Deel 1

De balans tussen koolhydraten en eiwitten

De verhouding eiwitten en koolhydraten
Dit onderzoek spitst zich met name toe op deze balans, omdat hier de kern ligt van het al dan niet volwaardige voedselpakket dat we de karper aanbieden. De meeste discussies vinden plaats over de eiwitten en hun hoeveelheden. In feite vormen ze dan een tegenwicht op de koolhydraten (en vetten). De eiwitten zijn de bouwstoffen voor het lichaam en de koolhydraten zijn samen met de vetten de energieleveranciers. Echter, ook de eiwitten kunnen als energiebron worden gebruikt, maar in beperkte mate. Verder is voor de stofwisseling 25% nodig om die aan te zetten (SDW). Dat wijst ten dele op ondoelmatigheid. Koolhydraten en vetten kunnen omgekeerd niet dienen als eiwitten, dus als bouwstoffen. Eiwitten zijn hoogwaardiger en komen minder voor in voedingsstoffen.


De biologie van de kweekkarper

Verschillende vissoorten, biologie, voedselpakket

Vissoort  Soort eters  Voedsel  Instelling op  Darmlengte * 
Snoek  Carnivoor  Dierlijk  Eiwit  1,1 - 1,25 
Zalm  Carnivoor  Dierlijk  Eiwit  0,7 - 0,8 
Baars  Carnivoor  Dierlijk  Eiwit 
Meerval  Carnivoor  Dierlijk  Eiwit  1,3 
Kweekkarper  Omnivoor  Dierlijk/ plantaardig  Eiwit/Koolhydraten  2,5 - 3 
Zilverkarper  Herbivoor  Plantaardig  Koolhydraten/Vezels  4,6 - 7,1 


Het belang van voedingsvezels

De graskarper is het meest gespecialiseerd in watervegetatie en kan dan ook meer uit de natuur halen in dit opzicht. Er zijn meerdere aanwijzingen voor een daadwerkelijk belang van voedingsvezels voor de kweekkarper. Vanuit attractiviteit mogen voedingsvezels absoluut niet worden onderschat! Voedingsvezels zijn voor een kweekkarper van een redelijk groot belang. Niet in die mate als bij een herbivoor, maar ook niet zo weinig als bij een carnivoor. Het feit dat de karper behoort tot de maagloze vissen is een fysiologisch gegeven. Het blijkt weinig invloed te hebben op de vertering van eiwitten en koolhydraten. Het darmstelsel is er goed op ingesteld. De karper heeft geen maag, maar wel een halflang darmkanaal van 2,5 tot 3 maal zijn lichaamslengte. Voorts kan de karper met zijn keeltanden taaiere voedseldelen kauwen of kraken in het belang van een beter verteringsproces.

Te weinig vezels: Er bestaat kans op obstipatie – verstopping – en een moeilijke ontlasting is het gevolg. Doorplaatselijke drukverhogingen kunnen uitstulpingen (divertikels) in de darmen ontstaan.

Te veel vezels: De snelle darmpassage leidt tot diarree – buikloop – wat onder meer tot gevolg heeft een slechte absorptie van nutriënten uit het voedsel in de darmwand.

In beide gevallen zal de vis instinctmatig en snel het nadelige gevolg bemerken. Hoe gezond en optimaal een voer ook is, toch wordt de aantrekkelijkheid ervan op de eerste plaats bepaald door het gevoel in de darmen van de vis. Een gevoel van welbehagen staat daarbij voorop. Boilies met een uitgekiende hoeveelheid ruwe celstof veroorzaken, naar eigen ervaring, ook bij zeer lage watertemperaturen van 5-10º Celsius een uitstekende brij-ige ontlasting. Niet te dik en niet te dun. Middelen die diarree bevorderend werken om de vis veel te laten eten op een voerstek, moeten volgens mij worden afgeraden wegens een eventueel onaangenaam gevoel van buikloop. Mijn conclusie: een vezelgehalte is prima als de karper daar geen speciaal nadelig gevoel bij heeft, zowel in de zomer als inde winter.



De norm voor voedingsvezels

Ik geeft toe dat het moeilijk is om een juiste norm te stellen. Toch doe ik een poging. In ieder geval voldeed in de koude (winter)maanden zeer goed een vezelgehalte van 3,5-4 gr./240 kcal. Bij veel warmer water als 18-21º Celsius voldeed tevens een lager vezelgehalte van 3 gr./240 kcal. Algemeen gesteld: boilierecepten met vezelgehaltes van 3-4 gr./240 kcal. voldoen goed. Blijkbaar is de norm vrij stabiel ongeacht de hoogte van de watertemperatuur. De werking van voedingsvezels is echter ook afhankelijk van de aard van de vezels en de deeltjesgrootte. Zo bevatten fijngemalen zemelen dezelfde hoeveelheid als grove zemelen, maar hebben ze minder werking. De absolute getallen van het gehalte verliezen daardoor aan zeggingskracht. Van alle onderzochte vezelsoorten hebben tarwevezels het meeste effect op de gewichtstoename en de brij-igheid van de ontlasting. Ze hebben een groter waterbindend vermogen. Bij analyse bleek dat onze meest succesvolle mixen altijd tarwevezels bevatten met een gehalte van minstens 3 gr./240 kcal. Bij de aangevoerde karpers constateerde ik bij koelere watertemperaturen en direct na de vangst, dat de vissen dikwijls nog resten van de boilies in hun ontlasting hadden. In de winterperiode was dat vrijwel altijd het geval, dit in tegenstelling tot de warme zomer waar de vissen de resten van het voedsel allang weer kwijt waren (afgescheiden via de faeces). De veel tragere stofwisseling van de karper bij koud water (een gevolg van koudbloedigheid) heeft tot gevolg, dat het aas zich dan lang in de darmen bevindt.


De volgende grafiek geeft de doorlooptijd aan van een bepaald voedsel. Aangegeven is hoeveel uren het duurt voordat afscheiding plaatsvindt bij een zekere watertemperatuur. Zo is de tijdsduur bij 21º Celsius zes uur, maar is die al veel langer bij 15º Celsius, namelijk tien uur! Onderstaande grafiek verklaart waarom bij warme watertemperaturen meer kan worden gevoerd dan bij koudere. Verteringstijd van het voedsel in relatie tot de watertemperatuur, naar v. Maltzan (1935). In de zomer kan het vezelgehalte makkelijk liggen rond de 3 gr./240 kcal. en ook wel lager. Vooral een fijngemalen voer zal het goed doen. In het verleden echter bleken zeer lage vezelgehaltes als bijvoorbeeld 1,8 gr./240 kcal. in circa 50% van de gevallen te falen, tenminste dat gevoel had ik. Nogmaals, op dit gebied kan ik uitsluitend mijn eigen ervaringen geven en die van vrienden. Misschien is het natte vinger werk, maar zelf zat ik met mijn voer in de zomer vaak rond de 3 gram en in de koude tijd meestal rond de 4 gram. Eén ding is zeker: aantrekkelijk zal dat vezelgehalte zijn, dat de karper geen slecht gevoel geeft in de zomer en in de winter.



De kweekkarper als omnivoor

De ene vissoort is natuurlijk meer ingesteld op eiwitten dan de andere. De forel is bijvoorbeeld een eersteklas specialist en een carnivoor van het eerste niveau, ook wel aangeduid als insectivoor. Hij eet vooral diertjes en insecten, die zichzelf weer tegoed doen aan plantaardige organismen (de eerste producenten in de voedselketen). De voedselketen is de keten van dieren die elkaar opeten, zoals:
Plankton eninsecten; grote insecten; visjes; grote vissen; roofvissen; visotter of visarend. De kleinste diertjes bestaan grotendeels uit eiwitten en de forel is daarop ingesteld. In een uitgebalanceerd forellenvoer varieert het percentage eiwit van 38 tot 55%. Dit is dus het percentage van een specialist.

Het is bekend dat carnivore vissen snel ziek worden als ze teveel koolhydraten binnenkrijgen. De meeste salmoniden reageren door het teveel als glycogeen (dierlijk zetmeel) op te slaan in de lever. Daarom mogen in het voedsel van de forel niet meer dan 10% verteerbare koolhydraten voorkomen. De forel is van nature suikerziek, dus diabetisch en houdt lang een hoog bloedsuikerniveau, nadat hij gevoerd is met een overmaat aan koolhydraten. Van de wilde karper weten we, dat deze een bloedsuiker- en serumgehalte heeft dat 16% tot 26% hoger is dan de kweekkarper, die geldt als de ware omnivoor onder de vissen. Het verschil in bloedsuikergehalte geeft aanleiding tot de veronderstelling, dat de wilde karper veel sneller ziek zal worden door teveel koolhydraten (gelijk de forel), dan een zwaar kweekkarperras. Dientengevolge zal de behoefte aan natuurlijk eiwit voor de wilde karper ook een groter belang hebben. De “natuur”-vis is beter aangepast dan de “cultuur”-vis. De laatste is een omnivoor, een alleseter, die zowel is ingesteld op eiwitten als koolhydraten. Teveel koolhydraten maken de kweekkarper zeker niet direct ziekt! Wel zal zijn lichaam aandikken of vervetten. Een overmaat aan eiwitten zal de kweekkarper in eerste instantie gebruiken als energiebron en anders ongebruikt afscheiden. Dit duidt erop dat de kweekkarper niet is ingesteld op een speciaal voedselpakket. De acceptabele marge is bij een kweekkarper als alleseter dan ook veel groter dan bij een specialist. Een herbivoor als de graskarper is een specialist in watervegetatie en heeft zware keeltanden en een lang darmkanaal. Deze vis moet het hebben van planten, vezels en koolhydraten. Een grappige vergelijking in dit verband tussen forel en graskarper: zouden koeien die grazen in een weiland echt zo gek zijn op dat eiwitrijke biefstukje dat je hen toewerpt? Als sappig hapje tussendoortje misschien, maar de vier koeienmagen moeten echt nog vol met gras!

De instelling van diverse vissen:

Soort  Instelling  Betekenis 
Forel  insectivoor  Echte eiwitspecialist, snel ziek bij teveel koolhydraten 
Boerenkarper  carnivoor!?  Vrijwel eiwitspecialist, snel ziek bij teveel koolhydraten 
Graskarper  Herbivoor  Koolhydraten- en vezelspecialist, snel ziek bij veel eiwit en weinig vezels 
Kweekkarper  Omnivoor  Géén specialist, koolhydraten én eiwitten in beperkte mate! 


Conclusie:

Bij de omnivore kweekkarper is er sprake van een marge, waar koolhydraten, eiwitten en vetten kunnen variëren zonder dat de vis direct ziek wordt. Bij specialisten is die marge nauwelijks aanwezig.

De hoofdvragen

Wat is het ideale voedselpakket voor de kweekkarper?

Wat is in dit pakket de ideale balans van eiwitten, vetten en koolhydraten?

Is die ideale voedingsbalans altijd attractief?

Zo nee, welke balans geeft dan wél de hoogste attractiviteit?

De voedselbronnen: Het natuurlijk voedselaanbod. Dit zijn alle mogelijke voedselvormen die de vis in zijn natuurlijke omgeving ter beschikking staat. Elk water heeft zijn eigen karakteristiek en specifieke natuurlijk voedsel, zowel in rijkdom, veelzijdigheid als hoeveelheid.

De (bij)voedering. In de kweekvijver voedert de karperkweker en in het viswater voedert de karpervisser. De voedering is totaal of gedeeltelijk. Per slot van rekening gaat het om een kweekkarper die is gekweekt met een door mensen samengesteld voedselpakket.



De beperkingen op deze voedselbronnen:
Bovengenoemde voedselbronnen zijn niet zaligmakend. Want wat heb je als dier aan iets als je er niet alles mee kunt doen? Wat moet bijvoorbeeld een alleseter met een overmaat aan eiwitten of vezels? En wat zijn de gevolgen als je hard moet concurreren om je voedsel met vele andere vissen? Deze belangrijke beperkingen worden uitvoerig besproken in de volgende twee paragrafen

De fysiologie van de kweekkarper.

De populatiedichtheid (het aantal vissen)



De fysiologie van de kweekkarper

De eiwitbehoefte is in principe individueel bepaald. De minimumbehoefte heeft te maken met de instandhouding van het lichaam. Evenwicht in afbraak en opbouw is een continu proces. Extra eiwitten zijn nodig voor de groei van karpers naar volwassenheid. Ook voor de instandhouding van een (groot) lichaam zijn eiwitten van belang, maar per kilo lichaamsgewicht is minder eiwit nodig dan in de groeiperiode. De natuur kan wel iets bieden, maar er moet ook wat mee te doen zijn. Neem de graskarper die vanwege zijn keeltanden en zijn lange darmkanaal zeer goed is ingesteld op watervegetatie. De kweekkarper staat dat voedsel óók ter beschikking, maar heeft er als omnivoor veel minder aan. Wat eet de kweekkarper en wat heeft hij eraan?

In de volgende paragrafen wordt besproken:

Bovengrens eiwit
Bekend is dat het natuurlijk voedsel van karpers bestaat uit een grote verscheidenheid van dierlijke organismes. Voor een groot deel bestaan die uit eiwitten en omdat ze van dierlijke oorsprong zijn, hebben ze een hoge netto eiwitbenutting (NEB). De volgende tabel geeft een analyse van diertjes, die de kweekkarper o.a. eet. Het gehalte aan mineralen en vitamines is niet vermeld.

W. Schäperclaus (1962)

Betreft  Eiwit  Vet  Koolhydraten  Ruwe celstof 
Daphnia magna  44,6  5,2  17,0  33,2 
Daphnia pulex  58,0  6,6  17,2  18,2 
Plankton (vnl. Brachionus)  49,7  7,4  42,9   
Chironomus plumosus  56,6  4,3  16,3  12,8 
Asellus quaticus  51,5  4,4  8,60  35,5 
Clo on dipterum  57,5  26,3  8,30  7,90 


De getallen van deze voedseldiertjes kunnen variëren al naar gelang het jaargetijde, het water en de analysemethode. In de tabel is geen rekening gehouden met een vochtpercentage. Schäperclaus ging uit van volkomen droge stof. Voor een werkelijke voedingsstof betekent dit het volgende: in het algemeen bevat “droge” stof toch nog 10% vocht en bij het gemiddelde van deze tabel van 50% eiwit betekent dat dus 40% in werkelijkheid. Deze diertjes zijn natuurlijk niet het enige voedsel dat de karper eet. Algen, wieren, mosselen, slakken en nog veel meer. Wat de vis enigszins gebruiken kan, wordt ook gegeten.

Cyclops  Watervlo 


Een vergelijking met de forel:
Salmoniden als de forel worden in tegenstelling tot karpers gekweekt in speciale vijvers en/of stromend water met weinig natuurlijk voedsel. Bij de kweek van salmoniden komt het visvoer vrijwel volledig in de plaats van het natuurlijk voedsel en moet daarom uitgebalanceerd zijn. Bij karpervoer wordt altijd rekening gehouden met het aanwezige natuurlijk voedselaanbod in de kweekvijver. Het zou namelijk een grote economische fout zijn om daar geen rekening mee te houden. Waar wordt een forel nu mee gevoerd? Trouvit is een veel gebruikte pellet en de fijnste korreltjes bestaan uit 55% ruw eiwit. Dit percentage is als hoog te beschouwen in een uitgebalanceerd visvoer en geeft daarmee een indicatie voor een specialist als de forel. Conclusie bovengrens: pellets met 50% eiwit zijn optimaal voor jonge forellen. Daarentegen zijn de eiwitrijke diertjes die de omnivore kweekkarper eet het absolute maximum aan eiwit in een veel ruimer voedselpakket, dat hem ter beschikking staat. Anders gezegd: eiwitpercentages boven 45% eiwit zijn volstrekt zinloos voor de kweekkarper.

Benedengrens eiwit
Voor de kweekkarper waar wij op vissen, is er in het water altijd natuurlijk voedsel. Dat betekent dat een karper altijd wel eiwit, hoe gering ook, naar binnen krijgt. Een fysiologisch minimum? Wat is reëel? Enkele voedingsmiddelen met een laag eiwitgehalte:

Aardappel gekookt 2%

Peulvruchten 5%

Maïs 9%

Tarwemeel 10%

Griesmeel 11%



Deze koolhydraatrijke producten kan de karper prima verteren, maar ze zijn ongeschikt om op zichzelf te dienen als optimaal voedselpakket. Toch kunnen in de praktijk wel degelijk grote hoeveelheden worden gevoerd en zelfs zonder dat schadelijke gevolgen voor de karper! Een karperkwekerij voert ze namelijk ook bij een overschot in het beschikbare eiwitrijke, natuurlijk voedsel. Daarmee corrigeert de kwekerij de eiwit-koolhydraatverhouding. Daarover straks meer. Gemengd karpervoer heeft vanzelfsprekend een hoger gemiddelde eiwitpercentage dan bijvoorbeeld 8%. Alleen al de toegevoegde eieren doen het eiwitpercentage stijgen in de mix. De reële benedengrens voor samengesteld karpervoer is 8%-15%. Voor enkelvoudige producten is dat lager.

Het maximum eiwitpercentage
Een belangrijke vraag: “Is 45% natuurlijk eiwit optimaal in een ideaal voedselpakket voor de kweekkarper?” Een uitgebreid antwoord is hier op zijn plaats. Het percentage van 45% blijkt zo hoog te zijn voor de kweekkarper, zelfs al in zijn eerste levensjaren (groeiperiode), dat hij een groot deel van deze eiwitten gebruikt als energiebron. Simpel gezegd, eiwitten worden dan benut alsof het koolhydraten zijn. Eiwit is echter primair bedoeld als bouwstof. Eiwit is een ondoelmatige energiebron en grote ondoelmatigheid kan leiden tot stoornissen. Twee belangrijke citaten:

W. Müller – G. Merla (1964): “Ausserdem kann sich auch die sogenannte “spezifisch-dynamische Wirkung” des Eiweisses (Rubner), eine gewisse Erhöhung des Stofwechsels, ungünstig bemerkbar machen, wen nämlich ein Tiel des Proteins, aus Gründen des nicht anders gedeckten Kalorienbedarfs zur Energie-gewinnung verwendet werden muss.”

W.Schäperclaus (1963): “Es ist sogar möglich dass sich die Zufuhr von Kohlehydraten auch ernährungsphysiologisch günstig auswirkt, da sich ein Überschuss an Eiweiss bei Schweinen zum Beispiel nachteilig auswirkt. Nicht zum Aufbau von Körpereigenem Eiweiss verwendete Eiweissstoffe werden zur Energielieferung abgebaut und bringen dabei eine unerwünschte Erhöhung des Stofwechsels hervor.”



Voor een karperkwekerij is dit punt van groot belang. Door toevoeging van energetische voedingsmiddelen zoals granen en aardappels, kan de eiwit-koolhydraatverhouding zodanig gecorrigeerd worden, dat een optimale benutting van de aanwezige eiwitten mogelijk is. De karpers gaan bij een eiwitoverschot meer koolhydraatrijke producten eten. Er blijft dan meer eiwit over voor consumptie, wat benut wordt door een kwekerij om, óf meer karpers in de kweekvijvers te gooien, óf hetzelfde aantal vissen een stuk te laten doorgroeien.

Het is niet zomaar dat een kweekkarper in de natuur eiwitten ondoelmatig gebruikt. Juist de kweek honderden jaren lang, met als doel consumptie door de mens, bracht een afhankelijkheid van de kweekvijver voort! De kweekkarper is door de mens in de vrije natuur uitgezet en daarom biotoopvreemd. De kweekkarper is gewend energetische producten (koolhydraten en vetten) te eten! Niet alleen is de toevoeging van koolhydraten economisch gunstig, zelfs een verbetering van de algehele gezondheidstoestand kan het gevolg zijn!



W. Schäperclaus (1962): “Die Verfütterung grosser Mengen van Kohlehydraten wirkt sich offensichtlich derart aus, dass mehr Reservestoffen gebildet werden und dass die Gesamternährung reichlicher ist, denn es gilt als allgemeines gesetz dass Karpfen um so hochrückiger und gedrungener werden, je reichlicher die Bedürfnisse ihres Gesamtstoffwechsels befriedigt worden sind.”

Dat is nogal wat. De vis krijgt bij het eten van grote hoeveelheden koolhydraten meer reservestoffen (vetten) in zijn ingewanden en wordt zelfs hoger en gedrongener van bouw vergeleken met karpers, die uitsluitend van het natuurlijk voedsel aten. Zelfs al hadden ze daarvan genoeg! Met een aantal grafieken toont professor Schäperclaus dit aan. Zijn onderzoekingen hebben betrekking op spiegelkarpers, waarvan hij een foto toont.

Toelichting grafiek bijvoedering:
Hiernaast staan zes vijvers. Het gaat hier om de belangrijke verschillen in de lengte-hoogteverhouding van de karper. De lengte van de vis = L en de hoogte = H. De L/H varieert van 2.0 tot 2.6
Bijvoorbeeld:als de lengte is 60 cm is en de hoogte 30 cm, dan is de L/H = 2.0
Linksboven staat het % aan karpers, die een bepaalde L/H-verhouding hebben.

De getallen links en rechts:
De linkergetallen 0-5620 geven per vijver de hoeveelheid aan van bijgevoerde granen.
De rechtergetallen 300-1800 geven het aantal karpers aan in de zes vijvers.

Toelichting op de zes vijvers:
Vijver 1 - Géén toevoeging 40% karpers haalt een L/H = 2.3
Vijver 2 - 1200 kg toevoeging 50% karpers haalt een L/H = 2.3
Vijver 6 - 5620 kg toevoeging 50% karpers haalt een L/H = 2.2

Zeer opvallend is, dat in vijver zes géén enkele vis een L/H = 2.5 haalde, terwijl dat in vijver één nog 25% was. Voorts haalt in vijver zes 8% van de karpers een L/H = 2.1, terwijl geen enkele vis dat in vijver één haalde.

Voer 'Weissen' kg/ha Bezetting kg per hectare


Klik op de afbeelding op het te vergroten

Conclusies over het maximum eiwitpercentage:

De kweekkarper verkeert in de vrije natuur in een min of meer suboptimale voedingstoestand bij een natuurlijk voedselaanbod, dat deels bestaat uit 45% eiwit, óók al is daar genoeg van voorhanden, want hij is er fysiologisch niet op ingesteld om de in de natuur voorkomende koolhydraten voldoende te benutten.

In een optimaal voedselpakket is 45% natuurlijk eiwit veel te veel. Daarom is concurrentie met het natuurlijk eiwit ook niet zinvol en zal karpervoer met dit percentage niet aantrekkelijk zijn.

De enkele toevoeging van koolhydraatrijke producten, zal uiterst aantrekkelijk zijn in een omgeving waarin eiwitrijk natuurlijk voedsel ruimschoots aanwezig is. Die toevoeging corrigeert namelijk de ondoelmatige verhouding tussen eiwitten en koolhydraten.



Lees verder met Deel 2


Voedingsleer en karpervoer
Deel 2