Wanneer slaagt een voerplek

Als je een karper vangt!

Deze gedachte flitst als eerste door ons brein. Bij langer nadenken beseffen we dat het antwoord ingewikkelder is. Stel dat ik in een sessie drie karperbeten krijg, maar niet één vis weet te landen: de eerste karper verspeel ik bijvoorbeeld door lijnbreuk, de tweede doordat ie plotseling van mijn haak afschiet en de derde karper raak ik kwijt, omdat de gewelddadige in een lelieveld vlucht. Minstens drie karpers zwommen er op mijn voerstek, alleen ik ving ze niet. Nuchter geanalyseerd betekent dit tweeërlei. Op de eerste plaats heeft de visser een prima voerplek aangelegd, want hij creëerde drie potentiële karpervangsten. Vervolgens echter heeft die visser die drie kansen niet benut en misschien door eigen falen verprutst. De visser faalde, maar de voerplek slaagde! In dit artikel wil ik bekijken wanneer en waarom een voerplek slaagt of faalt.

Karpers op de stek

Is het niet fantastisch te weten, dat karpers op de voerplek aanwezig zijn als je gaat vissen? Die gedachte van karpers op de voerplek gaf me jarenlang vleugels en de drang niet langer te kunnen wachten. Ik moest en zou zo snel mogelijk naar de visstek toe. Met al dat voeren werk je aan je succes. Wie hoopt niet op wachtende karpers op zijn voerplek? De meeste karpers ving ik binnen de eerste vier visuren en veel minder daarna. Dikwijls hing de eerste karper al na één minuut! Toch bepaalt een snelle aanbeet niet het succes van de voerplek. Die slaagt ook als je na vier of vijf uur wachten vangt. Maar na zeven uur of langer wachten zonder beet geloof ik er niet meer in. Ik ga er dan wel vanuit dat het begin van de vissessie juist gekozen is in relatie tot de mogelijke aasperiodes. Het doel van een voerplek is karpers op de stek te lokken en ze dan te verleiden tot een aanbeet, hoe subtiel ook.

Zo kan een felle tik op de hengeltop en dan niets meer…, een mislukte aanbeet zijn. Of was dat een brasem? Een ander perspectief. Je hebt gevoerd op een stek, waar je elke keer binnen korte tijd een karper vangt. Aan je voorbereiding ligt het niet. Met kloppend hart en vol verwachting zit je op het puntje van je stretcher. Meestal gebeurt het na een uur of twee. Ongeduldig kijk je op je horloge. Plotseling buigt de linker hengeltop, de strak gespannen lijn valt slap, daar gaat ie. Je springt op en slaat aan in het luchtledige! Aan de rig is niets te zien. Teleurgesteld vis je verder, maar zonder resultaat. Is deze voerplek nu geslaagd of niet? Anders geformuleerd: was die felle ruk en dat slapvallen van de lijn een aanbeet of niet? De alerte karpervisser weet het antwoord zelf het beste. Het lijkt me struisvogelpolitiek om tegen beter weten in te zeggen dat het maar een brasem was.

Doorgaan bij een blank?

Het doel van een voerplek is karpers vast te houden of terug te laten komen. Alle investeringen zijn daar op gericht: boilies rollen, stekken zoeken en uitpeilen, met de auto kilometers vreten, elke dag voeren, geavanceerde rigtechnieken gebruiken en honderden, zo geen duizenden uren vissen. Als er dan geen karpers zijn of komen, blijven de aanbeten uit en kan het landingsnet weer droog het foedraal in. Wanneer de voerplek faalt en ik blank, is dit voor mij voldoende reden om te stoppen met die plek. Uit mijn dagboeken blijkt dat als ik toch doorvoerde en viste na een blank de kans statistisch minimaal 50% bedroeg, dat ik opnieuw niets ving. Bij wederom hardnekkig doorvissen na een tweede blank steeg de kans statistisch zelfs tot 100% op weer een fiasco. Dit leerde ik in de praktijk door schade en schande. Het is begrijpelijk terug te willen keren naar een succesvolle stek, maar als de kansen keren is het uit met de pret. Het is veel productiever om met dezelfde moeite en

voorbereiding een andere stek te zoeken met nieuwe wonderschone kansen. Je benadeelt je zeker niet door elke keer na een blank onmiddellijk van stek te veranderen. Integendeel, je verhoogt je kans enorm op het vinden van een nieuwe topstek. Meermalen viel ik zo met mijn neus in de boter, kreeg ik weer volop aanbeten en ving ik prachtige karpers. Op die nieuwe voerplek was ik voorlopig niet weg te slaan, behalve tot het moment dat ik weer blankte. Die maatstaf van blanken of niet voor de beslissing van stoppen of doorgaan, voldeed in de praktijk uitstekend. Voor wie nog steeds twijfelt het volgende. Als je toch doorgaat na een blank vergroot je statistisch de kans op blanken en jaag in feite een reeds bewezen fiasco achterna. Als je uitsluitend doorvist op voerplekken die slagen, vergroot je heel eenvoudig je kansen op succes. Het lijkt me beter om succes op succes te stapelen dan fiasco op fiasco. Geregeld lijkt alsof karpervissers geloven dat als ze maar genoeg visloze uren maken, zij als het ware steeds dichterbij het verlangde succes komen en zij daardoor vanzelf recht krijgen op een weergaloze supervangst. Wie kent niet die spannende verhalen in de karpermagazines die starten met schrijnende tegenslagen, maar die altijd weer hun ontknoping vinden in die alles goedmakende triomf van een karpergigant, die al het voorafgaande onrecht van de kaart afveegt. Net alsof het logisch is dat genoeg fiasco’s garant staan voor succes. Is het niet veeleer zo, dat die topartikelen afkomstig zijn van steeds dezelfde karpervissers die succes op succes boeken? Een dramatisch beschreven fiasco’tje op zijn tijd, natuurlijk gelardeerd tussen de successen door, maakt zo’n successtory ook veel interessanter.

Wat is een blank?

Dat je geen karpers hebt gevangen? Nee! Dat je geen karperbeten hebt gekregen?
Ja! Met een verspeelde karper laad je dus geen blank. Verspelen is een ander probleem en heeft niets te maken met de vraag of een voerplek slaagt of faalt. Hoe zit dat met die losschieters? Dat is niet moeilijk, dat zijn aanbeten van karpers die om wat voor reden dan ook mislukten. Die losschieters komen meestal door slechte rigs. Er waren aanbeten, dus de voerplek slaagde. Wat, als ik de karper niet gevoeld heb aan mijn hengel? Wel of niet voelen van een karper is onbelangrijk. Het gaat erom of die ruk kwam van een karper. De juiste interpretatie hangt helemaal af van de omstandigheden ter plaatse. Een ervaren karpervisser voelt zoiets prima aan. Nog een tegenwerping: als ik brasembeten krijg, zwemt er toch vis op de stek? Ja, maar brasems zijn toch geen karpers en als karpervisser willen we karper! De stelling dat daar waar brasems zwemmen ook karpers kunnen komen, is op zich wel juist, maar als de karperbeten uitblijven heeft mijns inziens de voerplek toch gefaald. Ik durf zelfs te beweren, dat als je snel veel brasembeten krijgt op een goed voorbereide boiliestek, dit een signaal is voor de start van een slechte sessie. Waarom zijn die brasems daar eigenlijk? Je hebt gevoerd met boilies, die ooit uitgevonden zijn om middels hun taaie boiliehuidje die lastige brasems te elimineren. Als boilies lang liggen, krijgen ze de mooie kans gegeten te worden door een rondtrekkende karper die uren later langs komt zwemmen. Duurt dit te lang dan zullen zelfs de hardste boilies inweken en beschikbaar komen voor horden hongerige brasems. En tegen het gezamenlijke schaafwerk van onze vermaarde platte zijn te zachte of ingeweekte boilies nou eenmaal niet bestand. Het voer is weg en de brasem hangt nog na. De visser komt en krijgt brasembeten. Nu het omgekeerde, wat gebeurt er bij succes? Een karper vindt onze boilies en er is geen probleem. Ook al zijn de boilies ingeweekt, de karper heeft het rijk alleen. Hij haast zich van de ene naar de andere lekkere hap en hard of zacht dat maakt niet uit. De aanwezige brasems zijn niet opgewassen tegen onze machtige reus, die alle boilies stuk voor stuk opslurpt. Die brasems zijn de underdog, die karper is koning. Nog een dag voeren versterkt dit boilie-effect nog meer. Het resultaat? Er wacht een karper op de voerplek die dus slaagt en omdat die brasems weinig tot niets hebben kunnen verorberen, zijn die nauwelijks aanwezig op onze voerstek. Waarom zouden ze ook? Die wel doorvoede karper zwemt er natuurlijk wel. Een blank lijkt me dan ook uitgesloten.

Lokt witvis karper aan?

Zolang ik vis op karper, ondertussen alweer zo’n 20 jaar, duikt altijd en overal het denkbeeld op dat witvis op de voerplek karpers zou aantrekken. Duizenden karpervissers geloven er bijna heilig in, het lijkt zo vanzelfsprekend. Op het Internet hield ik daar vorig jaar een enquête over en ruim 60% van de stemmen koos hiervoor. Toch is dit een karperfantasie van de eerste orde waar ik absoluut niets mee kan doen en die mij zelfs belemmert in mijn visserij. Ik kan er geen enkel argument voor verzinnen, maar weet wel talloze praktijkervaringen die ertegen pleiten. Een voorbeeld. Begin jaren tachtig waren boilies in Nederland en België nog onbekend. Een karpervisser die een voerplek aanlegde, moest dat doen met aas als maïs, aardappels, deegballen met kattenvoer of roggebrood met honing. Ik maakte menig voerplek met emmers maïs en tarwe. Ik herinner me in 1984 een hele week dagelijks te hebben gevoerd met een emmer vol met deegballen, die ik thuis had gemaakt van broodmeel en Kittekat. Die ballen geurden fantastisch, de karpers moesten ze wel lekker vinden. Elke voerdag constateerde ik meer bruisplakkaten op de stek, er zwierf ontzettend veel vis, dat kon niet anders. Voor de zekerheid voerde ik zeven dagen. Op de visdag sleepte ik echter de ene na de andere platte uit het water, ongelooflijk gewoon. Honderden brasems kon ik vangen, maar karpers absoluut niet! Zwaar teleurgesteld ervoer ik die brasems als ontzettend lastig. Die plaag vrat al mijn deegballetjes op. De karper kreeg geen kans. Als er eentje langszwom, lag er niets meer. Mijn probleem was niet hoe krijg ik witvis op mijn voerplek, maar hoe jaag ik ze daar weg? Geen haar op mijn hoofd heeft er ooit aan gedacht, dat die lastige brasems wel eens voordelig konden zijn, omdat ze karpers konden lokken! Het barstte van de brasems, maar karpers niet! Met keiharde, honingzoete roggebroodballen lukte mijn voerplek beter. Met die voermanier verschalkte ik eindelijk na vijf dagen voeren een fraaie schubkarper van 17 pond, maar nog steeds met brasems erbij. Hoewel zielsgelukkig verliep het vissen uiterst moeizaam en ik vroeg me af of ik dit lang vol zou kunnen houden.

De boilie-revolutie

Zoals gezegd, geloof ik er niet dat witvis karper lokt. Mijn praktijkgegevens wijzen daar ook totaal niet op. Stel dat deze bewering klopte dan zou het karpervissen stukken makkelijker zijn. Je gooit er wat los voer in, dat lokt brasem en voorn, en succes is verzekerd want die witvis doet de rest. Ik vraag me dan wel af waarom voerplekken altijd zo snel mislukken als er brasem aanwezig is, terwijl je bij weinig of geen witvis nooit problemen hebt. Als de dag van gisteren weet ik dat ik kennis maakte met het boiliewonder. Het gebeurde in het gedenkwaardige najaar van 1984 toen ik zo worstelde met die vervelende brasems. In een hengelsportwinkel hoorde ik het opwindende nieuws. In Engeland hadden doorgewinterde karpervissers iets unieks bedacht, namelijk de mogelijkheid om door middel van hardgekookte deegballetjes witvis te vermijden. Eureka! Ik wist niet wat ik hoorde, fantastisch gewoon. Hoe ze dat deden? Nou, ze mixten diverse melen,

bijvoorbeeld:
broodmeel, vismeel en maïsmeel, gooiden daar vervolgens een aantal geklutste eieren bij en kneedden een grote deegklont. Vervolgens rolde men daar een heleboel knikkertjes van. Die balletjes kookte men in water, waarna die een dag gedroogd werden. In de Engelse taal betekent koken “to boil”, reden waarom men die hardgekookte balletjes boilies noemde. Het hoofddoel van die harde, veerkrachtige boilies was lastige witvis uit te schakelen. Brasems konden ze moeilijk kraken, maar karpers konden dat wel. Dat boilieaas lag er nog steeds als er toevallig uren later een karper langs kwam zwemmen. Mijn praktijkprobleem kreeg ik zomaar uit Engeland een kant en klare oplossing aangereikt. Dat was niet tegen dovemansoren gezegd. Onmiddellijk gaf ik die boilies een kans. Op dezelfde plek als met die zachte deegballen voerde ik een week met zelf gemaakte boilies. Geen bellenplakkaat te zien. Die visdag heb ik het geweten, binnen één minuut had ik al een karper aan mijn haak! Nadat ik die had teruggezet en opnieuw had ingeworpen, hing de volgende karper wederom na één minuut. Ook de derde kwam vlot en zelfs de vierde! Achteraf was dat een onvergetelijke karperdag. Dat totaal onverwachte succes, dat unieke aaswonder, geen enkele lastige brasem, alleen karpers en achter elkaar! Snel ben ik die dag naar huis gegaan en heb dit ongelooflijke verhaal aan een karpervriend verteld. De volgende sessie gingen we samen naar die wonderstek. En weer arriveerde de eerste karper binnen één minuut en ook de tweede, en de derde! De geschiedenis herhaalde zich en ik raakte voorgoed verslingerd aan die prachtige boilievisserij.

Een voerplek maken is een kunst

Een voerplek aanleggen is niet zo makkelijk als het lijkt. Er kan van alles fout gaan, waardoor de voerplek is gedoemd te falen. Ook al heb je een prima karperstek gezocht en dagenlang gevoerd dan nog kan de voerplek mislukken. Ik zet een aantal fouten op een rij. De voerhoeveelheid is verkeerd, er is bijvoorbeeld in de zomer te weinig gevoerd, de karpers krijgen te weinig en zwemmen hongerig verder. Of er is in de winter te veel gevoerd, de karpers krijgen te veel en hoeven verzadigd voorlopig niet meer. Een andere fout is een onjuiste voerconcentratie. Er is over een te groot oppervlak gevoerd, zodat de karpers niet goed weten waar de voerplek is. Het voer ligt overal en nergens. Daardoor komt bij de vissen de gewenste associatie van stek-voedsel niet tot stand en zwemmen ze weg. Nog een fout: de voersamenstelling deugt niet, de voedingswaarde is verkeerd, het eiwitgehalte is te hoog of er ontbreken vezelstoffen. De karpers verteren die boilies slecht en snel zijn ze verdwenen. Die voerkwaliteit is natuurlijk een ander verhaal en daar heb ik niet voor niets een boek over geschreven. In een ander artikel kom ik daar zeker nog op terug. Een niet te onderschatten fout is als de boilies te zacht zijn door een verkeerde deegsamenstelling, of als de deegklont te nat is gemaakt. Zachte boilies zijn weer witvisgevoelig, die trekken brasems aan en weg zijn onze boilies. Onze karpervriend ontdekt een clubje witvis, maar ziet niet ene boilie liggen en hongerig vervolgt hij zijn tocht naar voedsel. De visser komt, vangt brasem en de cirkel is weer rond. Met dit artikel hoop ik enig inzicht te hebben gegeven over de achtergrond van een voerplek en de relatie tussen karper en brasem, en vooral over de zin en de onzin daarvan. Mijn mening lijkt nogal stellig, maar heeft zich gevormd door allerlei successen en fiasco’s gedurende jarenlang karpervissen. Nooit hoorde ik dat karpervissers beter karpers vingen als zij bewust witvis bevorderden op hun voerplek. Integendeel, juist de meest succesvolle vissers in zowel Nederland als België gebruiken op hun voerplekken uitsluitend goede boilies en op geen

enkele manier gaat daar maïs of witvisvoer bij. Ik wens alle vissers veel succes in het nieuwe karperjaar 2003!

Evert Aalten.


Het belang van smaakstoffen
Het belang van smaakstoffen Deel 1