|
|
|
Weersinvloeden |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Een aantal maanden geleden kruiste mijn pad toevallig dat van Jan Eggers. Dat telefoongesprek herinner ik me goed. Onze ontmoeting klikte meteen. Twee kerels, twee doorgewinterde vissers kletsten drie kwartier lang over alles en nog wat, alsof we elkaar al jaren kenden. We hadden 't over visserslatijn, over grote snoeken, over grote karpers en over lieden die de gekste capriolen uithaalden om maar in de belangstelling te komen. Tal van anekdotes schieten je zo'n eerste keer te binnen. We wilden nauwelijks voor elkaar onder doen. We vielen elkaar in de rede, dus dat zat wel snor.
Later ging ik op bezoek in Bovenkarspel. Jan is al jaren de ijverige hoofdredacteur voor Nederland van De Visser en het kon niet uitblijven. Ons gesprek belandde op het schrijven van artikelen. Jan polste mijn belangstelling. Ik moest het natuurlijk zelf weten..., maar als ik er interesse in had, kon ik karperartikelen schrijven voor De Visser. Dat zag ik wel zitten. Nu zit ik achter mijn tekstverwerker want elk begin is moeilijk. De eerste alinea's zijn achter de rug en dus is de kop is eraf. Ik wens alle lezers mooie vissen in het landingsnet en veel leesplezier. |
|
|
De jaargetijden |
|
|
Als visser heb je de minste controle over het wisselende jaargetijde en het wispelturige weer van alledag. Je kunt alles goed doen: aas maken, voeren, een stek zoeken en hele dagen zitten. Je kunt een ongelooflijke uitrusting aanschaffen, de beste molens kopen, hengels honderden meters uitvaren, maar... als de karpers niet bijten wegens de invloed van het weer, dan is elke voorbereiding, hoe goed ook, gedoemd tot falen. Het jaargetijde veranderen kunnen we niet. Het jaarlijkse patroon is duidelijk waar te nemen. De afstand van de zon tot de aarde wijzigt zich al duizenden jaren in een jaarlijks ritme. Ons hele leven weten we dat al. Elk jaar gebeurt het opnieuw en de vier jaartypes glijden voorbij.
Zo komt aan elke koude winter eens een einde, maar aan elke hete zomer ook. Lente en herfst zijn elkaars tegenpolen: het leven begint en het einde nadert. Geboorte en ouderdom. April en mei doen de knoppen groen ontluiken. In september en oktober verkleurt alles flets en bruin. De dagen korten. Triest waaien de bladeren van de bomen. Zelfs een kind weet het: de koude winter komt eraan. Al hebben wij als vissers er geen invloed op, toch is er een duidelijk patroon te ontdekken in de wisseling der jaargetijden en de specifieke invloed die dat heeft op de karper. |
|
|
Tegenstrijdige ervaringen |
|
|
Elke visser doet ervaringen op, er komen er steeds meer in zijn hoofd. Daardoor kan hij toekomstige gebeurtenissen steeds beter inschatten. Vooral van de fouten, de vooroordelen leer je het meeste. Zo ontstaat het vermogen tot voorspellen en dat is goud waard. In de loop der jaren heb ook ik een aantal interessante viservaringen opgedaan, die te maken hebben met het jaargetijde. Lente, herfst en stormen Prachtige voorjaarsdagen bedriegen gemakkelijk het gevoel. Eind maart, half april voelt het zonnetje alweer lekker warm. Bij hoeveel vissers kriebelt niet het bloed? De zomertijd breekt aan, de dagen lengen. De natuur oogt fris en groen en een vergissing is gauw gemaakt. Velen rennen hard naar de waterkant, maar hoe hard men ook zijn best doet, de karpervangsten vallen bitter tegen. Wat is er aan de hand?
Het omgekeerde gebeurt in de herfst. Het weer verslechtert gestaag en de zuidwestelijke stormen teisteren het land. Het wordt kouder, het regent en het waait, toch ervaart de karpervisser dat er met dat weerstype bijzonder goed te vangen is. Het lijkt tegenstrijdig: buiten is het kil en koud, en ik vang goed, terwijl het in de lente lekker aanvoelt en het slecht gaat. Hoe is dat mogelijk? |
|
|
De oplossing |
|
|
Het antwoord ligt bij het water en dan bedoel ik de temperatuur ervan. Aan de invloed van de watertemperatuur zal ik een speciaal artikel wijden, maar ik kan zeggen dat die bepaalt, hoe karpers in het voor- en najaar reageren. Vanuit de winter gezien is het water in het vroege voorjaar nog steeds ijskoud, terwijl het omgekeerde in de herfst het geval is. Het water is in oktober vooral op de diepe plassen warmer dan de buitentemperatuur. De visser trekt weer dikke kleren aan, anders heeft ie het buiten bitterkoud, terwijl het voor de karper best wel meevalt. De vis is nog niet in winterstemming. Het diepe water koelt langzaam af. |
|
|
|
|
|
Slecht weer, goede vangst!
|
|
|
|
|
|
Vanuit de winter gebeurt het omgekeerde. Het koude water warmt traag op. Ondiep water verwarmt vlug, maar de geregelde nachtvorsten helpen niet mee. Het zonnetje moet in het voorjaar hard werken, wil er vaart in komen. Diepe plassen zijn andere koek. Voor het water daar op temperatuur komt en dan bedoel ik op een diepte van 4- 5 meter water, zitten we al in de meimaand. Op grote heldere wateren kan dat zelfs in juni zijn. In het vroege voorjaar reageert het lichaam van de karper op koud diep water gewoon op dezelfde manier als in de winter. De karper is nog sloom, wat goed te merken is tijdens een gevecht. Verder verplaatst hij zich weinig en verblijft lang op specifieke winterplekken. De karper eet op gezette tijden en eet erg weinig.
Mijn ervaring is, dat ongeacht het weerstype, de karpervisser in de lente sowieso rekening dient te houden met dat stereotiepe wintergedrag. Wanneer het opeens herfstachtig stormt en het volgens vele karpervissers een prima weertje is, dan kan er ook in dat koude lentewater uitstekend gevangen worden, maar dat moet dan wél gebeuren met een winterse benadering. |
|
|
Winden |
|
|
Harde, zuidwestelijke winden die al dan niet gepaard gaan met regen, vind ik over het algemeen de mooiste weersomstandigheden. Vooral wanneer die winden blijven aanhouden, is het goed vangen. Stabiliteit in de lucht is altijd gunstig. Daarentegen heb ik met draaiende, wisselende winden niet al te beste ervaringen opgedaan, in welk jaargetijde dan ook. Als ik zou mogen kiezen heb ik het liefste een constante wind uit het zuidwesten, ook al gaat dat samen met nattigheid.
De akeligste wind waait uit het noordoosten. In het najaar wordt het met die wind vlug koud en in de lente blijft het heel lang guur. In de zomer komt dan de grootste hitte en die wind brengt in de winter sneeuw en ijs. Die Noordooster waait door merg en been en die ijzige kou verwens ik. |
|
|
Storm |
|
|
|
|
|
|
|
|
Inpakken en wegwezen, of blijven?
|
|
|
|
|
|
Jaren geleden ging ik naar de Maarsseveense Plassen. Mijn bedoeling was daar twee dagen te voeren en de derde dag te vissen. 't Was half september en de wind nam toe in kracht. Aan de waterkant zag het er niet best uit en de hemel verkleurde van loodgrijs naar gitzwart. Woest gierde de wind door de takken en de bomen op het pad. Ze zwiepten en kraakten. Ik wilde met mijn katapult voeren op een stek zo'n 40 meter uit de oever. Pal tegen de windvlagen in lukte me dat niet. Ik kreeg er geen boilie in. Net zo hard als ik ze erin schoot, vlogen ze terug of zwaaiden reddeloos opzij. Dat had geen zin, jammer. Wat nu? Kromgebogen liep ik terug met een uitgewaaide haardos. Witte schuimkoppen beukten een rietkraagje bij de kant. Daar misschien? Terwijl ik twijfelde, kwam het verrassende antwoord. Een schubkarper lanceerde zich als een raket tegen de rietkraag. Zijn oranje staartlobben glinsterden. De karper zat op de wind! Daar moesten mijn boilies liggen! Met mijn handen wierp ik de hele zak boilies erin. Ik vluchtte en was op tijd in de auto toen een heftige hagelbui losbarstte. Ik besloot morgen te gaan vissen.
Het stormde even hard, maar gelukkig was het droog. Mijn wachttijd op de eerste karper? Vijf minuten! Dat kon natuurlijk ook niet anders, gisteren zat er al een. De tweede kwam na een kwartier; de derde dertig minuten later; de vierde na nog een uur. De hele avond gingen de beten door, gemiddeld om de drie kwartier. Vangen, verspelen, van alles gebeurde. Ik ving grote en kleine karpers. Het leek wel alsof de hele plas langszwom en er zit heus niet zo'n groot karperbestand. Die middag en avond leek het vissen meer op werken voor de kost. Het was echt fantastisch. Om twee uur 's nachts ben ik ermee opgehouden. Met twaalf karpers vond ik het welletjes. Ik was finaal uitgeblust. Dat zijn van die zeldzame dagen dat ze bijten als gekken. Dat soort dagen vergeet je nooit meer. Na het ingooien kon je je hengel bij wijze van spreken gewoon vasthouden. Ze sleurden 'm na korte tijd gewoon je handen uit, zo ruig waren de aanbeten. |
|
|
Herfst 1996 |
|
|
 |
Leo van Opstal Op een zondagavond zat ik lekker te kijken naar de televisie. Buiten stormde en plensde het verschrikkelijk. De zuidwester gierde om de huizen. Ik was blij dat ik niet aan de waterkant zat. Hoewel? Toevallig had ik geen voerplek, anders was ik nog gegaan ook. Zo'n fanaticus ben ik ook wel weer. Ik dacht nog, dit lijkt net zo'n dag als bij die rietkraag. Om een uur of negen, het was al donker, rinkelde de telefoon. Leo van Opstal hing hijgend aan de lijn: 'Evert ik heb zojuist mijn eerste dertigponder gevangen. Ze beten als gekken. Ik had er vijf. Ik ben kletsnat en de karper zit nog in de bewaarzak. Ik had hem een uur geleden. Ik ben nu bij mijn vriendin en zij gaat zo direct de foto's nemen. Ik heb weinig tijd. Je hoort nog van me. Tot ziens.' Leo was een bevriende karpervisser uit Geervliet. Hij viste al jaren op karper en had al een stel 29-ponders gevangen, maar eindelijk was ie er overheen. Hij had 'm! Prachtig. Typisch, wèl in dat hondenweer. |
 |
Mike van Zijl Een paar dagen later werd ik opgebeld door Mike van Zijl. Ook hij was een kennis en woonde in Amsterdam. Mike viste nog niet lang op karper en ook hij had nog nooit een dertiger gevangen. Wat zou hij te vertellen hebben? Exact hetzelfde! Ook hij had afgelopen zondag in die verschrikkelijke storm gevist en toen zijn eerste dertiger gevangen! Toeval? Twee karpervissers zaten dus op dezelfde dag aan de waterkant en visten in beestachtig weer. Ze trotseerden een gierende storm en kletterende regen. De een viste ergens in de Brielse Maas en de ander in het Amsterdam-Rijnkanaal. Een storm raasde over Nederland en beide karpervissers vingen als gekken. Of dat toeval is? Dat kan ik niet geloven. |
 |
Topdagen Misschien waren die dertigers toevallig, want ze moeten er natuurlijk wel zitten, anders vang je ze niet. Hoe graag je ook thuis zit en je wilt verstoppen voor slecht weer, toch beweer ik: 'Ga er opuit!' Op dat soort dagen moet je je aan de waterkant bevinden. Zelf ben ik vaak met een gevoel van tegenzin naar mijn stek gegaan, maar na afloop helemaal doorweekt en vol vreugde weer thuisgekomen. Achteraf was ik blij dat ik toch gegaan was. Ik had iets bijzonders meegemaakt en het gevoel een prestatie te hebben verricht. Met wat geluk maak je op zo'n dag, dat het zo gemakkelijk gaat, in één klap je hele jaar goed. Wie weet zit zelfs de vangst van je leven erbij. Jaren later kun je nog altijd, droog, aan de bar en met een pilsje in de hand, uitvoerig vertellen over die beestachtige dag dat het zo stormde... |
|
|
|
Mist |
|
|
De mist slaat toe.
|
|
|
|
|
|
Je hebt van die stille, sombere dagen in december. Men noemt ze de donkere dagen voor de kerst. Ze zijn kort, er staat geen zuchtje wind en de zon ontbeert de kracht om een hardnekkige mist nog weg te werken. In mijn logboek heb ik het even nagekeken. Zo'n dag was 4 december 1989. De buitentemperatuur was 4° Celsius. Het water was 5,5° Celsius. Wederom had ik een voerplek gemaakt op de Kleine Plas van Maarsseveen. Joop bezat een roeiboot en we hadden een marker neergelegd op ongeveer 60 meter uit de oever. Daar was mijn voerplek. Die marker lag daar al weken. Op 1 december had ik er met pijn en moeite een karpertje gevangen, maar op die bewuste dag had ik geen zin. Het leek me de slechtste combinatie die er was: het was windstil, koud, kil en triest en er stond een zware mist. Dat boezemde me geen enkel vertrouwen in. Ergens las ik, het kan in Carp Fever zijn geweest van Kevin Maddocks, maar in ieder geval schreef een bekende karpervisser dat hij van die ontzettend slechte ervaringen had met dichte mist. Daarom zonk me de moed in de schoenen.
Een probleem Ik had gisteren had ik nog gevoerd. Òf ik voerde nog een dag door, òf ging ik toch vissen. Als zwakkeling koos ik de weg van de minste weerstand en besloot het vissen tot morgen uit te stellen. Voor de zekerheid belde ik Joop. Op de plas gingen we namelijk altijd samen voeren met zijn roeiboot. Dat was het gemakkelijkste bij de marker. Dan konden we heel nauwkeurig voeren en hadden we minder last van krijsende meeuwen en brutaal duikende koeten. Helaas voor mij, maar die mistige decemberdag hadden we afgesproken te gaan vissen. Joop vond het maar niks dat ik niet wilde: 'Evert je moet toch de plas op om te voeren. Wat maakt het uit of er mist staat. Weet je wat, we vissen een paar uur en pakken vlug in als het niets is. Neem in ieder geval je spullen mee!' Ik liet me overhalen door Joop en gooide mijn visspullen in de boot. Het was ijskoud op het water. De mist was heviger dan ik had gedacht.
Potdicht De film 'The Fog' was er niets bij. Voeren of vissen, wat zou ik doen? In een natte, witte wolk roeiden we naar mijn stek. Ik kon geen vijftien meter kijken. Ergens moest mijn marker liggen. Het zoeken was al een klus op zich. Uit de boot hebben we een stuk of 30 boilies uitgespreid, daarna vaarden we naar de kant. Vier uur zouden we ertegenaan gaan. Twee hengels heb ik klaargemaakt en Joop heeft ze daarna een voor een uitgevaren en met een tussenruimte van een meter of vijf gedropt. Op de kant zag ik alleen maar mist. Joops stem hoorde ik in de verte, hij vertelde wat ie deed. Zo kwamen mijn rigs op de goede plaats. Na de tweede dropping verdween hij met petsende roeigeluiden naar de overkant. Zonder hoop ben ik toen gaan wachten. Een tijdlang gebeurde er niets. Gelukkig kwamen Cor en Fred langs, een paar kennissen. Kletsen versneld de tijd. Ergens in die mistige muur lag ik |
|
|
|
|
|
Weer of geen weer! Altijd een topstek!
|
|
|
|
|
|
Tot mijn grote verrassing ving ik na een uur een schubkarper van 12 pond. Ik had er één in de mist! Op de gok, een mikpunt had ik niet, heb ik toen die hengel een eind in die vreemde, mistige wereld geworpen. Hopelijk in de buurt van de marker. Die andere hengel lag nog goed. Opnieuw een uur later ging ook die af! Weer eentje van 12 pond. Niet te geloven, al twee! Ook die hengel heb ik wederom op goed geluk in de kille duisternis gesmeten. Uitsluitend door te tellen kon ik min of meer bepalen op welk diepte ik vermoedelijk lag. Ik telde namelijk het aantal seconden voordat het duurde dat mijn lood de bodem raakte. Meer dan acht tellen mocht het niet zijn, dan lag ik te diep en niet minder dan zes, dan lag ik te ondiep.
Terwijl we stonden te kletsen hoorden we plonsen op de plas. Het geluid kwam uit de richting van de marker. Zou dat karper zijn? We stonden midden in de mist en je kon geen hand voor je ogen zien. Het water was spiegelglad. Toch streken er golfjes naar de kant. Daar ging mijn linkerhengel. Zo te voelen een beste. Wat een machtig gevoel om karpers in deze twijfelachtige weersomstandigheden te mogen vangen. Ook mijn andere beetverklikker begon schokkerig te piepen. De karper had toch niet de andere lijn geschept? Volgens Fred had ik er nog een aan! Ik bleek ik er twee tegelijk aan te hebben! Na veel vlechtwerk heb ik beide karpers heelhuids in mijn landingsnet geloodst. In een werkelijk potdichte mist ving ik tegelijk een 22- en een 16-ponder en toen had ik al twee!
Inmiddels was Joop terug. Hij had er een van 15 pond. Ook ik ben er maar mee opgehouden. Terwijl we inpakten, hoorden we de karpers springen. Bij mist niet gaan? Als men beweert, dat ze met mist niet zouden bijten, moet ik altijd denken aan die mysterieuze, mistige dag, dat ik er totaal geen vertrouwen in had. Ik ving er toen 4 in 4 uur tijd! |
|
|
Solunaire tabellen |
|
|
Ongeveer net zoiets heb ik met solunaire tabellen. Ik kan daar gewoon niets mee. Ik ga wanneer ik zin heb en laat me niet leiden door zo'n tabel. Jaren geleden heb ik mijn vangsten wel eens vergeleken met de voorspellingen van die tabel. Werkelijk nooit klopte het of kwam er iets uit, terwijl ik toch vaak genoeg onder gelijke omstandigheden viste. Ik zat op dezelfde stek, voerde elke dag met hetzelfde aas en dat wekenlang achter elkaar. Constanter vissen kan bijna niet. Wanneer de tabel beweerde dat het niet zo best zou gaan, ving ik redelijk tot goed, maar ook het omgekeerde gebeurde. Als het goed zou moeten gaan, ving ik juist weer slecht. Als karpervisser kun je het beste niet door dergelijke suggesties laten leiden. Als je dat wel doet, kost je dat gegarandeerd meer vis dan het oplevert. |
|
|
Volle maan |
|
|
Een prachtige volle maan.
|
|
|
|
|
|
Het verband tussen de maanstand en of karpers goed of slecht bijten, heb ik nooit kunnen merken. Er zal best wel iets van waar zijn, maar nogmaals, ik kan er niets mee. Met volle maan heb ik wel ervaring. Hoeveel karpervissers heb ik niet horen zeggen: 'Het is slecht vangen met volle maan.' Zelf heb ik juist uitstekende ervaringen met volle maan. Ik vind het zelfs de prachtigste nachten die er zijn. Als er een heldere hemel is, flonkeren de sterren en heb je echt geen zaklantaarn nodig. Overal zie je de grillige schaduwen van de bomen en de struiken. Ingooien en voeren gaat gemakkelijk. Je ziet alles. Het drillen gaat voortreffelijk. Het is alsof er een gigantische lamp staat aan de zwarte hemel .
Natuurlijk zijn er wel slechte dagen met volle maan, maar die kan ik me niet zo gauw herinneren. Wel weet ik van die keer dat ik met volle maan in een riviertje eens 9 aanbeten kreeg. Het waren weliswaar geen grote karpers, want de zwaarste woog 18 pond, maar de sport was er niet minder om. Als het even kan, popel ik te gaan met volle maan. Ik zeg: 'Laat niemand zich weerhouden door hevige storm, dichte mist of volle maan. Je zult nooit weten wat je mist, als je verstek laat gaan!' Ik leerde: 'Ga altijd vissen, ook als je geen vertrouwen hebt.' |
|
|
Overpeinzingen Mijn eerste Karperavontuur
|
|
 |
 |
 |
 |
 |
|
 |