Kleine dingen

Waarom?

Onze enthousiaste hoofdredacteur Jan Eggers bracht me op het idee een artikel te wijden aan 'de kleine dingetjes' bij het karpervissen, die o zo belangrijk kunnen zijn. Talloze zaken zien we snel over de kop, maar hebben vaak een grote invloed op de vraag: "Vang je die karper wel of niet?" Spontaan schiet me te binnen.

Waarom gebruik ik minstens 10 wikkelingen voor een haakknoop?

Waarom gebruik ik het liefst een stugge onderlijn?

Waarom stel ik mijn slip af op de omstandigheden en nooit op de trekkracht van de lijn?



Informatie

Vismaat Gerard Smit met een prachtige 33-ponder.

Al jaren is bij karpervissers de rig, naast de stek en het aas, het belangrijkste item in hun visserij. Over het 'hoe en waarom' van allerlei montages zijn boeken volgeschreven en nog steeds verschijnen hierover talloze artikelen in de karpermagazines. Zelf lees ik alles op dit gebied. Ook ik ben nog altijd lerende en praat graag over dit soort dingen aan de waterkant. Voortdurend hou ik me op de hoogte te houden van de recente ontwikkelingen. Als ik het idee heb dat er iets goeds bijzit, test ik dat uit in de praktijk, vaak in overleg met vrienden.

Hoewel er tegenwoordig veel nieuwigheden uitkomen, zoveel dat je door de bomen het bos niet ziet, komen steevast de goede dingen bovendrijven. Het mediageweld stort zoveel informatie over ons uit, dat het nauwelijks zin heeft om zelf te trachten het wiel nog uit te vinden. Denk maar eens aan het Internet. Verder spreek ik met veel ervaren karpervissers en dan hoorde je nog wel eens wat. Kortom, uit deze gigantische berg informatie probeer ik de beste dingetjes te vissen en die met elkaar te combineren. Maar pas de harde praktijk geeft het antwoord of iets werkt of niet. Misschien is dit een wat lange inleiding, maar ik wil duidelijk maken dat ik niet beweer zelf iets te hebben uitgevonden. Eigenlijk leren we allemaal van elkaar en staan we allemaal op elkaars schouders, wat betreft kennis en informatieoverdracht.

De haakknoop

Line aligner De karpervissers zijn het er nu wel over eens dat een goed 'kanteleffect' van de haak een besliste noodzaak is om consequent karpers te kunnen haken. Jim Gibbinson ontdekte als hulpmiddel voor dat kantelen de zogenaamde 'line-aligner'. Ik wil hier niet te diep op ingaan, maar hij verlengde kunstmatig de lengte van de haak door over het oog en de steel van de haak een stukje siliconenkous te schuiven. De onderlijn ging daardoor heen waarbij de hair er aan de onderkant uitkwam en aan de bovenkant de lijn door de slang zelf ging, iets voorbij het oog van de haak, dus aan de kant van de punt van de haak. Hoe goed dat ding ook werkt, zelf vind ik het nog steeds een uiterst lastig gedoe om een prima 'line-aligner' te maken. Zeker als ik in het donker zit te vissen. Ik gebruik een andere, meer gemakkelijke haakknoop die datzelfde 'kanteleffect' bevordert.

Knotless knot Oorspronkelijk gebruikte ik daarvoor een gewone bledjesknoop en zorgde ervoor dat de doorlopende hair aan de binnenkant liep van de haak; trouwens een idee van Theo de Kraay. Een tijdlang ging dat goed, maar dikwijls kwamen die vervelende losschieters toch terug. Ondertussen kende ik zoveel knopen, maar welke moest ik in hemelsnaam gebruiken? Toevallig kreeg ik de stoot in de juiste richting door bevriende Engelse karpervissers die regelmatig kwamen vissen op de Nieuwkoopse Plassen. Losschieters? Daar hadden ze nauwelijks last van. Volgens hen moest ik de 'knotless knot' of in Nederlands gezegd de 'knoop-zonder-knoop', maar eens gebruiken. Ze gebruikten hem zelf met prima resultaat. Die knoop was makkelijk en snel te leggen en ondersteunde sterk het gewenste 'kanteleffect'!



Avondenlang heb ik bij Steve Troth aan de waterkant gezeten. Niet alleen wegens zijn aanstekelijke humor en het samen drinken van 'pipes of beer', ook zijn viskunst vond ik een lust voor het oog! Vanaf dat moment testte ik aan de waterkant die knoop. Direct de eerste nacht die ik toen viste, kreeg ik 8 aanbeten en landde ze alle acht! Zoiets was ik niet gewend, meestal schoot er eentje af. Wat een weelde! Hoewel het geen grote karpers waren, de grootste twee haalden amper de 20 pond, was mijn vreugde en visplezier er niet minder om. 
  Steve Troth met een gestroomde schubkarper. 


Het gekke was, dat ik opeens dat wondermiddel, die knotless knot, overal zag opduiken, terwijl ik 'm vóór die Engelsen ook wel eens gelezen had, maar er geen oog voor had gehad. Blijkbaar moet iemand je eerst ergens op wijzen, voor je het belang van iets beseft. Zo ontdekte ik bijvoorbeeld dat die knoop ook uitgebreid beschreven stond in de catalogussen van Ultimate en Starbaits.

De kleine nuance

In Dé Karperwereld nr. 4 wijdde de Duitser Marcus Ruoff er een uitstekend artikel aan. Jammer genoeg was Marcus op één punt in zijn artikel niet duidelijk, namelijk over het belang van het aantal wikkelingen van de knoop! Hij noemt 6 tot 7 wikkelingen, terwijl Steve Troth, mijn Engelse toeverlaat, er minimaal 10 gebruikte! Hoe zat dat nou? Spraken ze elkaar tegen of hadden ze beiden een goede reden? Welnu, pas hier beland ik bij de o zo belangrijke nuance, die zo gemakkelijk over het hoofd wordt gezien en die beslissend is bij het al dan niet haken van een karper!

De knotless knot

Neem een los stuk onderlijn en knoop daar een lusje aan.

Bevestig daarop op een normale manier een boilie.

Het lange eind brengen we via de achterkant door het oog en trekken die er zover doorheen, dat de bovenkant van de boilie 0,5 cm komt te hanen onder de onderkant van de haak

Die afstand haak - boilie houden we goed vast. Nu wikkelen we het lange eind netjes naast elkaar naar beneden, tot de laatste wikkeling ligt tegenover de punt van de haak!

Het aantal wikkelingen hangt af van de dikte van de onderlijn en de grootte van de haak.

Daarna steken we het losse eind weer terug door het oog van de haak en opnieuw vanaf de achterkant!

De wikkelingen strak tegen elkaar aantrekken. Is het bundeltje teveel in elkaar geschoven, dan kunnen we er altijd nog wikkelingen bijleggen. Eventueel fixeren met secondelijm




circa 1-1.5 cm omwikkelen

Twee voordelen

Voordeel: op deze manier is de hair direct op de juiste lengte! Het maakt nu namelijk niet meer uit of we een 25 mm boilie hebben gepakt of een 14 mm boilie. Vanzelf is nu de hair op de correcte lengte.

Waarom wikkelen tot de punt van de haak? Het antwoord: om zo de hair langs de steel van de haak te leiden, waardoor, net als bij een line-aligner, het kantelen van de haak bevordert wordt.



Hierbij spookten de woorden van Mark Schuringa s in mijn hoofd, die mij ooit vertelde, dat hij het einde, dus de onderkant van zijn line-aligner, op de steel altijd stelde tussen de haakpunt en de onderkant van de weerhaak! Oók de Engelsen gingen minimaal altijd tot de haakpunt.

Marcus Ruoff

Welnu, Marcus gebruikte weliswaar slechts 6 tot 7 wikkelingen, maar hij vertelde ook nog terloops dat hij achteraf nog wel een klein stukje siliconenslang (via de haakpunt) over de steel van de haak schoof! Aan de foto's zag ik duidelijk dat Marcus dat dingetje precies plaatste tegenover het weerhaakgedeelte. Bingo! Dus op precies dezelfde plek als het einde van de line-aligner van Mark Schuringa! Jammer genoeg vermeldde Marcus niet het enorme belang van dat stukje silicone en de noodzakelijkheid daarvan bij het gebruik van 6 of 7 wikkelingen. Zonder dat stukje siliconenslang verdwijnt het beoogde kanteleffect totaal en is de door Marcus gepropageerde knoop van nul en generlei waarde! Als ik de zaken nog eens op een rijtje zet, gebruiken we òf Marcus' methode van 6 of 7 wikkelingen, maar dan wel mèt een stukje siliconenslang, òf een heleboel wikkelingen tot minimaal de haakpunt! De reden dat ik zo diep op dit onderwerp inga, is dat voor je het weet misverstanden ontstaan.

Misverstand

Zo ontmoette ik enkele maanden geleden aan de waterkant diep bedroefde karpervissers die last hadden van losschieters. Ze verzilverden slechts 50% van hun aanbeten! Vanzelfsprekend was mijn welgemeend advies: 'Probeer de knotless knot.' Wat bleek? Dat hadden ze al gedaan! Maar ook daarmee raakten ze de helft van hun vissen kwijt! Ik snapte er niets van en vroeg wat ze dan precies hadden gedaan. Ze hadden dat artikel van Marcus in Dé Karperwereld nr. 4 uitgebreid gelezen en een poging gewaagd, maar ook zijn systeem lukte bij hen niet. Wat ze precies gedaan hadden? Gewoon, 7 wikkelingen gebruikt. Onmiddellijk rook ik onraad en vroeg: 'Toch wel met een stukje siliconenslang erbij?' Verbijsterd keken zij mij aan alsof ze het in Keulen hoorden donderen. Ze konden zich eigenlijk niet eens herinneren, dat Marcus daar iets belangrijks over had gezegd. Was dat noodzakelijk? Hun fout was duidelijk. Het is ook erg moeilijk om een technisch artikel te begrijpen als je geen voorkennis bezit. Gelukkig wist ik al wat van Mark Schuringa over de juiste plaats van zijn line-aligner. Maar mijn gesprekken met Steve Troth en vooral zijn tastbare demonstraties aan de waterkant leerden mij de kneepjes van het 'hoe en waarom' van de knotless knot!

Stugge onderlijn

Gevangen met een stugge onderlijn op zwaar gedresseerd water.

De laatste tijd gebruik ik het liefst stugge onderlijnen samen met de knotless knot. Ik heb vaak ervaren dat als de hair te lang was, of de onderlijn erg soepel, het geregeld gebeurde dat ik een losschieter kreeg. Als ik de boel naar binnen draaide, merkte ik dat de haak wonderbaarlijk ondersteboven was gekanteld of dat de punt van de haak in de boilie was geprikt.

Op de bodem lag mijn rig gewoon niet goed toen ik een aanbeet kreeg! Wat de oorzaak van zoiets vervelends is, weet ik niet, maar de oorzaak was misschien stroming of lastige witvis. Hoewel ik er wel degelijk van overtuigd was dat de door mij gebruikte rig prima was, kon ik er helaas niet op vertrouwen dat de presentatie op de bodem ook correct was. Dat de hoofdreden dat ik tegenwoordig dikke en stugge onderlijnen gebruik. Daarom gebruik ik rustig materiaal dat eigenlijk is bedoeld voor een voorslag. Verder probeer ik de losse hair, het stukje van knoop tot boilie, zo kort mogelijk te houden. Ik gebruik liever één dan anderhalve centimeter, maar in de praktijk ligt die afstand hier meestal tussenin en tot nu toe werkt dat prima, ook al heb ik af en toe toch het kriebelige gevoel dat de hair best wat langer zou kunnen zijn. Dat ik door die stugge onderlijnen in combinatie met die korte hair minder aanbeten heb gekregen, heb ik niet kunnen merken.

De slipafstelling

Nog zo'n klein dingetje, maar nu een waar karpervissers zelden over praten. De klassieke leer is dat we de slip zouden moeten afstellen op de trekkracht van de lijn in combinatie met de curve van de hengel. Ik herinner me ooit foto's te hebben gezien in een oud visboek, waar iemand in een weiland stond met een kromme hengel en zijn slip regelde terwijl zijn haak was vastgezet aan een hek! De hengel stond inderdaad in een mooie parabolische curve. Toch wil ik hier enkele kanttekeningen bij plaatsen. Zelf heb ik op mijn molenspoelen altijd een behoorlijk stevige lijn, bijvoorbeeld die elastische, groen fluorescerende lijn van Berkley. Standaard gebruik ik 38-40/00 en die heeft echt een enorme trekkracht. De afstelling van mijn slip heb ik nooit in enige relatie staan tot die trekkracht, immers de kans om je hengel te breken is niet denkbeeldig. Die geweldige kracht beschouw ik als een buffer, als back-up. Ik heb dan iets achter de hand en als de nood aan de man komt en die dikke lijn langs obstakels schuurt, hou ik bij een gerafelde lijn hopelijk wat over.

Supersterk: Maar in de buurt van obstakels als dukdalven, takken, riet en lelies is het beter een schuurvaste voorslag te gebruiken. Mijn slip staat bij zulke omstandigheden zwaar afgesteld, maar nog steeds niet op de werkelijke trekkracht van de lijn. Wie heeft nooit ervaren, dat als je haak ergens aan vastzit en je die met geen mogelijkheid kunt loskrijgen, hoe moeilijk het is om lijnbreuk te forceren door keihard te trekken? Je trok eerder je hengel aan gort of je molen aan gruzelementen. Zelfs bij de zwaarst afgestelde slip was ik gedwongen de spoel met mijn hand vast te houden en de hengel in het verlengde te richten van de vastzittende lijn. Vervolgens liep ik dan voetje voor voetje naar achteren en meestal brak dan de hoofdlijn met een ijzingwekkende, scherpe knal.

Open water

Op vrij water zet ik de slip gewoon soepel, maar zo dat ik voor mijn gevoel een behoorlijke controle heb op de karper. De gezamenlijke souplesse van lijn, hengel en slip moeten het doen en die voldoen prima. Met zo'n licht afgestelde slip heb ik meermalen ervaren, dat een karper echt niet veel lijn van de spoel neemt en twintig meter was al heel wat. Vaak genoeg dacht ik tijdens een dril mee: 'Verrek, gaat die karper nou nog niet door die slip, hij staat toch niet te vast?' Als ik 'm dan nog een kwart slag losser stelde, nam de vis nog maar nauwelijks een metertje. Overdreven lange driltijden zie ik niet zitten. Altijd probeer ik een karper zo vlug mogelijk in mijn net te krijgen, tenminste voor zover de omstandigheden dat toelaten. Dit betekent zeker niet dat ik een karper hardhandig naar me toe zou takelen, integendeel. Soms hoorde ik toekijkende karpervissers zeggen: 'Wat deed je daar lang over!', terwijl het op de klok amper vijf minuten duurde. Beleid en rustig de tijd nemen, doen een karper eerder zonder problemen in het net belanden dan met grof geweld. De dril is in de praktijk dikwijls een 'gelijkwaardig' gevecht tussen man en vis. Gewoon omdat er nog zoveel dingen fout kunnen gaan!

Een kans geven?

Het gaat er niet om de vis zogenaamd een kans te geven door bij voorbaat expres met een dunne en dus zwakke lijn te vissen. Daarvoor is met de moderne boiliemethoden geen enkele geldige reden. Als een karper een fout begaat en hij zwemt gemakkelijk van een obstakel weg of hij koerst uit eigen beweging direct onder de hengeltop, dan laat ik 'm heus niet zomaar weggaan. Zoiets beschouw ik als een vlotte overwinning. Meestal gaat het niet zo. Hoe vaak dient een karpervisser niet vliegensvlug zijn vernuft aan te spreken als een karper iets toaal onverwachts doet? Tot slot wil ik nog wat vertellen over de invloed van de Amsterdamse leerschool die jarenlang propageerde: 'dunne lijnen, lange drils, geef de vis een kans!' Dit punt kwam toevallig aan de orde in mijn gesprekken met Theo Vork, de man die 40 jaar de hulp was op karpergelegenheid Het Plashuis in het dorpje Noorden bij Nieuwkoop.

Theo Vork:
'Evert', zei Theo, 'Ik ergerde me kapot aan al die karpers die al die (eendags)vissers verspeelden. De beste plekken waren bij de lelieveldjes, het riet en pal tegen de takken bij overhangende oevers. Als visser moet dan al veel ervaring hebben, maar met zo'n dunne lijn met weinig kracht was er geen beginnen aan. D'r moeten heel wat karpers hebben rond gezwommen met in hun bek een haak en een stuk tuig. Blij waren die vissers natuurlijk ook niet. Zij konden er natuurlijk niets aan doen, want ze wisten niet beter. Ze visten ook met het materiaal van Het Plashuis. Opvallend was de ommekeer toen ik als proef stiekem 30/00 op de molens spoelde. Die dikke lijn brak toen niet zo gemakkelijk meer. Onmiddellijk werd dat verspelen minder en heel wat karpers kwamen er op de kant en de gastvissers hadden groot plezier. Het succes was opmerkelijk. Toen mijn baas vroeg naar die goede vangsten, onthulde ik mijn geheim. Verbaasd gaf hij me groot gelijk. Iedereen was tevreden en de karpers hadden gelukkig minder last.' Bij deze door de wol geverfde karpercrack sluit ik me volledig aan. Ik wens iedereen veel succes en prettige feestdagen.


Het Paaifeest
Overpeinzingen