Deel 2

De populatiedichtheid (het aantal vissen)

De natuurlijke hoeveelheid eiwitten is afhankelijk

Klimaat,

Bodemstructuur,

Rijkdom aan plantengroei,

Chemische samenstelling van het water.



In de volgende paragrafen wordt besproken:

- Het “stock-level”
De hoeveelheid eiwitten in de natuur varieert per water en per periode van het jaar. De wisseling der jaargetijden doen dingen steeds veranderen. De aanwezige natuurlijke eiwitten zijn in theorie om te zetten in een maximale hoeveelheid aan ponden vis, in ons geval karper. Een kweekvijver noemt dit het “stock-level”. Dit gewicht geeft een theoretische grens aan van maximale groei. Het (natuurlijk) voedsel is de beperkende factor voor de productie. Boven dit “stock-level” zijn géén extra ponden mogelijk. Het “stock-level” wordt bepaald door de hoeveelheid eiwit.

Toelichting grafiek. Stel een karper kan in de natuur in Nederlands water uitgroeien tot 50 pond. Bij een “stock-level” van 1000 pond kunnen dat er slechts 20 stuks zijn en bij 600 pond 12 stuks. Zijn er 12 stuks bij een 1000 pond “stock-level” dan is er een eiwitoverschot, dat niet gebruikt wordt en 400 pond had kunnen opleveren: zie de afstand tussen a en b. Naarmate het aantal toeneemt van 12 tot 20, wordt het overschot kleiner. Dat geeft de schuine lijn aan. Omgekeerd geldt, dat hoe minder stuks er voorkomen, hoe groter het overschot is. Wat heeft dit te betekenen?


Klik op afbeelding voor vergroting

De eiwitoverschotsituatie

Dat de ponden karpers gelijk zijn aan of blijven onder het “stock-level” betekent:

Dat alle aanwezige karpers volledig kunnen doorgroeien,

Dat extra karpers in de vijver kunnen en dat grotere aantal kan doorgroeien zonder extra eiwittoevoeging.



Wanneer door groei of bij extra vissen het “stock-level” wordt bereikt en er een eiwittekort dreigt te ontstaan, kan de karperkwekerij toch nog extra eiwitten uit de natuur benutten, namelijk die “ondoelmatig” gegeten werden! De viskweker voegt dan door koolhydraten toe als granen, brood of aardappels. De karpers gaan die producten óók eten en laten vervolgens de eiwitten voor een belangrijk gedeelte liggen, namelijk de hoeveelheid die anders ondoelmatig voor de energievoorziening gebruikt zou worden. M.a.w. de karper past zelf een correctie toe van de eiwit-koolhydraatverhouding. Conclusie: het toevoegen van koolhydraten in een eiwitoverschotsituatie heeft tot gevolg:

Een verbetering van de algehele gezondheidstoestand van de karpers. Theoretisch gezien kan een karper misschien zelfs nog zwaarder worden dan 50 pond!

Extra eiwit blijft over, zodat er in de grafiek niet alleen 20 stuks maximaal kunnen uitgroeien tot 50 pond, maar misschien 30 stuks of meer.

B.Hepher en J.Chervinski concludeerden reeds in 1965: “Below the standing stock “critical” point, the protein rich diet has no advantage over feeding with cereal grains”.



Gesteld dat 50%-70% eiwit voor de karper goed is, wat is dan het antwoord op:

Waarom eet de karper dan die koolhydraten i.p.v. de eiwitten?

Waarom wordt de vis in de vijver hoger en gedrongener dan in een natuurlijke situatie?

Waarom wordt er dan goed gevangen met partikels als maïs, tarwe (enz.) en de aardappel?

Waarom wordt de karper dan zelfs gezonder als hij koolhydraten eet?



De kwekerij laat uit economische motieven de vissen niet volledig uitgroeien, maar beperkt zich meestal tot enkele jaren: K3 = driezomerige karpers. De toevoeging van koolhydraten benut de kwekerij dan in die zin, dat er veel meer vissen in een kweekvijver kunnen groeien naar eenzelfde afvisgewicht. Dat kunnen dan makkelijk vijf tot zes keer zoveel vissen zijn! W.Schäperclaus onderzocht in 1962 met behulp van intensieve bijvoederingen hoe groot het aandeel van natuurlijk voedsel diende te zijn in de totaalvoeding (natuurlijk voedsel + toevoeging van granen), wilde de karper niet aan eiwitten, mineralen en andere werkzame stoffen tekortkomen. Voor de K3 kwam hij tot de volgende samenstelling:

40% natuurlijk voedsel:

chironomus + daphnia pulex voor gelijke delen, resp. 60,9% en 49,8 eiwit;

60% bijvoedering: graan met 14% eiwit.



De berekening van het eiwitpercentage uit deze samenstelling ging als volgt:

1000 kcal. graan bevat 141 kcal. ruw eiwit

1000 kcal. chironomus bevat 609 kcal. ruw eiwit

1000 kcal. daphnia pulex bevat 498 kcal. ruw eiwit



Aandeel in procenten    Kilocalorie n 
Graan is 60%,  0,6 x 141 =  84,6 
Chironomus is 20%,  0,2 x 609 =  121,8 
Daphnia pulex is 20%,  0,2 x 498 =  99,6 
    306,0 


Conclusie:

Deze samenstelling van 1000 kcal. bevat in totaal 306 kcal. aan eiwitten. De karper krijgt met slechts 40% natuurlijk voedsel dus altijd nog iets meer dan 30% eiwit naar binnen, waarvan 22% natuurlijk + 8% toevoeging. Dit percentage is voor de K3 ruim voldoende. Hoewel de natuur veel meer geeft, buit Schäperclaus de mogelijkheden van het natuurlijk eiwit behoorlijk uit door er extra veel vissen van te laten eten door de toevoeging van een grote hoeveelheid granen.


Het optimale voedselpakket

Het “Lehrbuch der Teichwirtschaft” geeft als ideale balans voor K3-kweekkarpers:

Voedingsstof Percentage

Eiwitten 20%-30%
Vetten 15%-25%
Koolhydraten 45%-65%
Deze percentages (zie Lehrbuch der Teichwirtschaft 1961, pag 58) zijn volgens Schäperclaus bedoeld als richtsnoer voor K3-kweekkarpers. De wetenschap dat grote volwassen dieren relatief gezien minder eiwitten nodig hebben, rechtvaardigt de

Conclusie:
Dat het optimale voedselpakket van de volwassen kweekkarper 30% eiwit ruim voldoende is en waarschijnlijk aan de hoge kant. Het werkelijke percentage zal eerder lager zijn. Dat betekent een dienovereenkomstige verhoging van de koolhydraten en/of de vetten. Het feit dat de karpers óók koolhydraatrijke producten gaan eten met de genoemde voordelen, terwijl er genoeg natuurlijk voedsel voorhanden is, duidt op aantrekkelijkheid!

De volwaardige voerbal

Men kan verdedigen dat in de aangeboden voerbal, de boilie, de vis alle eiwitten makkelijk kan krijgen, waar hij in de natuur, hoewel daar voedsel ruimschoots aanwezig is, toch moeite voor moet doen. De makkelijke verkrijgbaarheid! Ik stel hier tegenover:

Dan nog is ieder eiwitpercentage boven 30% niet optimaal, maar overbodig en betekent geldverspilling.

Bij een eiwitpercentage van 40%-50% zijn er naast 15%-25% vetten, altijd nog zoveel koolhydraten in het voer, welke de natuur niet in die mate beschikbaar stelt. Waarom dat aspect niet meer benutten?

Niet te ontkennen valt, dat allerlei soorten partikels als zoete maïs, zwarte ogen bonen, tarwe, hennep (enz.) naast de gewone aardappel zeer goede vangstresultaten kunnen opleveren. Vergelijk de karperkwekerij die granen toevoegt! Het gaat hier dus wel om koolhydraatrijke producten. Blijkbaar vindt de karper vele koolhydraatrijke producten zelfs wel gewoon lekker!

De karper is niet anders gewend dan de hele dag te spitten te graven, te zeven en te kraken om aan zijn eten te komen. Hij is daar fysiologisch op ingesteld. Hij volgt een patroon, dag in dag uit. Het is een levenswijze en zou die geheel overboord worden gezet door een “makkelijke” voedselbron.

Eén ding is zeker, “slecht” voer hoeft een karper niet. Afgezien van een eventuele “instant-respons” komt een doorsnee karper er echt niet op terug. Dat is toch ook een makkelijke voerbal? Waarin ligt anders het belang van goed voer?



Welk eiwitpercentage is aantrekkelijk in een eiwitoverschotsituatie?
Wat is er gezien al het voorgaande dan op tegen om in een voersamenstelling bij een eiwitoverschotsituatie, dus juist op die wateren waar de grootste karpers zwemmen, het eiwitpercentage te doen dalen ruim onder de 30%?

Mijn conclusie is:

”Ik prefereer 17%-18% eiwit en vaak nog lager!” Maar dan wel met de voordelen van de boilie:

Zijn stabiliteit, waardoor je selecteert op karper;

Een beter behoud van nutriënten, zoals in water oplosbare vitamines;

Je kunt erin doen wat je maar wilt, zoals voedingsvezels voor een betere darmpassage, dit in tegenstelling tot partikels;

De mogelijkheid om geur- en smaakstoffen toe te voegen waardoor ie nog lekker is ook.



Naar mijn mening is dan een voersamenstelling te maken, die aantrekkelijk is naar vele aspecten. Mijn algemene conclusie voor een eiwitoverschotsituatie is dus, dat het niet zinvol is om eiwitrijke producten te voeren. Dus ook niet een voersamenstelling met de ideale balans van het optimale voedselpakket! Zowel voor een kwekerij als voor de karpervisser betekent dat eigenlijk “water naar de zee” dragen en is dus geldverspilling. Die extra eiwitten van 30% verlenen namelijk geen extra groei. Voor wat betreft het percentage aan koolhydraten van 45%-65% geeft ik wel toe, dat die zorgen voor reservestoffen in het lichaam en aldus de gezondheid kunnen verbeteren. Met andere woorden het optimale voedselpakket is vooral aantrekkelijk vanwege die ruime hoeveelheid toegevoegde koolhydraten, die als zodanig in de natuur niet beschikbaar zijn.

De eiwit-tekortsituatie

Maar er is nog een geheel andere situatie. Een “stock-level” hangt samen met een min of meer ideale hoeveelheid vissen. Voor hen is maximale groei mogelijk. Wat gebeurt er nu, als het aantal vissen toeneemt boven deze ideale hoeveelheid? Hetzelfde “stock-level” wordt dan gedeeld door een steeds groter aantal en daardoor zal het gemiddelde gewicht afnemen. Als het aantal vissen steeds meer toeneemt, zal ook het eiwittekort steeds groter worden. Hieronder volgt een grafiek die veel duidelijk maakt.

Toelichting grafiek. Het gearceerde deel geeft een steeds groter tekort aan. Tussen a en b kunnen de karpers volledig uitgroeien, omdat het eiwitoverschot dat toelaat. Een voorbeeld:

- Bij 10 stuks is er een groot overschot: b’ - b
- Bij 20 stuks is er een klein overschot: b’’ - b
- Bij 40 stuks is er een groot tekort: b’’’ – b

De toevoeging van koolhydraten kan in deze grafiek een eiwittekort opheffen door de verhouding van eiwitten en koolhydraten te corrigeren. Vissen beconcurreren elkaar hevig in een tekortsituatie en putten daarmee een water in hoge mate uit. Toch kan de natuur in dat geval nog iets extra’s leveren. Boven het oorspronkelijke “stock-level” zijn in beperkte mate nog extra ponden mogelijk. Wat heeft dit te betekenen? Als het “stock-level” overschreden wordt en de normale groei van de vissen belangrijk afneemt, handelt een karperkweker als volgt:

- Hij vermindert het aantal vissen, of
- Hij voedert met eiwitrijke pellets van 28%-30%.

Wegens economische redenen vult de kwekerij het eiwittekort aan en zal er weer groei gaan plaatsvinden. Naarmate het tekort groter is, hebben de vissen meer eiwit nodig en zullen zij met meer graagte een eiwitrijke pellet eten. Dat moet dus te maken hebben met aantrekkelijkheid. Vanzelfsprekend zijn deze vissen hongerig en eten zij óók koolhydraten. Een uitsluitende toevoeging van koolhydraten, dus zonder extra eiwitten zal in echte tekortsituatie weinig helpen.

B.Hepher en J.Chervinski (1965) kwamen na een tweejarig experiment tot de conclusie:
“Feeding with a protein rich diet (28-30% crude protein) caused an increase in pond fish yield.” “This yield increase is apparent when the standing stock of fish per a unit of pond era, increases over a certain ‘critical’ point, which is dependent on the natural food in the pond, and affected by factors which effect the natural food production, such as climatic, soil and waterconditions.” “Below the standing stock ‘critical’ point, the protein rich diet has no advantage over feeding with cereal grains.”

Welk eiwitpercentage is aantrekkelijk in een eiwittekortsituatie?
In een eiwittekortsitutatie zal die voersamenstelling aantrekkelijk zijn, die optimaal is in alle aspecten: dus 20-30% eiwit, maar ook voldoende vetten, koolhydraten, vezels, mineralen en vitamines. Allemaal voldoende tegemoetkomend aan de optimale behoefte van de karper. De combinatie met geur- en smaakstoffen kan deze aantrekkelijkheid nog versterken, maar bij verkeerd gebruik ook verslechteren! Let op, per definitie zijn in deze tekortsituatie geen zware karpers te vangen!

Samenvatting

De ideale balans voor een K3-kweekkarper is:

Voedingsstof Percentage
Eiwitten 20 - 30%
Vetten 15 - 25%
Koolhydraten 45 - 65%

De ideale balans voor een volwassen kweekkarper:

M.b.t. de aantrekkelijkheid van eiwitten trek ik de volgende conclusies:
Algemeen gezien is 30% eiwit voor een volwassen kweekkarper aan de hoge kant. (NEB is minimaal 70%).
Het beste is 23-28% eiwit in een tekortsituatie;
Het beste is 23-28% eiwit in de koude winterperiode;
Welk (lager) percentage eiwit aantrekkelijk is in karpervoer, hangt met name af van de relatie:

Voorraad natuurlijk voedsel en populatiedichtheid

Situatie per water  Energiebron  Behoefte  Aantrekkelijk   
1. Eiwitoverschot (goed ras! Zware karper!)  Eiwit  Klein  Laag   
  Koolhydraten  Groot  Zeer hoog  ++ 


2. Overgangsgebieden   


3. Eiwittekort (Elk ras! Kleine karper!)  Eiwit  Groot  Zeer hoog  ++ 
  Koolhydraten  Groot  Zeer hoog  ++ 


Het verschil zomer – winter

Het hiervoor behandelde deel had vooral betrekking op de zomer met zijn hoge watertemperaturen. De karpers die koudbloedig zijn, zijn in het warme water actiever en eten meer. De voorraad natuurlijk voedsel is niet alleen groter, maar ook veelzijdiger (eiwitten). In de winter zijn de watertemperaturen laag. De karpers zijn nauwelijks actief, ze eten weinig en hun energiebehoefte is veel minder dan in de zomer. De vissen teren in de koude periode zowel in op hun reservestoffen (vetten) alsook op hun hele lichaam (eiwitten). Enerzijds komt dat door de kleine hoeveelheid natuurlijk voedsel die moeilijk beschikbaar is en anderzijds ook doordat het natuurlijk voedsel zelf óók inteert en eenzijdiger wordt. Een tekort aan bepaalde waterdiertjes in de winter kan daarom mede een oorzaak zijn voor eiwitveranderingen bij karpers naar het voorjaar toe en een verslechtering van hun conditie.

I.N.Petrenko en A.A.Karassikowa (1957). Deze onderzoekers geven in onderstaand schema het aminozurengehalte van éénzomerige K1-karpers, alsmede van chironomidenlarven en daphnia’s. Het is een vergelijking van herfst en voorjaar (= na overwintering).

Aminozuren  Argi-nine  Va-line  His-tidine  Isoleu-sine  Leu-sine  Methio-nine  Threo-Nine  Trypto-faan  Pheny-lalaline 
K1                   
- Totaal herfst  +  +  +  +  +  +    +   
- Musculatuur                   
- Herfst  +  +  +      +    +   
-MusculatuurVoorjaar  +    +             
Chironomiden                   
- Gewoon  +  +  +      +  +  +   
- Voorjaar                   
Daphnia's  +    +    +  +    +  + 


Balans in de winter

In de winterperiode en het vroege voorjaar verdient het de voorkeur om het optimale voedselpakket aan te bieden. De behoefte aan volwaardige eiwitten maakt dat pakket erg aantrekkelijk. Dus óók op die wateren waar normaal in de zomer rijkelijk natuurlijk voedsel aanwezig is (eiwitoverschotsituatie).

Winternormen:

Voedingstoffen  Minimaal  Maximaal 
Eiwitten  23%  28% 
Vetten  20%  25% 
Koolhydraten  Overig  Overig 
Vezelgehalte  3,5 gr./240 kcal.  4 gr./240 kcal 
NEB  70%   
Retinol  0,45 mg per dag  Volwassene 
  0,20 mg per dag  Kind 
Caroteen  2,40 mg per dag  Volwassene 
  0,80 mg per dag  Kind 


De norm voor de vetten

Waarvoor dienen zij?

- Vetten zijn economische energieleveranciers, want één gram vet levert 9 calorieën en de aanzet van de stofwisseling is slechts 4% (SDW).
- Essentiële vetzuren ofwel vitamine F. (Linolzuur!) hebben een genezende werking en zijn daarom belangrijk voor de gezondheid.
- Vetten geven extra smaak en aroma aan het voedsel.
Bekend is dat vetarm visvoer wegens het geringe calorieëngehalte, maar ook wegens het ontbreken aan essentiële vetzuren een geringe voederwaarde heeft. Het geldt, dat hoe rijker aan calorieën het voedsel is en hoe meer vetten het bevat, des te groter en ouder (!) karpers kunnen worden (W.Schäperclaus – Lehrbuch). Het gevolg is een sterkere opbouw van vetten als reservestof in het lichaam. Een echte overmaat kan gevaarlijk zijn en de vis kan een leverziekte krijgen met uiteindelijk de dood als gevolg. Karpers kunnen we voedsel geven met een vetaandeel van 20-25% zonder dat het tot leververvetting komt.

Volgens analyses van Geng ligt het vetgehalte van de voedseldiertjes op ongeveer 20% en schommelt het tussen 8% en 41% van de calorieën. W.Schäperclaus vindt dat voor de kweekkarper in algemeen een vetgehalte tussen de 15% en 25% optimaal is. Een vergelijking met: de mens = 33% en de forel = 23%. Wat voor de kweekkarper de optimale verhouding is tussen de verzadigde en de onverzadigde vetzuren is niet zeker. Wel dat ranzige (verzadigde – dierlijke) vetten slecht zijn in een visvoer en dus zoveel mogelijk dienen worden vermeden. Afhankelijk van het jaargetijde – winter, lente, zomer of najaar – kan er, binnen de hierboven gegeven algemene norm, een variabele vetbehoefte optreden bij de karper.

De mineralen

Het belang van mineralen
Wanneer zijn mineralen (en vitamines) belangrijk voor de kweekkarper? Wat zijn trouwens de juiste hoeveelheden mineralen (en vitamines)? In principe is dat moeilijk aan te geven. Belangrijk is wel, dat deze nutriënten in het optimale voedselpakket in voldoende mate aanwezig zijn. In een eiwitoverschotsituatie is de aanwezigheid van sommige vitamines en mineralen in de bijvoedering minder belangrijk, dus bijvoorbeeld in het geval dat een kwekerij granen toevoegt. Echter, bij het gebruik van een optimaal voedselpakket zijn vitamines en mineralen van het hoogste belang en worden ook zij aantrekkelijk.

Algemeen
Bekend is dat snel groeiende dieren veel mineralen nodig hebben, die ze via het voer dienen te ontvangen. Vaak wordt het grondrantsoen aangevuld met een extra vitaminemengsel, welke voor elke diersoort verschillend is. Karpers krijgen middels het natuurlijk voedsel (in een overschotsituatie) in voldoende mate de voor hen vereiste minerale stoffen naar binnen. Met name de sporenelementen zijn in het natuurlijk voedsel in voldoende hoeveelheden voorhanden. In een optimaal voedselpakket dienen mineralen in voldoende mate en in evenwichtige verhouding aanwezig te zijn. Bij het gebruik van diverse volwaardige voedingsmiddelen – denk aan de “maaltijdschijf” – zal in het algemeen geen tekort optreden.

De vitamines

Het belang van vitamines
Wanneer zijn vitamines (en mineralen) belangrijk voor de kweekkarper? Belangrijk is dat nutriënten als vitamines en mineralen in het optimale voedselpakket in voldoende mate aanwezig zijn. In een eiwitoverschotsituatie is de aanwezigheid van sommige vitamines en mineralen in de bijvoedering minder belangrijk, dus bijvoorbeeld in het geval dat een kwekerij granen toevoegt. Echter, bij het gebruik van een optimaal voedselpakket zijn beide van het hoogste belang en worden ook zij aantrekkelijk. Het optimale voedselpakket gebruiken we voornamelijk in de volgende twee gevallen:

In een zomerse eiwittekortsituatie, waar een sterke voedselconcurrentie is door grote hoeveelheid vissen.

In het late najaar en de winterperiode, want dan is er minder natuurlijk voedsel beschikbaar.



In de volgende paragrafen wordt besproken:

- Vitamines in vet oplosbaar

Vitamine A – Retinol

Het is hittebestendig, maar gemakkelijk door oxidatie en ultraviolet licht afbreekbaar. Het komt hoofdzakelijk voor in levers van dieren. Het is bij vissen belangrijk voor de voortplanting, want caroteen (kleur: geel – oranje) geeft aan de eitjes de rode kleur, die iets te maken heeft met de bevruchting. In het lichaam van de karper is in de zomer het vitamine A en caroteengehalte het hoogst, dit komt wegens het ruime aanbod van natuurlijk voedsel. In de herfst nemen de gehaltes af en na de overwintering hebben de karpers het laagste gehalte in de lever, de huid en de milt. In het vroege voorjaar, naar de paaiperiode toe, lijkt de behoefte het hoogst aan vitamines A en caroteen.

Voor de mens wordt aanbevolen:

De normen voor de mens zijn natuurlijk niet bestemd voor de karper, maar ze geven wel een indicatie aan en een flinke overschrijding van deze getallen is niet aan te bevelen. Kijk dus uit bij het gebruik van allerlei diervoeders met een rijkelijke toevoeging. Nogmaals, in de zomer is de toevoeging vrij onbelangrijk.
Vitamine D – Calciferol

Het is lichtgevoelig en hittebestendig. Het komt bij vissen voor door de invloed van het licht, de opname van natuurlijk voedsel en erfelijke aanleg. D3 is het eigenlijke vitamine en het ontstaat in de huid van het dierlijk lichaam onder meer door de invloed van de ultraviolette stralen van het zonlicht. Waarschijnlijk is het bij het samenstellen van een voer alleen van belang in de (donkere) wintermaanden. Het wordt dikwijls toegevoegd in diervoeders. Voorzichtig (tot niet) gebruiken in de zomerperiode.

Vitamine E – Tocoferol
Dit vruchtbaarheidsvitamine is hittebestendig. Het speelt een belangrijke rol als antioxidant in de vetstofwisseling. Normen zijn vrijwel niet aan te geven. Is aanwezig in tarwekiemen, sojaolie, vis, ei en tarwemeel.

- Vitamines in water oplosbaar
Algemeen
Bij deze groep vitamines stelt W.S.Hoar de volgende punten als belangrijk voor een samengesteld voer:
De stabiliteitseis van het voer. Valt het voer snel uiteen dan verdwijnen de vitamines ook snel.
De tijdsduur voordat het voer wordt gegeten door de vis. Deze tijd dient het liefst zo kort mogelijk te zijn.

Kortom, hier blijkt het belang van een goede pellet voor een karperkwekerij en een goede boilie voor de karpervisser. Een redelijk surplus boven de normen zijn voor de B-vitamines reëel, zeker ook gezien de verliezen door verhitting en oplossing in het kookwater en natuurlijk ook door het gebruik op een voerplek in het viswater. Een eventueel overschot komt via de urine weer buiten het lichaam en leidt niet snel tot schadelijke gevolgen.

Vitamine B1 – Thiamine
Heeft een directe relatie met de verbranding van koolhydraten. Er is 10% tot 20% verlies bij verhitting. Verder gaat een flink deel verloren in het kookwater (kort koken). De toevoeging van B1 aan het voer van forellen had van alle vitamines het meeste effect. Uit Amerikaanse onderzoekingen bleek dat de behoefte bij forellen 0,15-0,18 mg per kilo per dag was. Voor de omnivore kweekkarper is B1 van groot belang. In al mijn succesvolle voersamenstellingen was B1 rijkelijk aanwezig. De norm die KARPERVOER 2000 gebruikt, is gerelateerd aan die van de mens: 0,6 mg per 1000 calorieën van eiwitten en koolhydraten. Deze norm is echter minimaal. Meestal gebruikte ik een ruim surplus, ik adviseer de dubbele hoeveelheid.

Vitamine B2 – Riboflavine
Dit vitamine is van belang bij de koolhydraat- en eiwitstofwisseling. Het heeft een belangrijke relatie met de hoeveelheid eiwit in een voersamenstelling: is voor groei en weefselopbouw. Hoewel het hittebestendig is, gaat er wel een deel verloren in het kookwater. KARPERVOER 2000 gebruikt de aan de mens gerelateerde minimale norm: 0,020-0,025 mg gram per gram eiwit. Ook hier adviseer ik een surplus.

Vitamine B6 – Pyridoxine
Is belangrijk bij koolhydraat-, eiwit- en vetstofwisseling. Het is hittebestendig. KARPERVOER 2000 hanteert als norm: 1-1,5 mg. per 500 gram droge mix.

Enzymen (fermenten)

Algemeen

Enzymen verzorgen o.a. de voedselvertering. Het zijn ingewikkelde eiwitachtige moleculen die door het lichaam worden aangemaakt. Ze zijn te onderscheiden in:

Proteasen – eiwitsplitsende enzymen

Pepsine wordt in de maagwandklier aangemaakt en door het eveneens in de maag afgescheiden zoutzuur geactiveerd.

Trypsine wordt in de pancreas aangemaakt en in de darm geactiveerd.

Erepsine wordt zowel in het slijmvlies van de darm als in de darmsappen aangetroffen.

Esterasen zijn vetsplitsende enzymen

Lipase komt voor in het slijmvlies en de pylorische aanhangsels.

Carbohydrasen – koolhydraatsplitsende enzymen

Amylase en maltase komen voor in de pancreas, het pancreassap en in het slijmvlies van de darm. Ze splitsen zetmeel, glycogeen en maltose.



De werking van enzymen

De werkzaamheid van de afzonderlijke enzymen hangt van verschillende factoren af:

De PH-waarde in het spijsverteringskanaal,

De watertemperatuur (de R.G.T.-regel),

De concentratie van enzymen; hoe hoger die is hoe sterker de werking is.

Voor karpers zijn de volgende wetmatigheden vastgesteld:

De enzymproductie is bij karpers niet afhankelijk van de watertemperatuur.

De hoogte van de enzymproductie wordt bepaald door de mate van voedselopname.

Bij hogere watertemperaturen in de zomer stijgt de enzymwerking.

Karpers kunnen koolhydraten voortreffelijk verteren. Dat wordt onder meer aangetoond door de bijvoederring van koolhydraatrijke voedingsstoffen als tarwe, gerst en rogge. Carbohydrasen kunnen bij karpers in ruime mate worden aangetoond. Zie tabel.

Karper kunnen vetten prima verteren.

De vertering van eiwitten is bij karpers hoofdzakelijk een aangelegenheid van de tryptische enzymen. Waarschijnlijk werkt bij karpers het trypsine krachtiger dan bij andere vissen. Het pepsine ontbreekt bij karpers. Wat voor gevolgen dat heeft is niet duidelijk.



W.Schäperclaus, Lehrbuch der Teichwirtschaft (1961


*** = grote hoeveelheden,
** = geringe hoeveelheden,
* = zeer geringe hoeveelheden.
Toelichting op de enzymtabel
Aminozuur = een peptidenbinding van een aminogroep met een carboxylgroep;
Polipeptide = verbinding bestaande uit via peptidebindingen gekoppelde aminozuren,
Poli = veel,
Tri = drie,
Di = twee.



Deel 1