|
|
|
Het Paaifeest |
|
|
|
|
|
|
|
|
Bakstenen? |
|
|
|
|
|
|
|
|
Het kanaaltje was omzoomd met manshoog riet. Nieuwsgierig gleed mijn blik over het water. Op de houten voetgangersbrug kon ik mooi naar beneden kijken. Het water was kraakhelder. Verrast zag ik een felverlicht langgerekt aquarium. De bodem was geheel bedekt met een heuvelachtige plantenzee van verse sla, zo ver het oog reikte. Losse lelies schakeerden donkere vlekken op de groene kroppen. In de dalen schemerde 't bruin. Vissen met helrode vinnetjes scharrelden tussen het krullend blad als tropische vissen door het anemoon. Waar zouden ze zitten? Plotseling plonste er een baksteen in het water, dertig meter verderop. Karper! Het water golfde. Twee V-en koersten naar de oeverzone. Bij het riet volgde de botsing. Water spatte alle kanten uit. Een oranje vissestaart ratelde. In een flits was 't gebeurd. Alleen de cirkelvormige golven verrieden de plek. Met mijn camera snelde ik ernaartoe. |
|
|
|
|
|
|
|
|
De ster |
|
|
|
|
|
|
|
|
Voetje voor voetje schuifelde ik naar beneden en duwde een paar rietstengels opzij. Ineens zag ik 'm. Geruisloos gleed een dikbuikige spiegelkarper dichterbij. Zijn staart bewoog amper. Het kostte 'm geen moeite om vooruit te komen. Op zijn flank flonkerde een grote schub. Duidelijk bewogen de lichtbruine lippen. Hij waaierde met zijn borstvinnen en remde af, of was 't een zij? Drie ranke schubkarpers naderden van dezelfde kant, strak bij elkaar. De mannetjes. Nerveus..., vlakvoor mijn voeten schoven er nog twee bij. Ze hijgden als waren ze in ademnood. De dikke werd omsingeld. Een innige kring veranderde van vorm en werd een levende ster met de zes koppen als het magische middelpunt. Vlug schoot ik foto'. Traag draaide de ster omhoog, werd kleiner en veranderde tot een bundel vissenlijven, als palingen op de toonbank. Half in, half uit het water gleed, nee.., nam de groep een aanloop. Steeds sneller ging het, niet één karper wilde het missen, tot de ontlading volgde in een klaterende waterpartij waarin al die lichamen over elkaar buitelden. De zwaartekracht trok hen onmiddellijk het water in, daar waaierden ze uit. Op weg naar de volgende uitbarsting. |
|
|
Actiefoto's |
|
|
|
|
|
|
|
|
Schuw of niet, ik probeerde zo dicht mogelijk te benaderen. Constant sluipen en schuilen tussen het riet, dan rennen, bukken en wat al niet meer, anders schrokken ze of was ik weer te laat. Makkelijke foto's kreeg ik niet. Steeds was er iets vervelends: een schaduw van een boom, een toevallig colablikje, een wolk pluisjes of een verdwaald karretje van de supermarkt dat op de bodem de sfeer verpeste. Er zwommen zoveel karpers. Ik zag er zoveel, welke zou ik pakken? Die twee daar aan de kant of dat stelletje bij dat blad? Een groepje leek me nog het mooiste, vooral als ze met hun staarten ratelden en water spatte. Ze zwommen overal, zenuwachtig, zoekend en kijkend naar elkaar, soms twee aan twee. Ik nam een paartje op de korrel, maar voor ik een fatsoenlijke kans kreeg, verdween het plotseling in een plantenbed aan de overkant.
Een andere keer had ik mijn camera ingesteld en ze net in beeld gebracht of ze zakten en kwam onverwachts de klap enkele meters verder. Buiten beeld. Bijzwenken, kijken en weer zag ik alleen maar kolkend water, maar karpers, homaar, die waren alweer weg. Opnieuw een klap, nu links, wel vijf bij elkaar! Snel erheen. Opnieuw arriveerde ik te laat en golfde er alleen nog water. Ik werd er moedeloos van. Daar was alweer hetzelfde clubje, treiterend in aantocht. De beste foto's nam ik nog als ik tegelijk met mijn ene oog naast de camera de boel observeerde en met mijn andere oog het beeld door de zoeker aftaste. Ook probeerde ik vóór de karpers te mikken, in de vermoedelijke zwemrichting. |
|
|
Wanneer paaien? |
|
|
Voor karpers is ideaal: warmte, ondiepte en waterplanten. Het water dient lekker warm te zijn. Ideaal is water van 17° en 20° Celsius. In Nederland komen deze temperaturen aan de orde in de late lente of de vroege zomer. Verder dienen er voldoende ondiepe plaatsen te zijn. Karpers paaien graag op weinig water en prefereren 30 tot 60 cm water. Als daar ook nog waterplanten groeien, ontdekken we ongetwijfeld een perfecte paaiplaats. Helder en zuurstofrijk water is ook een vereiste, maar als het echt niet anders kan, gebeurt het toch. Ik zag het paaifeest gewoon doordenderen op plekken waar het water zo troebel was, dat je er nauwelijks een vingerlengte kijken kon. |
|
|
Kuit en hom |
|
|
|
|
|
|
|
|
Karpers zijn eierleggende vissen en zetten duizenden eitjes af. De eitjes zijn ongeveer één mm klein en voelen zacht aan. Ze zijn iets doorzichtig, gelei-achtig en tonen licht oranje. Over de vraag 'Hoeveel eitjes een vrouwtjeskarper draagt?', lopen de schattingen uiteen. Waarschijnlijk ligt dat ergens tussen de 50.000 en 100.000 stuks, per pond karpergewicht! Als de mannetjes de eitjes hartstochtelijk bevruchten, doen ze dat met een dun melkachtig vocht, de hom. De afgeslagen eitjes zinken en zwellen op tot bijna het dubbele. Ze hechten zich vast aan de stengels en bladeren van de aanwezige waterplanten. |
|
|
Uit de eitjes |
|
|
Hoelang het duurt dat de eitjes uitkomen, hangt af van de watertemperatuur. Als het water warm is, gaat het vlug, maar als het water minder warm is, gaat het een heel stuk langzamer. Biologen gaan ervan uit, dat willen de eitjes uitkomen er in totaal tenminste 100° Celsius voor nodig is 'in zoveel dagdelen'. Een voorbeeld: stel het water is 20° Celsius, dan duurt het uitkomen van de eitjes ongeveer 5 dagen. Dus 100 gedeeld door 20. Gemiddeld duurt het een dag of vijf. Drie dagen is erg snel, maar langzaam is acht dagen. Het prille begin Uit de eitjes komen larven. Eigenlijk zijn het hele kleine embryo's, want visjes kun je ze vrijwel niet noemen. De jong geborenen zitten allemaal vast aan een dooierzak en zwemmen is er nog niet bij. De dooiermassa is het eerste voedsel. In dit stadium zijn de larven passief, maar dit prille begin gaat snel voorbij. Die voedselvoorraad slinkt ontzettend vlug. Na drie dagen raken de beestjes los en stijgen ze naar de wateroppervlakte. De zwemblaas vult zich daar voor de eerste keer met lucht. Pas dan zien we hele kleine visjes. |
|
|
|
|
|
|
|
|
Het voedsel |
|
|
|
|
|
|
|
|
Zodra de kleintjes zwemmen, zoeken ze naar kleine schaaldiertjes (crustaceeën), microscopische algen en raderdiertje. Als ze groter worden, komen daar ook watervlooien bij (zoöplankton). In deze fase groeien de visjes bijzonder snel. Als ze twee cm zijn, beginnen ze ook voedsel van de bodem op te nemen. Iets groter geven ze meer de voorkeur aan allerlei diertjes. Muggenlarven vinden ze dan een ware delicatesse. Later belanden op het hoofdmenu slakken, mosselen, wormen en kreeftachtigen. Waterplanten eten karpers vrijwel niet. |
|
|
Struggle for life |
|
|
De natuur is hard en alleen de sterkste zal overleven. De hele dag zijn de visjes bezig. Ze zoeken constant naar voedsel en moeten vooral zorgen niet zelf te eindigen als een smakelijke hap. Voor alle dieren in de natuur geldt: "Eten of gegeten worden". Zeker in de paaitijd ligt het gevaar overal op de loer. Alle roofvissen schransen er nu vernietigend op los. De snoek, de baars, de snoekbaars en de paling, allemaal eten hun buikje rond, ook al zijn ze iets groter is dan die kleine visjes. Zelfs grotere karpers zijn er niet vies van. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Ach... het is zo gemakkelijk die overvloed aan eten. Het eetfestijn versterkt zich doordat de visjes zich argeloos verspreiden. Hen ontbreekt het instinct om een school te vormen, die bescherming kan bieden. Daarbij verplaatsen ze zich hulpeloos traag. In de de eerste maanden vallen er enorme gaten in de gelederen en de overblijvers moeten dan nog de winter door. Wil het jonge karpertje een reële kans krijgen om te overleven, dan dient het snel te groeien tot een redelijk formaat én voldoende reservestoffen opslaan. Dat moet allemaal gebeuren in de eerste zomer. Een matige Nederlandse zomer is ongeschikt. Vaak gebeurt het dat in de winter en de vroege lente duizenden kleine karpertjes alsnog het leven laten. De enkele krachtpatser die het wél haalt, moet ook nog een tweede gevaarlijke zomer door én weer een koude winter. Pas op zijn tweede verjaardag weegt hij ongeveer een kilo en heeft onze jongeling de klus geklaard. Hij is dan groot genoeg en heeft nu een fatsoenlijke kans op een voorspoedig leven. |
|
|
Karpers fotograferen Kleine dingen
|
|
 |
 |
 |
 |
 |
|
 |