Een Kritische Reactie

Ernstig verzuim?

Gelijk met Karperwereld nr. 6 verscheen opnieuw een Karper van BEET, onder redactie van o.a. Arnout Terlouw. Lezend in deze fraaie special stuitte ik op een interessante bijdrage van de OVB. De titel van dit artikel waarvan de auteur verder niet werd genoemd, luidde Nieuwkoopse Plassen: karperbestand kritisch bekeken. Ik las het met grote belangstelling, maar vooral ook met stijgende verbazing.

Zou deze 50'er nou echt een 25% wildbroedhybride zijn?

Niet verwonderlijk, want mijn boek Speurtocht naar Giganten werd in dat artikel op de korrel genomen. In de ogen van de OVB zouden in mijn boek essentiële karperuitzettingen ontbreken, met name die van ná 1946. Door dit ernstige verzuim zouden de lezers onbedoeld tot de conclusie kunnen komen, dat er na 1946 geen karpers meer waren uitgezet op Nieuwkoop en dat de vissen die daar tegenwoordig rondzwemmen nog edelkarpers waren van vóór die tijd of nakomelingen daarvan. Aldus de OVB.

Het verhaal kwam er samengevat op neer, dat aangezien het de feiten zijn dat er sinds 1967 uitzettingen zijn geweest van 25% wildbroedhybriden en het de stelling is van de OVB dat óók dat type schubkarper de potentie heeft om uit te groeien tot een recordformaat, het -ik citeer-: zeer wel mogelijk is dat het huidige karperrecord en alle andere beschreven Nieuwkoopse schubkarpers 25% wildbroedhybriden zijn. Tot mijn verbazing was het verdere betoog van deze organisatie, die bepaald toch een goede heeft op te houden, niet alleen uiterst suggestief van aard, maar werden de conclusies ook nog ondersteund door apert onjuiste feiten. Reden genoeg om in de pen te klimmen.

Promotiecampagne

De laatste twee jaar is er een publieke discussie gaande over de huidige karperrassen in Nederland. Die discussie werd aangezwengeld door de onvrede van talloze karpervissers. Wie is er niet van op de hoogte dat al een klein ritje over de grens prachtige monsterkarpers zwemmen en vaak ook nog van een diverse, schone variëteit? Dikwijls was de vraag te horen: 'Waarom hebben wij zulke karpers niet?' en de wens naar die beauty's uit het buitenland kwam dan ook niet uit de lucht vallen. Eén ding stond vast: de betreffende 'rassen' maakten geen deel uit van het viskweekprogramma van de OVB en daarin zou vooralsnog ook geen verandering komen. Maar toen de bekende karpervisser Robert Paul Naeff de adressen publiceerde van een aantal karperkweekbedrijven in het buitenland waar dergelijke karpers wél te koop zijn, gooide hij de knuppel in het hoenderhok. De machtige OVB was gepasseerd!

Dat kon natuurlijk niet en onmiddellijk begon de OVB een actieve campagne in het hengelsportblad BEET. Tevens droeg voorlichter Onno Terlouw de visie van de OVB uit middels een dialezing op de landelijke dag van de Karperstudiegroep Nederland, de KSN. Ook in het periodiek orgaan "De Karper" van de KSN besprak een aantal prominente karpervissers de mogelijkheden van die 25% wildbroedhybriden. Dat gebeurde in een zogenaamde rotaryletter, ofwel een gepubliceerde briefwisseling over verschillende onderwerpen. De deelnemers waren John van Eck, Robert Paul Naeff, Willem Peters, Wijtze Tjoelker en Evert Aalten (ondergetekende). Voor de duidelijkheid, die rotarybrieven zijn exclusief geschreven en bestemd voor de leden van de KSN, maar voor een goed begrip van de achtergrond van deze problematiek rond de OVB-karper, citeer ik uit mijn bijdrage van de eerste ronde.

Mijn bijdrage

De Rotary van de KSN John van Eck droeg het onderwerp als volgt aan: 'De OVB is een promotiecampagne begonnen voor de 25% wildbloedhybriden, ingegeven door het artikel van Robert met adressen waar vette Duitse spiegels te koop zijn. De OVB beweert stellig dat het in Nederland allerlei andere factoren zijn die ten grondslag liggen aan het feit dat de 25% wildbloedhybride niet is uitgegroeid tot de gewichten die karpers in bijvoorbeeld België en Frankrijk bereiken. Wat is jullie mening?'

Drie factoren "De OVB noemt een drietal factoren die bepalen hoe groot karpers in Nederland kunnen worden. Dat is de bezettingsdichtheid (waaronder verbraseming), de omgevingsfactor en de factor tijd. Met de eerste twee ben ik het volledig eens. Op de factor tijd kom ik direct nog terug. Toch heb ik het gevoel dat de OVB om een belangrijk punt heendraait en dat is toch heel simpel het karperras oftewel de genetische eigenschappen. Een overdreven grapje: 'Een mug wordt toch nooit een olifant?' Als ik zie dat in België, Duitsland en Noord-Frankrijk karpers zeer vlug kunnen uitgroeien tot enorme afmetingen en dat dat nauwelijks gebeurt in Nederland, krijg ik toch mijn bedenkingen. Immers het ras moet wèl de potentie hebben om groot te worden. Factoren als overbezetting, verbraseming en omgevingsfactoren belemmeren inderdaad een optimale groei en ik beaam dat. Doch als ik vis in zo'n gigantisch en uitgestrekt kanaal als het Amsterdam-Rijnkanaal en daar met de grootste moeite af en toe een 30-ponder kan vangen, zinkt me de moed in de schoenen. Mooie spiegels ving ik er vrijwel nooit, altijd diezelfde schubjes. Is daar dan ook overbezetting? D'r zit best veel karper, maar makkelijk vangen? Pezen was daar ook een vak! Nederland bezit ongelooflijk veel water, veel meer dan België of Engeland en zouden er dan werkelijk bij ons geen wateren zijn zonder overbezetting? Dat wens ik niet te geloven.



Toeval of niet? Maar heel vaak zijn spiegels wel erg groot!

Top binnen 15-20 jaar

Natuurlijk is de factor tijd van belang, maar men suggereert dat als je maar lang genoeg wacht ook 25% wildbloedhybriden dik boven de veertig pond zouden kunnen worden. Enkele opmerkingen hierover. Volgens mij is dat een stelling poneren die nog bewezen moet worden, terwijl Belgische en Duitse rassen het al bewezen hebben dat ze heel zwaar kunnen worden! Verder, wanneer we kijken naar het verleden bleken grote karpers vaak binnen 15 tot 20 jaar, ik stel het maar even ruim, te kunnen uitgroeien tot zeer hoge gewichten. Ik noem het maar even het topgewicht. Daarna werden ze stabiel en slechts in uitzonderingsgevallen kwamen daar nog wel wat pondjes bij, bijvoorbeeld omdat zo'n vis zijn kuit niet kwijt kon. Ik doel onder andere op die recordvis van Chris Yates.

Normaal was dat echter niet. Juist die bekende karpers uit Redmire Pool, waarnaar de OVB verwijst, waren in de beginjaren al snel op hun topgewicht. De meeste groeiden echt niet hun hele leven. Laat ik de zaken eens even omdraaien. Sinds 1963 zijn er, geloof ik, 25% wildbloedhybriden uitgezet. Dat is al bijna 25 jaar! Dan moeten er toch wateren zijn, al zijn het maar enkele, waar alle factoren toevallig gunstig waren? Het klimaat mag geen rol spelen, want ook in België worden ze groot. Mag ik dan veronderstellen dat in die 25 jaar enkele karpers zijn uitgegroeid tot hun maximale gewicht? Waar zijn die 40- of 50-ponders? Wanneer ik van de OVB een artikel lees (BEET maart 1997), waarin een foto staat met drie prachtige spiegels met de vermelding dat omgevingsfactoren en bezettingsdichtheid belangrijk zijn, vind ik die illustratie toch wel vreemd. Die fraaie spiegels zijn toch van een ander ras!

30-40 jaar wachten?

Dan die foto met twee dertigers van 16 jaar oud, dat waren toch lage dertigers? Waarom zijn ze eigenlijk niet zwaarder? Ik vraag me af wat eigenlijk het aantoonbare record is van een 25% wildbloedhybride? Misschien 32 of 35 pond? Op diezelfde 16-jarige leeftijd waren een aantal Redmire Pool vissen al veel zwaarder! Moeten we soms 30 of 40 jaar wachten? Edoch, een mensenleven duurt niet lang. De tijd zal het misschien wel leren, maar om jaren achter de feiten aan te lopen en pas op mijn oude dag een kans te mogen maken op een gigant, vind ik wel wat aan de late kant. Op de meeste punten heeft de OVB gelijk, maar aan die overbezetting heeft ze zelf behoorlijk meegewerkt.

Toch zijn zulke dertigers op Nieuwkoop al echte toppers.

Dat is de OVB niet altijd kwalijk te nemen, want de hengelsportverenigingen zijn in de praktijk de eerst verantwoordelijken. De OVB heeft beslist kennis van zaken, maar ze moet objectief blijven en niet op de populaire toer gaan en in een hengelsportblad onzekere stellingen verkondigen. Kan ik het omgekeerde niet makkelijker bewijzen? Voor mij is het niet zo moeilijk een aantal meldingen te doen van hele grote karpers. Ik bedoel dan zware veertigers uit het heden en verleden én in Nederland, die beslist niét waren van het ras 25% wildbloedhybride. Sommige van die vissen groeiden met een ongelooflijke curve en deden daar echt geen 30 of 40 jaar over. Robert, denk bijvoorbeeld eens aan Naeffje!"

Punten van kritiek

Terug naar het OVB-artikel uit 'Karper' nr. 4. Oppervlakkig zag deze publicatie er prima uit, maar bij het doorlezen kreeg ik gaandeweg het gevoel dat de niet met name genoemde OVB-functionaris ten koste van alles zijn stelling wilde bewijzen met als motto: 'Het doel heiligt de middelen'. Wellicht is dit een krasse uitspraak, maar met de volgende punten wil ik mijn visie toelichten.

Punt één Twee jaar lang heb ik hard gewerkt aan het boek Speurtocht naar Giganten. Voorop stond dat ik een spannend verhalenboek wilde schrijven over de grootste karpers van Nederland. Als het verhaal over Nieuwkoop zou kunnen worden aangevuld met interessante gegevens over karperuitzettingen aldaar, was dat mooi meegenomen. Op de VISMA 1997 vroeg ik aan een voorlichter van de OVB of ik die gegevens zou kunnen krijgen, zodat ik die eventueel in mijn boek kon plaatsen. Het antwoord luidde dat dat wel kon, maar dat ik dan de toestemming moest hebben van de visvereniging terplaatse. Nu was ik al maanden kind aan huis in Nieuwkoop en werkten zowel de oud-secretaris als de huidige secretaris mee aan mijn boek, dus die toestemming was voor mij geen enkel probleem en dat vertelde ik ook. Een simpel telefoontje was echter niet genoeg. Als ik de betreffende gegevens per se wilde hebben, moest ik een schriftelijk verzoek indienen bij de OVB met de uitdrukkelijke medewerking van de visvereniging. Uit privacy-overwegingen kon ik zo'n wat bureaucratische aandoende regel wel begrijpen en ik zat er verder ook niet mee. Maar al dat papierwerk, al die moeite was me net te veel. Ik had belangrijkere dingen aan mijn hoofd, zoals me te concentreren op die unieke geschiedenis van Nieuwkoop. Van oud-secretaris Wim Verschuur kreeg ik het jubileumboekje van de visvereniging in handen. Tot mijn verrassing vermeldde het een aantal uitzettingen van edelkarpers door de voormalige Heidemaatschappij, al sinds 1905! Volgens mij waren die beslist het citeren waard plus nog wat andere willekeurig interessante zaken. Dat ik verder in mijn boek niet uitdrukkelijk heb vermeld, dat er op Nieuwkoop ook recentelijk nog uitzettingen zijn geweest van 25% wildbroedhybriden klopt inderdaad. Als auteur achtte ik die niet van wezenlijk belang. Immers, overal in Nederland waren die vissen toch uitgezet, waar eigenlijk niet? Die hybriden maakten Nieuwkoop toch niet bijzonder? Nu de OVB de laatste tijd per se wil aantonen, dat die vissen wel groot kunnen worden, is alles wat daar mee te maken heeft, ineens een 'hot' item! Juist gezien die overal in Nederland uitgezette wildbroedhybriden vond ik het zo logisch als wat, om de lezer ook andere mogelijke verklaringen aan te reiken waarom op Nieuwkoop die giganten zwommen. Om nu te beweren dat ik dus een ernstige omissie heb gepleegd door niet uitdrukkelijk te reppen over die latere uitzettingen van 25% wildbroedhybriden, gaat dan wel heel erg ver. Het enige wat ik eigenlijk deed, was nadrukkelijk wijzen op die unieke karpergeschiedenis van Nieuwkoop, die nog veel ouder was dan Redmire Pool! Daarom ben en blijf ik van mening dat juist het weglaten van die vroegere gegevens over die edelkarpers pas een echte omissie zou zijn geweest!



Kan een 25% wildbloedhybride wel zo zwaarlijvig zijn?

Punt twee De eindconclusie van de OVB luidt, dat het zeer wel mogelijk is dat alle gigantische schubkapers uit de Nieuwkoopse Plassen 25% wildbroedhybriden zouden zijn, inclusief die recordvis van 54,5 pond! Mijn mening is de volgende. Als ik het goed lees, ligt het vliesdunne bewijs van de OVB uitsluitend in het simpele feit dát die vissen op Nieuwkoop daar nu eenmaal zijn uitgezet sinds 1967. Integraal hierbij de stelling te betrekken, dat die vissen ook de potentie hebben om uit te groeien tot een recordformaat, gaat niet op! Immers, is dat niet nu net de stelling die de OVB de laatste tijd zo graag bewijzen wil! Het past toch niet om dat wat je wilt bewijzen, reeds bij voorbaat te gebruiken als een stelling! Als ik nogmaals die eindconclusie lees, borrelt bij mij voorts de vraag omhoog: 'Is het huidige karperbestand op Nieuwkoop dan zo uniek wegens die latere 25% wildbroedhybriden?' Is die simpele conclusie niet een flagrante miskenning van een 60-jarige karpergeschiedenis van daarvoor? Van oeroude uitzettingen van edelkarpers tot dik in de jaren '60? Volgens het staatje van de OVB werden er zelfs nog in de jaren 1962 - 1966 tweezomerige edelkarpers (1700 kilo) uitgezet van voornamelijk schubkarpers. Dat is dus beslist geen 1946! Waarom kunnen er dan vandaag de dag geen oude vissen rondzwemmen? Karpers kunnen tenslotte meer dan 60 jaar oud worden (zie het voorbeeld van Raspberry uit Redmire Pool)? Als de OVB zegt: 'die kans is relatief klein', geeft zij impliciet al toe dat die mogelijkheid wel degelijk bestaat. Dat het er niet veel zullen zijn, zegt niets, want in deze discussie gaat het juist om een enkel exemplaar. Verder is het niet uit te sluiten dat er op Nieuwkoop nog nakomelingen van edelkarpers rond kunnen zwemmen met unieke, erfelijke eigenschappen in hun genen die gigantische vissen kunnen voortbrengen!



Punt drie De OVB voert nog twee argumenten aan waarom op Nieuwkoop 25% wildbloedhybriden zo groot kunnen worden. Dat is het geringe karperbestand en de bijvoedering door de karpervissers. Op zich zijn dat aanvaardbare argumenten, maar voor die giganten van Nieuwkoop is dat geen bewijs! Waarom zwemmen er dan verder in Nederland zo weinig giganten rond? Neem de Loosdrechtse Plassen waar ik jarenlang heb gevist. Daar zwemmen nog steeds geen 40-ponders rond, laat staan een 50'er! Dit grote veenplassengebied is qua watertype prima te vergelijken met de Nieuwkoopse Plassen. Beide argumenten zijn hier evengoed van toepassing, want ook Loosdrecht kent geen overmatig karperbestand en ook daar werden in de loop der tijd massa's 25% wildbloedhybriden uitgezet en ook daar wordt veel gevist! Toch ken ik tot op de huidige dag van vandaag daar geen meldingen van karpers boven de 35 pond!



Een mooie sportvis, maar ik betwijfel sterk of deze slanke rakker ooit de 30 pond zal halen!

Punt vier Volgens een uitspraak van OVB- voorlichter Onno Terlouw op een lezing bij de KSN, zegt het uiterlijk van een karper niets over de erfelijke eigenschappen. Toch wijst de OVB in de slotalinea van het betreffende artikel wel degelijk naar het uiterlijk, namelijk naar die enorme lengte van onze huidige recordvis van 54,5 pond, en noemt dat dan als het mogelijke bewijs voor een 25% wildbloedhybride. Die alinea verbaast mij dan ook zeer!

Punt vijf Over dat lijstje van karperuitzettingen van de OVB wil ik nog twee dingen opmerken. Op de eerste plaats wil ik nogmaals wijzen op de jaren 1962 -1966 toen er dus nog wel degelijk edelkarpers zijn uitgezet, met name van het type schubkarper! Op de tweede plaats zou de laatste uitzetting - van uitsluitend tweezomerige 25% wildbloedhybriden- in 1988 zijn geweest. Volgens mij klopt dat niet. Bij het onderzoek voor mijn boek, kreeg ik ooit bij de heer Verschuur foto's (van Luc Snijders) onder ogen, waarop diverse forse teilen stonden afgebeeld barstensvol met spiegel- en rijenkarpers! Ook die uitzetting moet zijn geweest eind jaren '80! Of het hier nu wel of niet gaat om dezelfde uitzetting uit 1988, in beide gevallen kloppen de gegevens niet. De gebroeders Hoogerwerf hebben er nog aan meegewerkt!



Manipulatie

Met voorgaande vijf punten hoop ik aan te tonen, dat de door de OVB aangevoerde argumenten om te veronderstellen dat de Nieuwkoopse recordkarper een 25% wildbloedhybride van de OVB zou zijn, zachtjes gezegd niet geheel valide zijn Maar er is meer! In het artikel van de OVB staat een foto van een schitterende schubkarper. Blijkbaar als bewijs, want het bijschrift juicht: 'Een 25% wildbroedhybride van bijna 40 pond. Potentie genoeg!' Ik dacht nog eventjes: 'Hier scoort de OVB een voortreffelijk punt!' Ik herinnerde me namelijk ook, dat ik deze karper nog niet zolang geleden al had gezien in een ander artikel op ongeveer 32 pond. Die vis was snel gegroeid! Het betreffende artikel was hetzelfde waaraan ik refereerde in mijn Rotary-bijdrage, namelijk dat in de BEET van maart 1997. Op pagina 29 stond de foto die ik zocht. Ik legde beide foto's naast elkaar en vergeleek ze. Mijn eerste ingeving bleek juist, de linkervis was pertinent dezelfde karper als die uit het onderhavige artikel. Het was 'm zonder twijfel, dat krasje, die rode schub en de massieve vorm van de karper...

Tot mijn ontzetting ontdekte ik dat ook de achtergrond op beide foto's exact dezelfde is. Ik zag dezelfde herfstkleuren en dezelfde rode besjes, maar ook de vanger was geen spat ouder geworden en draagt zelfs dezelfde kleding. Mijn conclusie: beide foto's zijn genomen in dezelfde fotosessie en dat betekent dat de vis van 'zogenaamd' bijna 40 pond, in werkelijkheid een 32-ponder blijkt te zijn! Pure manipulatie dus van een foto c.q. bijschrift om een stelling te bewijzen! Wat moet ik zeggen? Ik heb te veel respect voor de OVB om haar als organisatie dit tendentieuze artikel volledig aan te rekenen. Maar het moet gezegd: een dergelijke manier om je gelijk te willen krijgen, druist in tegen de normen van journalistiek fatsoen, laat staan wetenschappelijke gedragsnormen. Juist een zo belangrijke organisatie als de OVB dient objectief te zijn en haar voorlichting serieus te nemen.


Mijn eerste Karperavontuur
Karperstrategieën