|
|
|
Dick Langhenkel |
|
|
|
|
|
Dick de penvisser specialist.
|
|
|
Kazerne |
|
|
De ontmoeting Voor mijn tweede interview met een karpervisser ben ik afgelopen lente in Garderen geweest. Tot mijn verrassing hadden we per telefoon afgesproken om elkaar te ontmoeten op de Kootkazerne, op woensdag 31 maart. Na 25 jaar geleden mijn dienstplicht te hebben vervuld, moest ik me nu opnieuw legitimeren bij een hokje van de wacht. Een geholsterde soldaat ruilde daar gedecideerd mijn rijbewijs in voor een oranje, tijdelijk bezoekerspasje. Op een landkaart in de gang, legde hij me precies de weg uit naar gebouw 8, daar zat de geestelijke verzorging. Zijn stramme richtlijnen prentte ik me nadrukkelijk in: 'rechtdoor, rechts, links, rechts, links, links, rechts'. Vervolgens reed ik zonder te verdwalen naar de andere kant van de basis. Ik vond het goede gebouw, maar het probleem was dat er wel een lastig bord stond, dat verbood om hier persoonlijke voertuigen te parkeren! Hoe kon ik op dat moment weten, dat ik aan de verkeerde kant stond van het gebouw? Ik moest wat en die afspraak kon niet wachten. Ik twijfelde niet langer en hakte de knoop door en frommelde brutaal mijn Fiëstaatje tussen twee zware legervoertuigen.
Kortgeknipte koppen Alleen uiterlijk zeker van mijn zaak, pakte ik mijn koffertje en liep via een trapje het gebouw binnen. Overal ontwaarde ik kortgeknipte koppen in camouflagepak en terwijl ik door de gangen liep, draaiden er heel wat hoofden. In het leger viel mijn burgerkloffie duidelijk uit de toon. Eindelijk arriveerde ik bij een kamertje met een vriendelijke secretaresse. Gelukkig wist zij van de afspraak af en ze vertelde me, dat onze fanatieke visser nog niet aanwezig was. Enthousiast stelde ze me op mijn gemak. Als ik even plaatsnam, zette ze ondertussen snel een lekker kopje koffie. Het hete bakkie dampte nauwelijks, toen de deuropening zich plotseling vulde met opnieuw zo'n groenkleurig pak. Die militair kwam me wel bekend voor. Die typische bril onder die baret, dat jeugdig ogende hoofd ... Zonder dralen zette hij z'n baret af, vouwde die op en glimlachte. Dat was... Voor ik iets kon zeggen, stak ie zijn hand al uit en stelde ferm de retorische vraag: 'Evert Aalten?' Met een zwak 'Jawel' beaamde ik dat en schudde de stevige vuist van de militair, dominee, publicist en de bekende karpervisser Dick Langhenkel! |
|
|
Staat van dienst |
|
|
Een korte introductie Eigenlijk hoef ik Dick Langhenkel nauwelijks voor te stellen, maar hij is al vele jaren een enthousiast publicist en kundig visser op zowel snoek als karper. Al sinds de jaren zeventig is hij een geweldige promotor van de hengelsport. Eind jaren zestig viste hij voor het eerst op karper. Een vlugge opsomming van wat Dick in de loop der jaren heeft gedaan, ziet er als volgt uit. |
|
|
|
|
|
 |
In 1972 oriënteerde hij zich in Engeland op de moderne technieken en ontwikkelingen over het vissen op karper aldaar. |
 |
In 1973 werd hij lid van de Britse karperstudiegroep, de BCSG. |
 |
In 1974 richtte hij naar dat Britse voorbeeld de Nederlandse karperstudiegroep op, de KSN. |
 |
In 1975 kwam hij op de TV in een film over karpervissen, waarvoor hij zelf het scenario schreef. |
 |
In 1977 publiceerde hij het boekje '200 Karpertips'. |
|
 |

Géén plagiaat.
|
|
|
|
|
|
Vanaf die tijd schreef hij een hele stapel lezenswaardige artikelen over het snoek- en karpervissen voor BEET, Het Visblad én zoals onze trouwe lezers ongetwijfeld weten voor onze eigen blad De Visser!
Hoewel Dick het zelf totaal niet had verwacht, won hij op de afgelopen VISMA de BEET Hengelsportpromotieprijs 1999. Die prijs, waar Dick best trots op is, ontving hij voor zijn vele verdiensten voor de hengelsport! Tegenwoordig publiceert hij in een nog rapper tempo dan vroeger. Dicks schrijfstijl leest erg gemakkelijk weg en opvallend vind ik zijn eigen mening en voorliefde voor de boerenkarper en het vissen met de pen. In dit digitale informatietijdperk waarin dikke karpers de norm lijken te zijn en je pas meedoet me een dure tent, een zachte stretcher, de modernste piepers en een GSM voor de bereikbaarheid, is hij beslist een uitzondering. Over allerlei verkeerde ontwikkelingen neemt hij geen blad voor de mond. Zijn opvoeding en achtergrond is daar natuurlijk debet aan. In woord en geschrift onderstreept Dick het belang van waarden en normen, maar ook de schoonheid en de rust van de natuur. Reden genoeg voor mij om hem een aantal interessante vragen te stellen. |
|
|
Beroep |
|
|
Evert: Je bent dominee en geestelijk verzorger in het leger. Is iemand die op 's zondag op de kansel preekt en in zijn vrije tijd als hobby verwoed op snoek en karper vist en ook nog uitgebreid daarover publiceert, niet een zeldzame combinatie? Dick: Absoluut niet, integendeel zelfs. In historisch perspectief ligt de kiem van de hedendaagse sportvisserij juist bij de geestelijkheid! Denk bijvoorbeeld aan de monniken die rond het jaar 800 al bezig waren met de kweek van karpers. In oude archieven zijn zelfs nog rekeningen voor geleverde karpers te vinden, die het klooster van Egmond stuurde aan de bisschop. Van oudsher verzorgden de monniken van de rooms-katholieke kerk de verspreiding van karpers naar West Europa. Van belang was de consumptie van vis ter vervanging van het gewone vlees. De katholieken mochten dat namelijk niet eten op vrijdag en in de vastentijd. Over dat publiceren. Bijna alle eerste hengelsportboeken zijn juist door predikanten geschreven. Dan heb ik het dus echt over het vissen voor het genoegen. Denk aan vele oude boeken in Engeland. Ik meen zelfs dat Issaac Walton, een predikant was. Dat was de schrijver van het historische sportvissersboek The Compleat Angler uit 1653. |
|
|
Eerste vissersjaren |
|
|
Evert: Begon je al jong met vissen en viste je al direct op de karper? Dick: Nee, dat mocht ik pas toen ik 16 jaar werd. In de jaren zestig was 't rond Amsterdam een ongeschreven wet, dat je niet voor je zestiende op karper mocht gaan vissen. Voor een klein jochie kon het heel gevaarlijk zijn als die aan zijn vaste stok een sterke karper kreeg. Er bestond altijd het risico, dat zo'n ventje onverhoeds in het water werd getrokken, met alle gevolgen van dien. Reeds op mijn vierde raakte ik verslaafd aan vissen. Mijn allereerste visjes waren stekelbaarsjes. Ik ving ze met een stok waaraan naaigaren was geknoopt en waarop twee halve luciferhoutjes dienden als dobbertjes. Aan het eind bond ik een kronkelend wormpje en als ik die in het water hing, zogen die stekeltjes zich vast aan een puntje. Met wat handigheid kon ik af en toe een stekeltje op de kant wippen en ze in een emmertje water doen. Ik herinner me nog goed, dat ik als kleuter elke zaterdagmiddag met mijn pa meemocht naar de waterkant. Bij hem bleef ik tot een uur of vijf, tot mijn moeder me ophaalde. Ze bracht dan meestal eten voor mijn pa mee en die viste nog op karper door tot het donker werd. Vanaf mijn zevende kon ik zelfstandig vissen en had ik een eigen visuitrusting. Toen ik twaalf werd, kreeg ik mijn eerste werphengel met een reel en daarmee ving ik mijn allereerste snoek van 68 cm. Natuurlijk ging dat met levend aas en zo'n bekende witgroene gleufdobber. Op mijn zestiende kreeg ik mijn eerste werpmolen, een echte Mitchell. Sinds die tijd vis ik op karper. Ik weet nog goed, dat ik vooral in het begin ontzettend veel karpers heb verspeeld. Op mijn twintigste heb ik me bewust op karper gespecialiseerd. |
|
|
Engeland |
|
|
Evert: In 1972 heb je een reis naar Engeland gemaakt. Waarom? Dick: Ik deed dat op verzoek van Henk Peeters' hengelsport. De bedoeling was om de Engelse markt te verkennen. In Engeland waren ze ons land in technisch opzicht ver vooruit. Daar was zelfs een markt voor karperhengels. Ik zag er prachtige splitcane werphengels, zoals de Mark IV van Scotty. Verder ontdekte ik veel nieuw klein materiaal, zoals steunen en wakers. Ik herinner me ook het eerste glasfiber-schepnet van Hardy.
Evert: In 1973 werd je lid van de Britse karperstudiegroep, de BCSG. Welke herinneringen heb je aan die club en wat heb je er verder mee gedaan? Dick: Bij de BCSG heb ik Rini Groothuis leren kennen. Die was er al lid van. Technisch waren die vissers erg goed. Ze hielden van alles bij in logboeken, maar naar buiten waren ze erg geheimzinnig. Wat me helemaal niet beviel, was hun afstandelijke en elitaire houding. Het begon al als je lid wilde worden, dan moest je je bewijzen voor een echte ballotagecommissie. Het lidmaatschap gaf een bepaalde sociale status, zo'n beetje in de sfeer van 'upstairs, downstairs'. Als BCSG-lid was je iemand van aanzien. Ik had het vlug bekeken en ben maar een korte tijd lid geweest. |
|
|
De KSN |
|
|
Evert: In 1974 heb je de Nederlandse Karperstudiegroep opgericht, de huidige KSN. Met wie deed je dat en wat was het oorspronkelijk doel? Is het woord 'studie' niet te studieachtig geweest, of zelfs wat elitair? Ik merk soms dat het potentiële leden afschrikt, terwijl het tegenwoordig gewoon een gezellige club is. Natuurlijk is het wel van belang dat leden actief zijn. Dick: Laten we beginnen bij de oprichting. Ik nam het initiatief en wilde naar dat Engelse voorbeeld een Nederlandse studiegroep oprichten, maar met een eigen visie. Daarvoor heb ik contact gelegd met Rini Groothuis en Jan B. de Winter. De oprichtingsvergadering was op 1 april 1974 en dat was beslist géén grap. Toevallig bestaat morgen de KSN dus exact 25 jaar! In dat eerste comité zaten verder nog Arie Schoonbergen, Dick van Eyck, Frits Beutinck en tot slot Jan Junge, die er trouwens door Rini was bijgehaald. Over dat woord 'studie' en de doelstelling kan ik het volgende zeggen. Het was niet de bedoeling er een vrijblijvende club van te maken. Er diende inderdaad een soort van drempel te zijn. Het doel van de vereniging was ook duidelijk omschreven. Het ging om de uitwisseling van ervaringen en gegevens. Zo zou je een beter inzicht kunnen krijgen in allerlei materialen en technieken, en daardoor succesvoller op karper kunnen vissen. Ieder lid had wel degelijk een inspanningsverplichting en bij de aanvaarding van zijn lidmaatschap diende hij zich uitdrukkelijk daaraan te conformeren. Op de een of andere manier moest ie actief zijn. |
|
|
Moeilijkheden |
|
|
Evert: In 1975 werd je algemeen bekend op de TV door een documentaire over karpervissen. In 1977 schreef je '200 Karpertips'. Tot 1978 maakte het boekje De Karper, het lijfblad van de KSN. Op een bepaald moment werd het stiller rond jouw persoon, tenminste in relatie tot de KSN. Is er soms wat gebeurd? Ik heb wel eens gehoord, dat er moeilijkheden waren met dat boekje over die tips. Zelf werd ik pas lid in het midden van de jaren tachtig en toen was je al een tijdje uit de picture. Ben je trouwens nog lid? Zou hierover wat kunnen vertellen? Dick: Al vijf jaar na de oprichting, in 1979, heb ik mijn lidmaatschap beëindigd! Daarvoor had ik twee hoofdredenen. Op de eerste plaats was die begintijd uiterst tumultueus. Voortdurend was het een bijna complete staat van oorlog tussen twee kampen. Het ene kamp stond onder aanvoering van Jan B. de Winter. Voor die groep was de wilde of de boerenkarper de enige echte karper, een andere karper bestond in hun ogen niet. Die kweekvissen mankeerden wat en die mormels uitzetten, stond gelijk aan pure faunavervalsing. De voorvechter van het andere kamp was Rini Groothuis die sterk beïnvloed was door de Engelsen. Zij wilden het liefste mooie grote kweekvissen vangen, zoals spiegelkarpers en edelschubkarpers. Beide kampen waren onverzoenlijk. Het was heel erg. Op vergaderingen schold men elkaar soms zo uit, dat het niet mooi meer was. Je moest zelfs oppassen dat je niet in elkaar werd geslagen. Soms dacht ik dat ik me temidden van een stelletje criminelen bevond. Het is de grote verdienste geweest van Ad Goddijn en dat moet je beslist opschrijven Evert, dat hij als tweede voorzitter van de KSN de studiegroep uiteindelijk in een rustig vaarwater heeft geleid. De huidige KSN heeft haar bestaan absoluut aan Ad te danken, anders was die er beslist niet meer geweest. Ad was een bijzonder kundig karpervisser en bezat een charismatische uitstraling. Hij bracht rust in de tent en was erg goed in het compromis. |
|
|
Het veel besproken boekje van Dick. |
|
|
Géén plagiaat.
|
|
|
|
|
|
De tweede reden waarom ik ben vertrokken is de volgende. Er rees namelijk een conflict tussen Rini en mij. Dat kwam zo. Zonder dat we het van elkaar wisten waren we, ik en Rini, alletwee bezig met het schrijven van een karperboek. Op verzoek van Nico de Boer schreef ik '200 Karpertips' en dat werd uitgegeven in 1977. In precies datzelfde jaar kwam ook Rini's eerste boek Karper uit. Wat gebeurde er? Tot mijn verbijstering werd ik ineens beschuldigd van plagiaat! Hoewel, niet rechtstreeks door Rini zelf! Voor die '200 Karpertips' heb ik vooral geput uit dat door mij geschreven scenario voor die TV-documentaire. Vanzelfsprekend voelde ik me erg beledigd en heb toen vlug een punt achter mijn lidmaatschap gezet. Ook Rini verdween trouwens snel van het toneel van de KSN. |
|
|
Pen- en boilievissen |
|
|
Evert: In de jaren tachtig waaide de boilierevolutie van Engeland naar Nederland. Zelf kwam ik voor het eerst met boilies in contact in 1984. Zag je die nieuwe ontwikkelingen aankomen? Hoe veranderden die nieuwe technieken in jouw optie het karpervissen? Dick: Dat principe van die harde bal viel voor mij niet zomaar uit de lucht. Het stond er gewoon aan te komen. In de jaren 1975-1981 had ik een stacaravan in de bekende zwaaikom van het Twentekanaal te Hengelo. Op het kanaal viste ik graag naar de overkant en daarvoor moest ik zo'n 75 meter gooien. Met een zacht aardappeltje was dat niet te doen. Talloze experimenten heb ik gedaan met stevige deegballen, die niet makkelijk van mijn haak vlogen. Als ingrediënten voor mijn mengsels gebruikte ik diverse bixen voor kalveren en biggen, maar aan de beurt kwamen ook de bekende trouvitkorrels voor forellen en zelfs vogelopfokvoer. Wat dat betreft, is dat birdfood van nu dus niks nieuws onder de zon. Van Jan te Velthuis, een zeer succesvolle karpervisser op het Twentekanaal, heb ik veel geleerd. Jaren geleden gebruikte die al vaste ballen van maïsmeel en stroop. Om op die boilies terug te komen, die zijn natuurlijk wel de uitvinding van de eeuw. Beginjaren tachtig experimenteerde ik er veel mee.
Geestdodend Over dat moderne vastloodsysteem wil ik het volgende zeggen. Aan de ene kant is het een perfecte vistechniek, dat zal ik niet ontkennen, maar aan de andere kant vind ik het een groot nadeel, dat het zo geestdodend is. Die manier van vissen komt de creativiteit en de betrokkenheid van de karpervissers niet te goede. Beginnende karpervissers kopen soms de duurste uitrustingen, lezen de beste technieken in boeken en bladen, installeren zich in hun bivak en met een beetje geluk vangen ze, terwijl ze een lekker tukkie doen, direct al hun eerste dertigponder. Dikwijls kunnen ze nog geen dobber uitpeilen, maar als het doel bereikt is, wat dan? Opgebrand kiezen ze vaak voor een andere hobby.
Evert: Dat doet me een beetje denken aan Eric Heiden, de Amerikaan die ineens geobsedeerd raakte door dat rare Nederlandse schaatsen. Hij trainde zich te pletter en won binnen enkele jaren alles wat los en vast zat. Hij werd wereldkampioen en won vijf gouden plakken op de Olympische spelen. Fenomenaal natuurlijk! Hij had zijn heilig doel bereikt en ik meen dat hij alweer stopte op zijn 21ste! Te vlug je doel bereiken lijkt me inderdaad niet goed. Toch denk ik zelf, dat er niets mis mee hoeft te zijn als iemand direct gebruikt maakt van de nieuwste ontwikkelingen. Een voorbeeld. Als een jongeling graag op schaatsen wil en wedstrijden wil gaan doen, kan ik het goed begrijpen, dat ie op den duur ook de modernste klapschaatsen wil hebben. Voor mij hoeft ie het schaatsen ook niet te leren op ouwe Friese doorlopers. Ergens waardeer ik ze wel, die huidige jonge karpervissers die alles voor hun hobby overhebben. Zolang ze zelf plezier hebben en geen onplezierige dingen doen aan de waterkant, heb ik geen problemen met die Wizzkid-karpervissers. Dit even terzijde. |
|
|
Aanpak |
|
|
Evert: Vis je naast de pen ook met de boilie? Hoe vaak vis je en in wat voor wateren? Dick: Penvissen is mijn favoriete manier van karpervissen. Dat doe ik vooral op de twintig vrije dagen die ik heb. Maar statisch achter mijn boiliehengels zitten doe ik ook. Meestal zo'n tien nachten per jaar. Tegenwoordig woon ik in Dronten en vis ik vooral statisch op de kanalen van Flevoland, zoals de Hoge en de Lage Vaart. Verder vis ik op de IJssel en zelfs af en toe op het gigantische IJsselmeer. Als ik statisch vis, voer ik altijd een paar dagen van tevoren. Eerst een dag met geweekte maïs, dan voer ik een dag niet en schakel vervolgens over op boilies. Tenslotte pak ik de nacht van vrijdag op zaterdag. Per keer vang ik op die kanalen 1 tot 7 karpers en het gemiddeld gewicht ligt daar tussen de 14 en 16 pond. Bij lengtes van 80 cm zijn ze ijzersterk. Op het IJsselmeer is het een stuk moeilijker. Hoewel ik daar veel meer voer, moet ik gemiddeld drie keer een nacht vissen voor ik kans maak op een paar karpers. Het zijn dan wel prachtige schubkarpers boven de 20 pond, zeg maar tussen de 23 en 27 pond met formidabele lengtes van 85 tot 90 cm. Een 30-ponder heb ik er nog niet gevangen. Vooral als er een flinke bries staat op de kant, gaat het goed. Alleen ga ik er nooit zitten. We gaan daar altijd met zijn tweeën. Dat heeft puur te maken met de veiligheid. Je hebt daar van die grote gladde basaltkeien. Als alleen bent en je breekt er per ongeluk een been, ben je hulpeloos verlaten. |
|
|
Ijsselmeer |
|
|
Evert: Kun je vertellen hoever je op z'n IJsselmeerdijk uit de kant vist en waarom? Hoe groot denk je dat karpers op dat IJsselmeer kunnen worden? |
|
|
|
|
|
Hier toont Dick de verhouding tussen appel en karperbek.
|
|
|
|
|
|
Dick: Bij al die dijken rondom het IJsselmeer liggen die zware keien op zinkstukken van wilgentakken. Onder water liggen ze nog tot zo'n tien meter uit de kant. Ze zijn helemaal volgegroeid met mosseltjes. Het eind van zo'n zinkstuk is overspoeld met zand en op die voet, die overgang, vis ik altijd. Wel is het zo, dat je daar zoveel scherpe dingen hebt, dat een voorslag absoluut noodzakelijk is. Ik gebruik daarvoor Amnesia. Als de wind op de kant staat en de karpers zijn aanwezig, zie je ze ook steevast rollen en springen. De diepte is ongeveer anderhalve meter. Mijn ervaring is dat de karpers altijd strak langs die keien zwemmen. Die dijken zijn naast enorme voedselbronnen voor de vissen, ook echte zwemroutes. Ik vis er hoofdzakelijk in de maanden augustus tot november, want in het voorjaar bevinden ze zich in de wierbedden.
Evert: Hoe groot kunnen ze volgens jou op het IJsselmeer worden? Dick: Begin tachtig kende ik een kok uit Kampen, die fanatiek met een schuifpen viste bij de pijlers van de Ketelbrug over het Ketelmeer. Ik heb zelf foto's van hem gezien met enorme karpers, die hij had gevangen. Ik herinner me een fantastische spiegelkarper van 49 pond bij een lengte van 105 cm, maar hij had ook een pracht van een schubkarper van 39 pond. Volgens mij zijn de grenzen in Nederland nog niet bereikt en moet een 50-ponder makkelijk haalbaar zijn op het IJsselmeer en de randmeren. Beroepsvissers hebben al gigantische karpers in hun fuiken gehad en die vissen hebben ze ook teruggezet. Dat gebeurde trouwens ook in Friesland. De essentie van het vissen |
|
|
Karperdroom |
|
|
Evert: Tot slot, wat is jouw ultieme karperdroom? Is dat het vangen van een zware vis? Dick: Absoluut niet. Een mooie grote vis vang ik natuurlijk erg graag, maar uiteindelijk vind ik het gewicht niet bepalend. Bij mij gaat het met name om de ambiance waarin ik vis en het materiaal waarmee! Als ik bijvoorbeeld een 18-ponder vang op een 13-voeter met een trekkracht van 1,25 pond en een lijntje van 22/00, dan heb ik met deze combinatie een schitterende belevenis. Een memorabele vangst maakte ik ooit mee toen ik drie kwartier bezig was met een snoek van 126 cm bij 36 pond. Het mooie was dat ik 'm toevallig haakte op een baarsuitrusting. Ik viste namelijk met een licht spinhengeltje, een zogenaamde Luremaster met een Abu Cardinal 33, een lijntje van 22/00 en een tweedelig Rapalaplugje van 7 cm. Die snoek op die combinatie vangen, vond ik geweldig. Maar als ik een keer niets vang, en de meeste vissers hoor je nooit over een visloze dag, sta ik echt niet teleurgesteld mijn visspullen in te pakken. Dan ben ik toch lekker buiten in de natuur geweest. Voor mij is het vissen een totaalgebeuren.
Dick, ik bedank je van harte voor je openhartige medewerking en wens je veel succes met je visserij op snoek en karper! |
|
|
Nico Verheul Jeroen Otterloo
|
|
 |
 |
 |
 |
 |
|
 |