verdord hooiachtig gras. Langs de steile schoeiing had ik een plek gevonden waar ik makkelijk kon zitten. Een week lang had ik elke dag een emmer geweekte maïs gevoerd. Op de broeierige zomeravond van 4 juli 1986 ging ik vissen. Op de hoge kant pakte ik mijn spullen uit. Tijdens het optuigen keek ik toevallig naar links en zag ongeveer 15 meter iets in het water drijven. Een grote plasticzak? Nieuwsgierig observeerde ik het. Dat was een vis, een karper! Terwijl hij schuin tegen de oppervlakte hing, reflecteerde zijn flank de zonnestralen van de ondergaande zon. Lichtbruin, goudachtig, een volledig schubbenpatroon van een mooie 20-ponder. Maar die afstand..., het perspectief..., hij was veel groter! Langzaam drong iets onwerkelijks tot me door: de enorme lengte en de indrukwekkende hoogte van de flank.

Een droom? Ik knipperde met mijn ogen. Traag zakte de vis en gelijk een zinkend schip kwam de oranjekleurige staart steil omhoog om snel te verdwijnen. Het incident vervloog alsof er niets gebeurd was. Die vis sloeg alles wat ik had gezien. In die tijd beweerde iedereen dat een dertiger zo zeldzaam was, dat je er maar één in je leven kon vangen. Ik voelde: dat was een heuse dertigponder! Die avond beet hij niet, maar een paar dagen later wel. Vismaat Kobus was erbij toen ik die schitterende karper ving. Hij was zo zwaar dat we hem samen op de hoge kant moesten beuren. Op veilige afstand van de oever spreidden we het net open en aanschouwden we een bulkend lijf, imponerend, zó groot. Kobus stamelde steeds: "Ongelooflijk, ongelooflijk, ongelooflijk!" De gigant woog 36 pond bij 94 cm! Wij beiden, Kobus en ik waren twee karpervissers als kinderen zo blij.

De tweede keer

Een grote verrassing: 36 pond!

Drie jaar later besloot Theo de Kraay uit Maarssen, ook een voerplek te maken in het Uraniumkanaal. Op de warme lenteavond van 29 mei 1989 ging hij toevallig op dezelfde plek zitten als ik in 1986. Theo had twee dagen gevoerd met vismeelboilies en zo'n vijf meter uit de kant. Aanvankelijk kreeg hij geen beet. Het was pikdonker en het liep tegen middernacht. Theo was net van plan naar huis te gaan toen er op zijn stek een karpertje sprong. Vlot hierna kreeg Theo een paar rukken. Hij vertrouwde het niet en vernieuwde zijn onderlijn. Ook gooide hij er boilies bij. Tien minuten later kreeg hij een slome run. Na de aanslag schoof een gevaarte pal langs de schoeiing. Het trok tien meter door de slip. Langzaam maar zeker pompte Theo het logge gewicht terug.

Hoewel hij zeker wist dat het een karper was, voelde het toch aan als een zware vuilniszak. Hij zwom haast niet. Pas onder de hengeltop begon ie. In het zwakke schijnsel van zijn zaklamp schatte Theo hem op 25 pond, maar toen hij hem met de grootste moeite op de kant beurde, schrok hij zich rot. Theo realiseerde zich wat hij gevangen had. Hij juichte: "Hoi, hoi, hoi!" Theo had de karper van zijn leven. Het was die 36-ponder! Theo deed die vis in een bewaarzak en snelde op de brommer naar huis. In het holst van de nacht belde hij zijn karpervriend Marcel van de Schilden uit bed voor de foto's. Marcel werkte bij de PTT en moest om vijf uur beginnen. Voor dag en dauw stonden ze op. Voor de zon opkwam waren de foto's al geschoten.

De Kernhaven

In de jaren 1990, 1991 en 1992 kwam de 36'er er niet uit. Pas in april 1993 werd hij plotseling gevangen door Huib Wolf jr. op de kop van de Kernhaven. Die derde keer was de vangstplaats vrijwel in het Amsterdam-Rijnkanaal zelf. Bij Huib woog de karper 36,5 pond. Meer informatie kon ik over deze vangst niet achterhalen. Niet getreurd, ik ga gewoon verder. In 1994 ving niemand hem en er verstreek opnieuw een jaar. De vierde keer was op 3 mei 1995. Bob Siemons toog enthousiast naar de Maarsseveense Plassen. Daar had hij bij een rietkraag vier dagen gevoerd. Met volle bepakking arriveerde hij hoopvol op zijn stek, maar constateerde tot zijn ontsteltenis dat twee karpervissers daar zaten te vissen met een complete batterij hengels. Bob stond perplex.

Wat raar dat ze precies zijn stek wisten? Wat moest hij doen? Zwaar teleurgesteld draaide hij zich om. Toen hij thuiskwam zag zijn vrouw Miranda direct dat er wat mis was: "Wat heb jij een chagrijnige kop? Ik dacht dat je ging karperen?" Bobs antwoord luidde: "Mijn voerstek was bezet!" Miranda wist het wel: "Dan ga je toch naar de Kernhaven bij de Peguscentrale! Jij vangt daar altijd wat!" Bob ging er met tegenzin naartoe, maar ook in de Kernhaven waren alle plekken op de loswal bezet. Om de paar meter zaten er snoekbaarsvissers, brasemvissers en een stel karpervissers. Wat nu? Na een praatje wist Bob er twee zover te krijgen dat ze opschoven. Hun vriendelijke motto was: "Het is toch niks vandaag." Bob wurmde zijn hengels tussen die andere vissers. Hij gooide ze strak tegen de overkant en schoot er 10 boilies bij.

Supersnel

Bob Siemons ving hem reuze gemakkelijk in een zee van moeite.

Binnen 15 minuten kreeg Bob wat trage piepjes. Bij de aanslag dacht Bob dat het een winde was, maar hij wist beter toen zijn hengel zich boog tot in het handvat! Hij kreeg twee zware bonken op zijn armen en de lijn viel slap. Blijkbaar was de vis het talud afgedoken, de diepte in. Bob draaide als een gek aan zijn molen en halverwege de haven herstelde hij het contact. De vis bleef naar hem toe zwemmen. Een collega-karpervisser pakte Bobs landingsnet. Bob pompte de karper zo vlug mogelijk naar de wateroppervlakte. Hij wist dat op de loswal het gevaar groot was, dat de karper eronder zou duiken. Die loswal werd gestut door honderden gevaarlijke, betonnen palen. Daar mocht hij absoluut niet onder komen! Bob zag ineens een gigantische schubkarper, die alsmaar naderde. Iemand riep: "Een dertiger!" Bob schreeuwde: "Als hij 25 pond haalt, ben ik al blij!" Met de volle spanning op zijn lijn en de karper schuivend aan de oppervlakte liep Bob naar achteren. Hij zag de karper niet meer. De hulp lag op zijn buik en stak het net in het water. En de karper? Die zwom er regelrecht in.

Eén minuut

Van aanslag tot landingsnet duurde alles maar één minuut! De dril ging zo snel dat Bob nauwelijks besefte wat hij had gevangen. Hij probeerde het net op de hoge kant te tillen, maar dat ging niet. Via een overlevingsladder klauterde hij naar beneden en pakte daar pal boven het water, het net stevig aan de mazen vast. Aan de sporten van de ladder werkte hij zich handje voor handje omhoog. Eenmaal op de loswal deed de aanblik van de immense schubkarper Bob rillen van de zenuwen. Het was zo erg dat hij 'm niet eens meer kon onthaken. Zijn hulp heeft dat voor hem gedaan. Die deed de karper voorzichtig in een bewaarzak en bracht 'm naar het voorste stuk bij het gras. Onmiddellijk Bob daarna verschillende Utrechtse karpervissers. Die wogen en meetten toen uitgebreid zijn karper. Opnieuw was het de grootste karper van de Lage Weide. Bij Bob woog hij exact 37 pond, de lengte was 95 cm en de omvang was 77 cm. Drie fotografen namen de foto's. De meeste bleken bepaald niet best. Bob vertelde me nog, dat hij twee dagen niet kon eten. Dat kwam door die schitterende vangst van de karper van zijn leven!