Verklaringen en toelichtingen

De Fred Wilton Theorie
De belangrijkste citaten

Hier staan de belangrijkste citaten van Fred Wilton uit het boek “Carp and the Carpangler” van G.Sharman (pag. 282-283).

“Wat betreft de mogelijkheid dat hoge eiwit – “high protein” – percentages werkelijk schadelijk zouden zijn voor karpers, opper ik dat het natuurlijk voedsel van een karper dit idee compleet weerspreekt. Het natuurlijk voedsel bestaat grotendeels uit tubifex, garnalen, muggenlarven, slakken en andere waterdiertjes. Het belang van deze variatie aan diertjes in het dieet van de karper wordt aangetoond door het feit, dat het die wateren zijn waar deze voedselvormen in grote aantallen voorkomen, die de grootste vissen voortbrengen. Het zijn allemaal dierlijke vormen en als we weten dat alle dierlijke weefsels, behoudens vet, uit eiwitten zijn samengesteld, komen we tot de conclusie dat het natuurlijk dieet van een karper een hoog eiwit dieet is. Het is ook interessant te noteren dat, omdat het eiwitten van dierlijke oorsprong zijn, het natuurlijk dieet van een karper er een is van een hoog eiwitgehalte, met als gevolg een eiwit met een hoge biologische waarde. Dat is dus het dieet waartegen we concurreren, wanneer we trachten een karper over te halen ons aas eerder te nemen dan zijn natuurlijk voedsel.”
“Wanneer we dus goed kijken naar het natuurlijk voedsel van een karper, zien we dat het een dieet is dat een hoog percentage aan eiwit bevat van een hoge biologische waarde; essentiële vitamines voor het leven; plus mineralen, vetten en een heel klein percentage aan koolhydraten. Naar mijn mening, wanneer we een aas willen hebben dat steeds weer geaccepteerd zal worden door de karper, is dit het basisprincipe waaraan we moeten werken. En dit is natuurlijk de basis van alle hoog eiwit aasjes. In een goed samengesteld hoog eiwit aas bevinden zich de voedingsstoffen die een karper normaal in zijn natuurlijk voedsel vindt, maar dan in een vorm waarover wij controle hebben.”
“Ik geloof dat hoe hoger de voedingswaarde – “the nutritive value” – van aas is, hoe groter de attractiviteit zal zijn. […] Bijna alle effectieve hoog eiwit aasjes die vandaag de dag gebruikt worden, hebben een eiwitgehalte van 60 tot 70%. Dat wordt bijna altijd bereikt door caseïne in welke vorm dan ook.”

Redmire Pool

Een wereldberoemd karperwater
Het ligt in Engeland en ik verstrek er enige informatie over om in de volgende paragraaf “Discussie” naar te kunnen verwijzen.
Deze vijver werd het bekendste en beroemdste karperwater van Engeland met een unieke geschiedenis. Er is zelfs een boek aan gewijd, dat geschreven werd door Kevin Clifford en Len Arbery. Het water is klein en ongeveer 1,2 hectare. Het bezat in de beginjaren een ongelooflijke voedselrijkdom. De aanwezige karpers bleken er tot buitengewone proporties te kunnen uitgroeien en zelfs tot recordformaat. Denk aan de beroemde schubkarper “Clarissa” (44 Lbs.) die gevangen werd door de legendarische Dick Walker. En dan de magnifieke recordvis (51 Lbs.) die Chris ving in 1981. Het water stamt uit het begin van de 17de eeuw. Ene meneer Leney zorgde ervoor dat in maart 1934 een eerste uitzetting werd gedaan van 50 tweezomerige karpers, die in Nederland gekocht waren bij de voormalige Heidemaatschappij te Valkenswaard. Naast enkele klassieke schubkarpers waren het hoofdzakelijk spiegel- en naaktkarpers van het Galicische ras, gekweekt in het oosten van Polen.
Pas 17 jaar later werd voor het eerst op deze karpers gevist en met groot succes. Bob Richards ving in oktober 1951 een spiegelkarper van 28 pond (31 Lbs.) en in die tijd was dat de grootste karper ooit in Engeland gevangen. Al in 1952 deed Dick Walker zijn fameuze vangst van “Clarissa”. Aangetoond is dat een aantal van de oorspronkelijke vissen 40 tot 50 jaar konden worden. Rasperry zelfs 60 jaar! De grote karpers plantten zich regelmatig voort en hun nakomelingen bestonden voor 50% uit spiegel- en voor de andere 50% uit schubkarpers. Maar het jaar erop was het broed meestal drastisch gereduceerd. De overlevende karpers waren hoofdzakelijk van het volledig beschubde type. Trouwens, het is in de viskweek een geaccepteerd gegeven, dat spiegelkarpers in de vrije natuur kwetsbaarder zijn en zich slecht voortplanten. Dat was een van de redenen dat de OVB in Nederland besloot tot de kweek van de zogenaamde 25% wildbloedhybriden. Vanaf de jaren ’80 werden er in Redmire Pool geen uitzonderlijke vangsten meer gedaan. Met recht kan worden gesteld dat dit water als toonaangevend water in Engeland al jaren op zijn retour is.

Discussie

De volgende belangrijke stellingen van Fred Wilton bespreek ik nu:

Het natuurlijk voedsel als uitgangspunt.

De karper wordt daar het grootste waar de meeste voedselvormen zijn.

Dus moeten we concurreren met het natuurlijk voedsel.

Hoe hoger de voedingswaarde is – “the nutritive value” –, hoe groter is de attractiviteit.



Het natuurlijk voedsel als uitgangspunt.

Fred suggereert dat het natuurlijk voedsel in een water het eigen voedsel zou zijn van de kweekkarper. Want de vis eet het, leeft ervan en groeit er toch uitstekend door? Redmire Pool zou dan in zijn visie het bewijs kunnen zijn, dat hoogwaardig natuurlijk voedsel de karper excellent laat gedijen. Het voedsel daar zou dus het beste zijn wat betreft eiwitten, mineralen, vitamines (enz.). Omdat Fred het heeft over “die wateren die de grootste vissen voortbrengen”, neem ik aan dat ook hij het heeft over de grote kweekkarper. Echter, dan klopt de hierboven vermelde suggestie niet, want de kweekkarper was in Redmire Pool biotoopvreemd. Een biotoop is namelijk het milieu waarin een diersoort pleegt te leven. De kweekkarper als cultuurvis was het uitgangspunt van dit onderzoek.
Duidelijk is dat de giganten in Redmire Pool ook waren van een groot kweekras. Zou de oorspronkelijke uitzetting namelijk een ras geweest zijn van 100% wilde karpers dan was “Clarissa” echt geen 40 pond geworden! Eenvoudig gesteld, het water met al zijn kenmerkende voedselvormen bestond reeds vóór die kweekkarpers er in 1934 werden uitgezet. Het karakteristieke voedsel van Redmire Pool was al rijkelijk aanwezig, dus vóór er ooit een karper zwom. Er bestaat dus geen directe relatie tussen die karpers en dat voedsel.
Wat is dan wel het eigen biotoop van de kweekkarper? Volgens mij kan dit uitsluitend de plaats zijn, waar de vis als omnivoor (alleseter) werd gevoerd en tot omnivoor werd gemaakt door selectie en kweek, honderden jaren lang! W.Schäperclaus heeft in 1962 bewezen bij zijn onderzoekingen van klassieke spiegelkarpers, dat de toevoeging van koolhydraten in een kweekvijver niet alleen gunstig is, maar zelfs een verbetering van de algehele gezondheidstoestand van de karper oplevert. De vis krijgt zodoende meer reservestoffen in zijn lichaam en wordt zelfs hoger en steviger van bouw. Dat geldt als een algemene wet! De veronderstelling dat “Clarissa” misschien nog veel zwaarder had kunnen worden in zijn eigen biotoop, te weten de kweekvijver als de meest ideale omgeving, lijkt mij gerechtvaardigd. Zij had dan echter ook de kans moeten hebben om net als in Redmire Pool 17 jaar lang met rust te worden gelaten.

Noot 2003.

Vergelijk de ideale kweekomgeving waar de viskweker bijvoert met de massale bijvoedering door de huidige karpervissers (grote hoeveelheden boilies en partikels!) en als gevolg daarvan, dat anno 1999-2000 op vele wateren karpers tot enorme proporties uitgroeien. Voorbeelden: België, Engeland en ook Nederland, waar op 1 oktober 1999 op de Nieuwkoopse Plassen een nieuw Nederlands karperrecord werd gevestigd door Mark Schuringa met een schubkarper van 59 pond! 


Het resultaat van een dure les Een afgeblokte schubkarper van 26 pond

Maar jarenlang voeren en wachten gebeurt nu eenmaal niet in een karperkwekerij wegens consumptieve doeleinden of uitzettingen voor de sportvisserij. De omnivore kweekkarper kan veel verdragen en wordt niet zo gauw ziek als de forel, wanneer die in een andere biotoop wordt geplaatst. Toch verkeert ook de grote kweekkarper in de vrije natuur in een min of meer suboptimale voedingstoestand bij een natuurlijk voedselaanbod, dat deels bestaat uit 45-50% eiwit, ook al is daar genoeg van voorhanden. Hij was gewend om koolhydraten te eten in de kweekvijver, maar zo er in de natuur al koolhydraten voorkomen, kan hij er veel minder mee doen als de graskarper.
Het verwilderingsargument. De wilde karper is de eigenlijke natuurvis. Wat blijkt dikwijls in de praktijk, zo ook in Redmire Pool? De nakomelingen van de grote kweekvissen neigen naar het volledig beschubde type. Het heeft ermee te maken dat spiegelkarpers in de vrije natuur kwetsbaarder zijn en dus minder overlevingskansen hebben. Rod Hutchinson zegt in zijn boek “The Carp Now and Then” (pag. 249) over het broed in Redmire Pool, dat hij gelooft dat elke nieuwe generatie ieder jaar verder terugkeerde naar zijn wilde voorouders. Veel van de kleine karpers die werden gevangen, waren lang en slank van bouw. Voorts groeiden zij vrij langzaam zoals de echte wilde karper.
Ook in Nederland is dit geen onbekend verschijnsel, waarvan alle mogelijke verwilderingsvormen op vele grote wateren het bewijs zijn. Uit eigen ondervinding heb ik dat gemerkt door de vele vangsten van kleine slanke schubkarpers, bijvoorbeeld op het Amsterdam-Rijnkanaal. In Nederland komen steeds minder oude spiegelkarpers voor. Niet voor niets is er tegenwoordig een toenemende vraag naar hetzelfde ras dat in 1934 in Redmire Pool werd uitgezet. Verwildering? Is dat niet eigenlijk een aanpassing, een evolutie van de “cultuurvis” naar de “natuurvis”? Ongeveer zoals Charles Darwin al had beweerd in zijn beroemde werk “The Origin of Species”? Maar dan terug naar wat er al was, te weten de wilde karper! Van “een evolutie terug” of van verwildering zou toch zeker geen sprake zijn, als de kweekkarper in zijn eigen biotoop was geplaatst?

De karper wordt daar het grootste waar de meeste voedselvormen zijn.
Deze uitspraak is onjuist, want de hoeveelheid voedsel alleen is niet maatgevend. Die wordt ingeperkt door het totale aantal karpers in een viswater. Als er teveel monden zijn die van dezelfde tafel moeten eten, is er een tekort. Omgekeerd, bij weinig monden is er een overschot. De theoretische grens is het voedselplafond (het “stock-level”) dat al dan niet overschreden wordt. In Redmire Pool betrof het een kleine – ideale – uitzetting van 50 stuks, die werd gedaan in een zeer voedselrijk water. Het bleek dat de karpers er bijzonder goed groeiden en zelfs recordafmetingen konden bereiken.

De juiste conclusie is dat:
De relatie “aantal vissen – hoeveelheid voedsel” in Redmire Pool excellent was in die zin dat elke karper genoeg te eten kreeg om maximaal te kunnen uitgroeien. Maar het allergrootst? Want hiernaast is een fundamenteel andere situatie denkbaar, namelijk de kweekvijver waar de viskweker regelmatig bijvoert met koolhydraten.

Dus moeten we concurreren met het natuurlijk voedsel.
Concurrentie is zinloos, want het natuurlijk voedsel is principieel niet het eigen voedsel van de grote kweekkarper. Hij is biotoopvreemd in de vrije natuur. Als je al wilt concurreren, moet je dat wel doen met het voedsel uit zijn eigen biotoop. Voor wat betreft het eiwitgehalte betekent dat maximaal 30% EV. Echter, het natuurlijk voedselaanbod bestaat uit ongeveer 50% eiwit met als gevolg dat de volwassen omnivore kweekkarper een groot deel van deze natuurlijke eiwitten ondoelmatig gebruikt. Dat dient gecorrigeerd te worden. Hij gebruikt de overtollige eiwitten namelijk voor de verbranding en niet als bouwstof. Voorts heeft in een eiwitoverschotsituatie, waarvan in Redmire Pool sprake was, de toevoeging van eiwitten geen enkel nut. Er zal geen extra groei zijn (Hepher en Chervinski) en ook geen verbetering van de algehele gezondheidstoestand (Schäperclaus). De toevoeging van energetische koolhydraatrijke producten is in een dergelijke situatie echter wél productief en attractief.
Hoe kan de achteruitgang van Redmire Pool verklaard worden? Volgens Rod Hutchinson in “The Carp Now and Then” (pag. 249) was op de eerste plaats het water veranderd en hoewel nog steeds voedselrijk, was de kwaliteit niet meer als vroeger. Ten tweede, toen Rod in 1974 het water voor het laatst beviste, was het volgens hem overbezet! Met als gevolg een veel grotere voedselcompetitie dan vroeger. Die overbezetting werd veroorzaakt door de opeenvolgende generaties nakomelingen, die niet of nauwelijks werden weggevist. Volgens Rod (pag. 255) zijn belangrijke punten voor een viswater, wil dat grote vissen kunnen produceren, een lage bezettingsgraad, naast het juiste ras en voedselrijkdom. Dat is exact wat ik beweer.

Hoe hoger de voedingswaarde is – “the nutritive value” –, hoe aantrekkelijker!?
Gezien dit onderzoek ben ik het met deze stelling in het geheel niet eens. Naar mijn mening hangt de aantrekkelijkheid van karpervoer niet uitsluitend af van het eiwit%, maar is die primair afhankelijk van de relatie “voedselaanbod – populatiedichtheid” en die relatie verschilt per water.

Conclusies over de Fred Wilton-theorie:
Principieel bestaat er geen directe relatie tussen het natuurlijk voedsel en de grote kweekkarper. Dit komt omdat hij in de vrije natuur biotoopvreemd is, wat bewezen wordt door:

uitzettingen en de noodzaak daartoe,

moeilijkheden met de voortplanting,

verwildering.

Niet de hoeveelheid voedsel water bepaalt of de karpers het grootste worden, maar:

de herkomst, het ras van de kweekkarper en

het aantal karpers in relatie tot het voedselaanbod.

Concurrentie met het natuurlijk voedsel heeft geen nut, want:

het natuurlijk voedsel is niet het eigen voedsel,

in een eiwitoverschotsituatie, die noodzakelijk is om karpers maximaal te laten uitgroeien, levert de toevoeging van eiwitten: géén extra groei op en géén verbetering van de algehele gezondheidstoestand;

terwijl koolhydraten daarentegen wél productief en attractief zijn.



Noot 2003.

De volwaardige boilie met 23% - 28% eiwit is aantrekkelijk zowel uit het percentage eiwitten als door die 50% koolhydraten!  


Het praktische voordeel van lage eiwitten

Een extra voordeel
Wanneer we accepteren dat de grote kweekkarper koolhydraatrijke producten prefereert, dan heeft dit gegeven in de praktijk voor ons een extra voordeel. In de wetenschap dat de eiwitbehoefte varieert per individuele karper, namelijk jeugd, volwassenheid en grootte, zal de individuele attractiviteit van hetzelfde voer ook variëren. Deze individuele behoefte wordt in het vrije viswater nog eens benadrukt en versterkt doordat de karper die hier voorkomt, niet overal van hetzelfde ras is.
Naast de hier en daar voorkomende wilde karper zijn door de OVB sinds 1967 25% wildbloedhybriden uitgezet. De echt klassieke schubkarpers vormen samen met de oude spiegelrassen een grote minderheid, maar dan heb je ook nog allerlei tussenvormen die ontstaan zijn door verwildering. Kortom, in Nederland zwemt een ratjetoe van rassen en soorten. Dat is onder meer in de hand gewerkt, doordat het grote en vrije water overal met elkaar in verbinding staat en er in dit opzicht geen enkel gecoördineerd uitzettingsbeleid heeft plaatsgevonden. In het algemeen is er volgens mij zeer veel karper aanwezig in dit vrije water, doch slechts enkele zijn van een groot kweekras. Het eindresultaat is dat er in het vrije water relatief weinig grote karpers voorkomen – ik bedoel dan alles boven de 25 pond – temidden van vele kleinere karpers.
Het probleem is duidelijk: “Hoe pik ik die grotere karpers eruit?” Echter, een koolhydraatrijk voer geeft ons een uitstekende mogelijkheid tot “selectie”. Voor een lichter ras of een jonge kweekkarper die zich nog in de groeifase bevindt, zal een hoger percentage eiwit in de bijvoedering aantrekkelijker zijn dan voor een volwassen 30-ponder. Voor een kleinere vis zal relatief snel een tekort optreden. Hierbij genomen dat een grote vis nu eenmaal meer eet dan een kleine – volume-aspect – is de laatste meer gebaat bij een hoger eiwitpercentage in mindere hoeveelheden! Omgekeerd, wanneer een 30-ponder of een 20-plusser het voedsel van een 10-ponder zou eten, kan hij met relatief minder voedsel toe om aan zijn eiwitbehoefte te voldoen. Toch is zijn darmkanaal dan nog niet gevuld!

Conclusie:
Als in een water verschillende karperrassen aanwezig zijn en er zowel kleine als grote karpers zwemmen dan kan een karpervoer, dat voornamelijk koolhydraten bevat een soort van “selectieproces op grote karpers” bewerkstelligen! De boilie met 17-18% eiwit die ik prefereer, kan in de geschetste situatie leiden tot een “selectieproces”. Een selectie naar de grootte van de te vangen karpers, die reeds optreedt bij een korte voerperiode van twee tot drie dagen! Hoewel de werkelijkheid veel gecompliceerder is, heb ik vaak gemerkt dat één grote vis, zeg vanaf 25 pond, op mijn voerstek aanwezig was. Hij alleen lag dan te wachten, één run en niets meer. Terwijl ik bijna zeker wist, dat er de voerdagen daarvoor meerdere (kleinere vissen) langsgekomen moesten zijn. Wegvangen en opnieuw proberen was dan het motto. Dit lijkt allemaal mooi, maar de grootste moeilijkheid was, dat er natuurlijk wel een zware karper langs de voerstek moest zijn gezwommen. Als dat niet het geval was en dat kwam het meeste voor, dan ving ik ook de kleinere vissen.

De piramidetheorie

De top!
Zeer interessant in dit verband is de theorie van Mike Wilson, zoals die is weergegeven in “The Carp Strikes Back” van Rod Hutchinson. Ik veronderstel dat het idee bekend is, maar zeer beknopt komt het neer op een selectie van grote karpers met als methode een constante, langdurige voerstek. In het begin komen de kleinere vissen en naarmate de tijd verstrijkt steeds grotere vissen en tot slot de top. De grote vissen domineren over de kleinere, zoals de olifanten over kleinere dieren bij een waterbron in Afrika. Over deze theorie is veel geschreven en gediscussieerd. Is het juist om op een stek te voeren en weken, zo geen maanden te gaan wachten op de top? Ik ga op deze vraag verder niet in en heb over die “selectie” van grote karpers mijn eigen gedachte. Eén ding is heel frappant: toen Mike Wilson zijn theorie in de praktijk uittestte, deed hij dat o.a. wegens financiële redenen met grote hoeveelheden gekookte maïs. Dus een koolhydraatrijk product, maar wel gebruikt op de lange termijn voor de grote “cultuurvissen”.
Ik stel dat deze theorie, ongeacht de vraag of die klopt of niet, uitsluitend enige kans van slagen had door het gebruik van een laag eiwitproduct als maïs. Denk aan de keten: grote vissen – eiwitoverschotsituatie – toevoeging van koolhydraten! Mike Wilson deed in dit opzicht een juiste keuze. Volgens mij zou bij het gebruik van een eiwitrijke boilie Mike’s theorie in de praktijk zonder meer tot mislukken gedoemd zijn, ook al zou zijn gedachtegang volkomen juist blijken te zijn. In ieder geval komt de “selectie” met mijn gedachte overeen, namelijk geredeneerd vanuit het koolhydratenaspect in samenhang met het volume. Volgens mij heeft de grote karper veel meer belang bij koolhydraten (en vetten) dan de kleine vis, terwijl bij de waterbron elk dier evenveel belang heeft.

Noot 2003.

Dat een grote karper op den duur alleen “overblijft” op een voerstek en hij die stek lijkt te “domineren”, is volgens mij niet zozeer omdat een kleine karper wordt weggejaagd. Het is vermoedelijk meer een gevolg van van “uiteenlopende belangen”. De grote kweekkarper wil vooral graag koolhydraten eten en de kleine karper wil er ook wel wat eiwit bij!  


De aantrekkelijkheid van aardappel, maïs en brood

Eenvoudige dingen
Iedereen weet het, maar toch meen ik de volgende open deur nogmaals te moeten intrappen: er is altijd goed gevangen met de eenvoudige aardappel, de broodvlok (of korst) en (zoete) maïs. In Engeland, denk aan Rod Hutchinsons partikelvisserij en de succesvolle vangsten van Kevin Clifford in Redmire Pool, maar ook in Nederland, waar bekende karpervissers als Co Sielhorst en Hennie Mattemaker met eenvoudige producten zeer succesvol waren.
Dat karpers op een product als maïs soms zeer moeilijk te vangen zijn, is een andere zaak en meestal een dressuurprobleem, veroorzaakt doordat ze er zo vaak mee verschalkt zijn. Zeker in de warme landen als Frankrijk (Cassiën) en Spanje is maïs nog steeds een echte winner. In het pre-boilie-tijdperk viste men vrijwel uitsluitend met dit soort producten. Ook deegpasta’s gebaseerd op Kit a Kat, biggenmeel en trouvit, met een iets hoger eiwitgehalte, veelal liggend tussen 20% en 30% EV, brachten veel vis in het net. En nu zou ineens een totaal andere benadering nodig zijn? Zoals “High Protein” en “High Nutritional Value”: dus ingewikkelde boilies met dure ingrediënten om maar vooral minstens 50% eiwit te halen, nog afgezien van allerlei druppeltjes, additieven, smaakversterkers en wat al niet meer “omdat daarmee immers de supervangsten worden gedaan”.

Een simpele vraag


Waarom?
Als al die meningen en theorieën enige grond van waarheid zouden bevatten, hoe verklaren zij dan het onmiskenbare succes van de eerdergenoemde koolhydraatrijke producten? Ik weet het niet. Zeer treffend vond ik in dit verband de volgende uitspraak van Rod Hutchinson in “The Carp Now and Then” (pag. 153-154): “Ik zou echt geen reden kunnen geven waarom koolhydraten anders zouden werken dan dragers van attractors. Maar dat verklaart niet het succes van brood, aardappels en de grote meerderheid der partikels. Neem (zoete) maïs, dat mag zijn kleur en structuur meehebben en voordelig zijn in het formaat, maar er moet toch meer zijn dan dat? Het is alles bij elkaar genomen het voedsel, dat het minst voorkomt in de waterfauna. Als het echt noodzakelijk was, zou dan niet het natuurlijk voedsel van de karper plenty aan koolhydraten bevatten? Zijn omgeving zou ’t toch moeten produceren? Zoals ik zei, ik ben ‘mixed up on this one’, maar ik worstel ermee om te kunnen verklaren, waarom de eenvoudige voerbal zoveel karpers heeft doen vangen in de loop der jaren.”
Een scherpzinnige vraag van Rod die de kern van de zaak raakt. Want wat moeten de moderne theorieën ermee? Vanuit mijn zienswijze denk ik Rod wel een eenvoudig antwoord te kunnen geven. De grote kweekkarper is uitgezet in een voor hem vreemde biotoop, maar in zijn eigen biotoop – de kweekvijver – was de bijvoedering van koolhydraatrijke producten normaal. De kweker legt al eeuwenlang nadruk op selectie naar de snelle groei van de karper; tevens was dat een selectie op karpers die goed koolhydraten konden verdragen (dus omnivoor waren). Een dier is niet zomaar een omnivoor. Als een diersoort uitsluitend eiwitten ter beschikking staan, dan kan het zich alleen middels specialisatie handhaven – aanpassing en evolutie –anders sterft het uit. En de grote kweekkarper is een omnivoor?!
Je kunt niet stellen dat 50% eiwit zo goed is om mee te vissen, wanneer iemand anders met maïs in dezelfde situatie grote vangsten doet! Dat moet verklaard worden door de eiwittheorieën. En wat is dan het verschil tussen situaties met een eiwittekort dan wel een eiwitoverschot? Er bestaat toch niet een onlogisch onderscheid tussen wat alleen voor boilies zou gelden en de rest, dat wil zeggen alle andere producten? Voedsel is voedsel en wat voor soort het is, doet er in principe niet toe, de karper kan het gewoon opeten. Dat een boilie voordelen heeft als selectiviteit en structuur is niet belangrijk, want de vraag ging over iets anders, namelijk over de relatie eiwitten versus koolhydraten.

De “instantvisserij”


Wachten of voeren?
De zaak wordt extra vertroebeld door het verschil tussen “instant-respons” visserij en het vissen op voerstekken. De “instantvisserij” betekent de methode die erop gericht is een karper direct te verleiden. Dat kan zijn wat wij Nederlanders het struinwerk noemen met een pennetje en een blikje maïs. Een totaal andere manier is echter de “wachtmethode”: de stek is uitgezocht, de tent is opgezet, alles is uitgepakt, er is gepeild, het voer is erin gegooid, de hengels zijn ingeworpen en vervolgens is het uren maken geblazen ofwel het wachten op een karper, die op een gegeven ogenblik zal komen langszwemmen. Het is de bedoeling die langszwemmer direct te verleiden: “instant-respons”.
Die directe verleiding geschiedt door presentatie, maar vooral met behulp van attractors, smaakstoffen en aminozuren (enz.). Ga nou niet vertellen, dat die langszwemmer onmiddellijk kan ruiken of voelen wat het eiwitgehalte is en of er al dan geen vitamines inzitten. De karper zou er dan al eerder van gegeten moeten hebben. In dit geval is het doel van de karpervisser duidelijk: de karpers moeten direct “heads down”. Ik heb op deze vorm van visserij absoluut niets tegen en begrijp in dit verband echt wel het nut van bepaalde ingrediënten. Het is bijvoorbeeld moeilijk met betrekking tot de “hookbait” de structuur van de boilie op een constant peil te houden. Het inweken en opzwellen of het verlies van geur- en smaakstoffen hebben hun invloed en dan is er ook nog de eis van gewichtsloosheid van de pop-up.
Als het in de discussie echter gaat over de vraag, wat goed of niet goed is voor een karper, de kwaliteit van het aas, veel of weinig eiwitten, dan hebben dingen die gelden voor “instantvisserij” hier niets mee te maken. Een zeer goede “instant-boilie” met diverse attractors die wordt gebruikt om een voerstek mee op te bouwen, kan compleet falen en de voerstek totaal laten mislukken. Er gelden andere wetten op een voerstek, die erop gericht is op langere termijn de karpers “vast te houden” of “terug te laten komen”. Smaakstoffen kunnen eventueel het aas wel ondersteunen, maar spelen een uiterst ondergeschikte rol. Dit laat de mogelijkheid wel open, dat er tijdens de vissessie mee kan worden gevist als “hookbait”, maar mijns inziens is dat grotendeels overbodig. Van smaakstoffen en flavours moet zeker op een voerstek niet veel extra’s worden verwacht.

De commercie


Andere belangen!
Winkeliers en fabrikanten willen graag geld verdienen en dat is hun goed recht in deze kapitalistische maatschappij. Omdat er nu eenmaal een massale oriëntatie is op de Engelse wijze van karpervissen en de hierbij behorende eiwitingrediënten, is een bepaalde gerichtheid snel verklaard. Voorts vangen de uitmuntende reclametechnieken vooral de onwetende massa. Er wordt veel aandacht besteed aan de verpakking, leuzen, kleurtjes, flavours en smaak. In principe weet men niet wat erin zit, als het maar verkoopt en eventueel nog vangt ook.
Zo zijn vele 50% mixen gebaseerd op eenvoudige middelen als polentabloem, maïsmeel en soja. Ze bevatten in werkelijkheid vaak niet de eiwitten, waarvan gesuggereerd wordt dat ze erin zitten. Wie controleert dat trouwens? Bestaan ze niet voor het grootste deel uit koolhydraten? En de vijf eitjes die we zelf (!) aan een pond mix toevoegen, leveren die nu juist niet de kwalitatief goede eiwitten naast de mineralen en de vitamines! Nog iets, waar haalt men de “know how” vandaan, zowel in theorie als in de praktijk? De topvissers weten vaak wel beter, of in ieder geval weten zij precies waarmee zij bezig zijn.
Ik en mijn vrienden hebben nooit dure producten nodig gehad in het aas om een voerstek mee op te bouwen, integendeel. Caseïne, lactalbumine en gluten gebruikten wij zelden tot nooit! Soms ei-albumine als uitzondering met als doel de boilie beter te laten uitharden en het rollen te bevorderen. Maar dan in de (kleine) hoeveelheid die alleen dáárvoor nodig was, naast vele volwaardige gezonde producten. En tot slot, wie heeft er belang bij om bepaalde dingen duidelijk te maken? Of te beweren dat bepaalde voor de commercie gunstige theorieën niet helemaal kloppen?