|
Modern boilievissen |
|
|
Losschieters! |
|
|
Tegenwoordig is er veel bekend over boiliesystemen en de boeken en tijdschriften staan er vol van. Maar een min of meer heldere lijn is niet altijd te ontdekken. Zo zijn vele meningen en theorieën tegengesteld, soms met een grond van waarheid. Maar wat is juist of onjuist? Je probeert iets uit in de praktijk en het gaat mis. Wat kan de oorzaak zijn? Het lijkt gemakkelijk om een karper te haken en hoewel het af en toe goed gaat, blijkt er in de praktijk toch een enorme kloof te bestaan tussen goede en slechte systemen. Potentiële topdagen kunnen verworden tot complete sofdagen en een machteloos gevoel borrelt op. Niets is vervelender dan na veel moeite – voorbereiding en visuren – eindelijk een aanbeet van een karper te krijgen om die vervolgens binnen luttele seconden te verspelen.
De meeste karpers worden al verspeeld ruim voordat de visser zijn kwaliteiten in de dril kan tonen. Hoe slechter het gebruikte systeem is, hoe meer losschieters er te verwachten zijn. Soms gaat het zo vlug dat de visser niet eens bemerkt, dat hij een aanbeet heeft gemist. Een indicatie van een gemiste aanbeet kan zijn: een korte, stevige klap op de hengeltop, een korte stoot op de waker, of het even naar voren schieten van de lijn. Nog duidelijker is het wanneer je een mooie run krijgt, maar de vis bij het oppakken van de hengel losschiet. Of er is een kort contact en los is ie! Bij twijfel doet men het probleem vaak af met de dooddoener “lijnzwemmers” of “dat kan ook een winde zijn geweest”. Gemiste kansen?
“Nee hoor, ik heb bijna 100 procent!”, is een kreet die ik vaak gehoord heb. En als ik dan zeg wel eens 30 procent losschieters te hebben gehad, kijken ze me ongelovig aan! Als ik mijn definitie zo verander dat ik alleen als verspeelde vissen tel, die ik daadwerkelijk heb gevoeld met een kromme hengel. Tja, dan heb ik ook 99 procent! Volgens mij doen vele karpervissers aan een soort struisvogelpolitiek. Ze interpreteren de werkelijkheid onjuist en houden eigenlijk alleen zichzelf voor de gek. |
|
|
Het prik- of schriksysteem |
|
|
Het onderwerp wil ik hier beperken tot het boiliesysteem dat “zelf haakt”. Een veelgebruikte term is in dit verband het “prik- of schriksysteem”. Eenvoudig gezegd betekent dit, dat een karper zichzelf haakt zonder tussenkomst van de visser, die voor de zekerheid nog wel even aanslaat. Het “hoe en waarom” van het systeem zal ik trachten te verklaren en te vertalen naar de praktijk, voorzover ik daar zelf enige zekerheid over heb. In de eerste plaats gaat het me om het grove onderscheid tussen goed en fout, zodat de lezer een stevige leidraad krijgt. Hopelijk weet hij dan in welke richting hij iets moet zoeken. Niet altijd is te zeggen wat het allerbeste is. Was dat maar waar. Zelf ben ik nog lang niet uitgezocht en uitgeleerd. Met een goede basis zal de lezer verder kunnen werken aan zijn eigen succes en kan hij een eigen mening vormen over dingen als de onderlijn, de haak, de rig (enz.). Tenslotte hoop ik dat de lezer niet teleurgesteld zal zijn als hij in dit boek niets vindt over de laatste rigs, de nieuwste slimmigheden en unieke geavanceerde methodieken. Daarvoor heb ik de volgende redenen: |
|
|
|
|
|
 |
Het is moeilijk schrijven, waarover je geen ervaring hebt. |
 |
Een zeker gemis aan ervaring vloeit grotendeels voort uit de Nederlandse vissituatie. In Nederland hoefde ik bijna nooit naar moeilijke systemen te grijpen. In Engeland is dat anders. Dressuur door zware hengeldruk komt op groot water – waar ik veel vis – nauwelijks voor. Denk aan de grote plassengebieden, de kanalen en de rivieren. De karpers worden daar veel te weinig voor gevangen. |
 |
De experts, veelal uit Engeland, schrijven wel over de laatste ontwikkelingen. Ik verwijs daar dan ook naar. Let wel, de situatie is daar totaal anders! Hebben wij dat allemaal wel nodig? |
 |
In Nederland heeft het vissen op een voerstek het extra voordeel, dat de karper die van nature (of door een vorige vangst) argwanend is onvoorzichtiger en gretiger wordt. Kortom, voeren bevordert het vertrouwen bij de karpers. |
|
|
|
|
|
|
Al met al ben ik van mening, dat wij goed af zijn in Nederland en dat wij met een goed opgezet “standaard priksysteem” heel ver kunnen komen. Het is niet nodig en niet gewenst te beginnen met de oersystemen uit de begintijd en dat je dus de ontwikkelingen in de praktijk op groot en maagdelijk water zou moeten nabootsen. Dat is gewoon onzinnig. Ontwikkelingen zijn vaak verbeteringen. Gebruik wat goed is en dus niet: |
|
|
|
|
|
 |
Onschuldige beginnerssysteempjes met bijbehorende kinderziektes. |
 |
Supermoeilijke, bijna niet na te maken rigs. Of ze werken niet eens, ondanks dat men dat wel denkt, of ze zijn bestemd voor een heel precies doel en niet in het algemeen. Kortom, weet waarmee je bezig bent! |
|
|
|
Het doel van het priksysteem |
|
|
Eigenlijk is het doel van elke karpervisser om elke aanbeet die hij krijgt, zo goed mogelijk te benutten. Wat we met het priksysteem willen bereiken is vrij vertaald het volgende:Een karper bijt aan door het visaas met de haak in zijn bek te nemen en vervolgens weg te zwemmen,maar krijgt in zijn beweging slechts een beperkte ruimte toegemeten, waarna een abrupte en sterke weerstand ervoor zorgt in combinatie met een schrikreactie,dat de vishaak zodanig in de vissenbek dringt, dat de karper er niet meer vanaf kan.De bevestiging van de boilie dient de haak te helpen om zijn werk te doen, of in ieder geval mag die absoluut geen negatieve invloed hebben op de werking van de haak. Dus het belang van een goede aasbevestiging.
|
|
|
Hoe een karper een voedselbrok opneemt |
|
|
|
|
|
In slowmotion eet een karper een brok als volgt: |
|
|
 |
De karper zuigt door zijn bek volledig af te sluiten, |
 |
het water in zijn bek door zijn kieuwen te persen, |
 |
de kieuwen strak te sluiten, |
 |
de spieren in zijn bek zodanig te gebruiken, |
 |
dat er een grote interne holte ontstaat, |
 |
de bek die iets uitstulpbaar is, |
 |
wordt vlakbij de voedselbrok gebracht, |
 |
en plotseling opengesperd, |
 |
waardoor er een flinke gerichte waterstroom ontstaat, |
 |
waardoor de voedselbrok zeer vlug naar binnen floept. |
|
|
|
|
|
|
Een karper kan de graad van opzuigen zelf bepalen, afhankelijk de voedselgrootte en gretigheid. De gemeten opzuigsnelheid kan bij karpers van 28 tot 35 cm, zelfs 60 cm per seconde zijn! Dat geldt ook voor de grotere vissen. Ze zuigen niet harder, maar ook niet per se langzamer. Het groter zijn en meer kracht hebben, zegt nog niets over het opzuigen van iets. Denk aan een smal buisje waarmee gemakkelijk een propje kan worden opgezogen in vergelijking tot een brede buis, waar per vierkante cm van de zuigopening verhoudingsgewijs evenveel kracht moet worden gebruikt voor hetzelfde resultaat. Een voedselbrok wordt niet tussen de lippen genomen! Behalve als het voedsel vastzit, zoals bij slakken en mosselen. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
De karper proeft en selecteert, afhankelijk van zijn gretigheid, het voedsel met een smaakkussen, ofwel het verhemelte-orgaan. Als het voedsel niet bevalt, of als de vis onraad bespeurt dan stoot hij het zeer vlug uit door een flinke drukgolf. Bevalt het wel dan wordt het verder getransporteerd door vastklemmen tussen het verhemelte-orgaan (boven) en het achtertongorgaan (onder), die samen het voedsel in schokjes opduwen in de kauwholte. In deze kauwholte geschiedt het kauwen of kraken door de keeltanden (onder) en de hoornplaat (boven), afhankelijk van de soort van voedsel. Ten slotte worden de voedseldeeltjes ingeslikt, dus in de slokdarm gebracht.
|
|
|
De onderlijn en het vastlood |
|
|
|
|
|
De volgende vragen zijn erg belangrijk: |
|
|
 |
Wat is de juiste lengte van een onderlijn? |
 |
Wat is de beste ligging van de onderlijn en hoe realiseer je die? |
 |
Zijn er eisen aan het materiaal van de onderlijn? |
|
|
|
|
|
|
Het is duidelijk dat de karper in ieder geval voldoende vrijheid moet hebben om de boilie met de haak goed op te kunnen nemen. Met een zwembeweging verplaatst de vis zich en in het priksysteem is het de bedoeling, dat de onderlijn zich in dat geval strekt. In het ideale geval zal de haak in de vissenbek zo snel mogelijk vlees pakken, waarna onmiddellijk zoveel weerstand wordt opgebouwd, dat er een goede inhaking wordt verkregen. Misschien is dit ingewikkeld gesteld, maar daarom is het niet minder belangrijk. Het gaat er even om alles op een rijtje te zetten en te beredeneren wat er in feite gebeurt. |
|
|
|
|
|
 |
Als de karper de boilie heeft opgenomen, kan de onderlijn zich strekken: |
 |
|
 |
gebeurt dat te vlug dan is een slechte opname het gevolg; |
 |
gebeurt dat te laat dan neemt de kans op uitspuwen toe. |
|
|
|
|
|
|
Op het moment dat de onderlijn zich gaat strekken, wordt er een halt toegeroepen aan de bewegingsvrijheid van de vis. Kortom, de lengte van de onderlijn geeft de vrijheid aan die de karper maximaal kan krijgen. Wanneer aan het einde van de onderlijn direct veel weerstand wordt opgebouwd, bijvoorbeeld met behulp van een zwaar wartellood, hebben we dus te maken met een vastlood-systeem. |
|
|
Dit begrip houdt in dat: |
|
|
 |
Het lood is vastgezet op de lijn en |
 |
Het lood direct zoveel weerstand oproept, dat de haak goed gezet wordt in de vissenbek; tot over de weerhaak en dus niet alleen het puntje! |
|
|
|
Een eenvoudig vastlood-systeem |
|
|
Afbeelding 14 tekening vastlood-systeem (pagina 134 boek) |
|
|
Toelichting: |
|
|
 |
De onderlijn – haak tot en met wartel. |
 |
Beschermers in de vorm van kleine rubbertjes of silicone; liefst geen harde kraaltjes! |
 |
Stevige afhouder van 4 cm, plus bevestigingsbead. |
 |
Speldwartel. |
 |
Wartellood, minimaal 50 gram, zelf prefereer ik 60-70 gram. |
 |
Twee of drie kleine rubbertjes als backstop. Het geheel dat op de tekening staat wordt tegen elkaar geschoven. Het vastlood-systeem dat nu ontstaat, is ethisch gezien volkomen verantwoord. Breekt namelijk tijdens de dril de lijn boven de stuitjes, dan raakt de vis reeds na korte tijd het lood kwijt, omdat de stuitjes langzaam over de hoofdlijn wegglijden. Ze zijn klein, soepel en veerkrachtig en beschadigen de lijn niet en zijn meerdere malen bruikbaar. Je kunt ze gewoon op de hoofdlijn laten zitten bij het inpakken. Met een simpele verschuiving kan tijdens het vissen een “oploopsysteem” worden gemaakt. Echter, bij het gebruik van een kevlarvoorslag is het beter om deze stuitjes te vervangen door een stukje silicone (1 cm) en dat vast te zetten met een bezemsprietje. |
 |
De hoofdlijn – is voor mij algemeen 32-35/00 Maxima. |
|
|
|
Optimale weerstand |
|
|
Met Rod Hutchinson ben ik het volledig eens, dat vrijwel alle rigs het beste werken onder zoveel mogelijk weerstand. Die weerstand kan als volgt worden opgebouwd: |
|
|
|
|
|
 |
Vastlood: 50-80 gram. |
 |
Strak gespannen hoofdlijn. |
 |
Hengel schuin omhoog gezet met spanning op de top, mag zelfs krom staan. Echter zonder dat het lood verplaatst wordt. |
 |
Baitrunner in zware stand. |
 |
Zware swinger of staafwaker om “ dropbacks” goed te kunnen zien. |
|
|
|
|
|
|
Kortom, het is het beste om zo plotseling en zo zwaar mogelijk veel weerstand op te bouwen! Een kleine relativering is op zijn plaats. Het vastlood geeft de grootste klap en heeft in het geheel van de opgebouwde weerstand een belang van zeker 80-90%! Als het in de praktijk niet mogelijk is om met een strakke lijn te vissen en met een omhoog gerichte hengel, dan geeft het dus gelukkig niet zoveel. Maar 100% is het niet. Om allerlei redenen (uit een boot vissen, overvarende schepen, stek, dressuur (enz.) kan het soms beter zijn met een losliggende lijn te vissen en dan dient het systeem dus ook te werken. |
|
|
De minimumlengte van de onderlijn |
|
|
De lengte van de onderlijn Zoals we hebben gezien, gebeurt de opname van een voedselbrok of boilie door de karper snel tot zeer snel. Om hier een idee van te krijgen, geef ik nu een voorbeeld dat veel duidelijk maakt. Stel |
|
|
|
|
|
 |
De karper heeft een inzuigsnelheid van 60 cm per seconde; |
 |
De inzuigafstand in de bek is 10 cm; |
 |
De afstand van brok tot bek is 3 cm; |
|
|
|
Toelichting: |
|
|
De totale verplaatsing is 13 cm. De tijd die nodig is, is 13:60=0,2 ofwel 1/5 seconde. Hiervoor zijn twee vanzelfsprekende voorwaarden:
1 Gedurende deze 1/5 seconde dient de vis in een stilstaande positie te verkeren, anders is er meer verplaatsing dan 13 cm. 2 De voedselbrok dient over de genoemde 13 cm vrij te worden verplaatst zonder een enkele belemmering, hetgeen maximaal is bij een vrijliggende boilie of brok. |
 |
|
|
|
|
|
|
 |
Conclusie 1 In het voorbeeld duurt de stilstand 1/5 seconde. Bij een grote verplaatsing van de boilie, zeg 30 cm bij een grote karper, duurt de stilstaande positie in tijd uitgedrukt, hooguit nog maar een 0,5 seconde! Een gevolg is dat een tijd langer dan ½ seconde in geen enkele geval meer noodzakelijk is. De eerste fase van de opname, namelijk de inzuiging is dan reeds geschiedt. Onbekend is of de visdaadwerkelijk tijdens de inzuiging stilstaat of toch in beweging is. Is de vis in beweging dan is het gevolg daarvan zeker, dat de verplaatsing van de boilie groter is dan 13 cm in het voorbeeld. De grotere verplaatsing dan 13 cm dient ook nu zonder belemmering te zijn. Dus: Bij een verplaatsing van 13 cm stilstand hoeft 1/5 seconde te duren; Bij een verplaatsing van 30 cm stilstand van ½ seconde is ruim voldoende. |
 |
Conclusie 2 Hier is een verplaatsing zonder belemmering een vereiste. Bij het gebruik van een onderlijn van 13 cm betekent dat, dat deze wel voor de volle 100% moet worden benut. Kan dit niet, dan dient in dit voorbeeld de onderlijn langer te zijn dan 13 cm. In het voorbeeld zou de onderlijn dus een absolute minimumlengte moeten hebben van 13 cm, maar die zou langer kunnen zijn, wanneer: De vis in beweging is tijdens en na de opzuiging; De onderlijn om wat voor reden dan ook, niet maximaal benut zou kunnen worden. |
|
|
|
Wanneer kan een onderlijn maximaal benut worden? |
|
|
De materiaaleis.
Op de eerste plaats is voor het materiaal een voldoende soepelheid van belang. Reeds vanuit het oogpunt van een optimale bewegingsvrijheid is een stugge of springerige onderlijn niet aan te bevelen. Met de huidige moderne materialen is dat geen probleem. “Multistrands” zijn soepel genoeg met een hoge trekkracht. Zoals altijd zal er ook wel weer een nadeel zijn: het probleem van het vies worden door vuil en verder het in de war gooien of raken is hier veel groter dan bij de gewone of gevlochten onderlijnen. Kevlar is het stugste, maar heeft wel het voordeel schuur- en slijtvast te zijn. Toch prevaleert soms het gebruik van dit kevlar in de praktijk, gelet op het gevaar van allerlei scherpe of ruwe zaken als driehoeksmosseltjes, riet, takken en bomen.
De goede ligging
Een aantal voorbeelden: |
|
|
|
|
|
De onderlijn ligt gestrekt naar rechts en de vis komt van rechts. Bij stilstand is het moeilijk, zo niet onmogelijk voor de vis om ook maar een paar centimeters te benutten. Er is een grote belemmering. Bij een beweging naar links wordt de belemmering minder: veel nadeel. |
 |

|
|
|
|
|
|
De onderlijn ligt gestrekt naar links en de vis komt van rechts. Bij stilstand is er een behoorlijk voordeel. Bij beweging naar links zal de mogelijkheid tot opzuiging moeilijker worden. Hier zijn nog allerlei tussenvormen mogelijk, maar zeker is dat een gestrekte onderlijn altijd in meer of minder mate een nadeel oplevert. Conclusie: het aantrekken van een onderlijn is niet aan te bevelen. Ook niet omdat er bij een totale verschuiving vuiligheid op de haak kan komen. |
 |

|
|
|
|
|
|
De onderlijn ligt in kringels en de boilie ligt dichter bij het beginpunt (het lood). Vergeleken met de bovenstaande drie situaties levert dit een aanmerkelijke verbetering op. Hoe dichter de boilie bij het beginpunt ligt, hoe idealer zal de ligging zijn. Bij het vissen op grotere dieptes dan twee meter, zeg vier tot tien meter, zal het visaas na het ingooien automatisch steeds dichter – dus idealer! – bij het beginpunt liggen. Maar wat is eigenlijk de meest ideale situatie? Dat is de vrijliggende brok. Waarom dan? Daar zijn het begin- en het eindpunt – de boilie – op dezelfde plaats! |
 |

|
|
|
|
|
|
De vrij liggende boilie. Vraag: zou het mogelijk zijn om bij een onderlijn het beginpunt bij het eindpunt te leggen? |
 |
|
|
|
|
|
|
Ja, dit is mogelijk! Van welke kant de karper nu ook aan komt zwemmen, hij heeft naar elke richting evenveel ruimte, vergelijkbaar met de losse boilie. |
 |

|
|
|
|
|
|
Gewone onderlijn |
 |

|
|
|
|
|
|
Afbeelding 22 tekening onderlijn rond (pag 138 boek) De onderlijn wordt geheel teruggebogen, zodanig dat de onderkant van de haak tegen het onderste oog van de wartel komt te liggen. De knoop van de onderlijn wordt iets opzijgeschoven. Een stukje dun PVA, (folie oplosbaar in water) van 3 tot 4 cm wordt door dit oogje gedaan en vervolgens wordt een simpele knoop gemaakt. De haakpunt wordt door het gat van het knoopje gestoken tot waar de bocht begint. Tot slot wordt het PVA-knoopje aangetrokken en worden de overbodige stukjes afgeknipt.
Gevolgen: Zowel het beginpunt als het eindpunt liggen bijna ideaal bij elkaar. Alleen de lengte van de haak komt er nog bij. Daarom kan deze in centimeters bij de onderlijn worden opgeteld. In het water lost het PVA in korte tijd op en ligt de haak weer los van de wartel. Van welke kant de vis nu nadert, maakt niets uit, want de totale lengte kan volkomen worden benut. Een extra voordeel van de PVA-ligging is, dat het tevens als een “anti-tangle” systeem fungeert, dus het in de war gooien voorkomt! |
|
|
Toch zijn er ook bezwaren voor het gebruik van PVA |
|
|
 |
Vaak bederft witvis als voorn en brasem in de praktijk de ideale ligging, zeker in de zomer dikwijls al na enkele minuten en dan is er geen beginnen meer aan. Netjes zonder PVA ingooien is dan het devies! |
 |
De stroming die alles dwars kan zitten, ook daarvoor heb ik nog geen oplossing. |
 |
Ook is het lastig als het regent. |
|
|
|
|
|
|
In de praktijk blijkt een en ander nogal mee te vallen. Het gaat om het idee erachter. |
|
|
De lengte van de onderlijn |
|
|
Alleen met een puur theoretische benadering komen we er niet. De ervaringen uit de praktijk zijn zeker zo belangrijk. Uit mijn vele vangstgegevens blijkt, dat voor opname en beweging een lengte van 30 cm ruimschoots voldoende is. Een kortere lengte heb ik nauwelijks uitgeprobeerd omdat mijn vangstpercentage bij 30 cm in de orde van 90% lag! De beantwoording van de vraag of het korter zou kunnen en hoeveel centimeters beslist nodig zijn, beschouw ik als puur academisch. Het antwoord is nauwelijks nodig als het praktische resultaat goed genoeg is. Wat mij opviel is dat bij watertemperaturen hoger dan 15% Celsius mijn vangstpercentage daalde naar 75%.
Wat kan de algemene oorzaak zijn, even afgezien van de haak- en aasbevestiging, van een hogere score bij lage watertemperaturen? Omdat de karper een koudbloedig dier is, is zijn lichaamstemperatuur dezelfde als zijn omgeving: het water. In de winter is dit goed te merken aan de zeer trage runs en het slome vechten. Bij een hogere watertemperatuur wordt het lichaam warmer en de activiteit van de vis groter. Hij eet meer, zijn stofwisseling gaat sneller en hij zal meer en sneller bewegen. Het geschetste probleem moet te maken hebben met een snellere beweging of een grotere gretigheid. In de winter en het voor- en najaar is er voor de visser nauwelijks een probleem. De grootste fout is juist het tegenovergestelde: het geven van teveel ruimte, zoals onderlijnen die ruim langer zijn dan 30 cm en het zogenaamde “oplopen”. Vastlood plus 30 cm zijn zelfs een must bij lagere watertemperaturen en vooral het “oplopen” dient hier, of zeer kort, te worden afgeraden. De karper heeft als gevolg van zijn lage bewegingsritme ruim voldoende tijd om onraad te bespeuren en vele losschieters zijn een direct gevolg. |
|
|
De onderlijn: korter of langer dan 30 cm? |
|
|
 |
Korter is dan 30 cm? Dit heeft tot gevolg, dat de mogelijkheid van de opname kritieker wordt en dat er in mindere mate een beweging mogelijk is voor de zelfhaking. Deze situatie houdt meer risico in. Wanneer 30 cm goed is – ik ga even uit van de winterperiode – dan kan een kortere onderlijn principieel niet beter zijn in de zomer, als de vis veel actiever is. |
 |
Langer is dan 30 cm? Verlenging betekent dat de mogelijkheid van opname minder kritiek wordt en dat meer beweging wordt toegestaan. Omdat in de zomer de beweging sneller is, is de verplaatsing van de vis in dezelfde tijd groter dan in de winter. Dit kan een oorzaak zijn van een lager vangstpercentage in de zomer. Tot op zekere hoogte kan een verlenging geen kwaad. De beperking ligt bijna uitsluitend in de kans die de vis extra zou kunnen krijgen om ’t visaas uit te spuwen. Ik prefereer 35-37 cm in de zomer. |
 |
Beter wordt neergelegd? Dit is zeer belangrijk, zowel in de winter als in de zomer. Uit het theoretisch onderzoek blijkt ’t zonder meer een voordeel te zijn, maar stroming en witvis bederven deze mogelijkheid nogal eens. |
|
|
|
|
|
|
Tot slot, nog het volgende. Ik ben steeds uitgegaan van een vastlood-systeem. De vrijheid die de vis nodig heeft, zoals die uitvoerig is beschreven, heeft de karper in voldoende mate gekregen door de lengte en de ligging van de onderlijn. In principe is een grotere lengte overbodig en zeker in de winter kan dat nadelig werken voor het priksysteem. Naast het vastlood-systeem wordt echter vaak het “oplopen” gebruikt. De eerste jaren dit ik dat ook en met wisselend succes: goed gaande in de zomer, maar slecht in het najaar en in de winter. |
|
|
Wat is oplopen? |
|
|
 |
Afbeelding 23 tekening “oplopen” (pagina 139 Boek) |
 |
De onderlijn, de afstand haak tot wartel, stel 30 cm. |
 |
Het schuifpunt, hier is algemeen het lood; zie tekening vastlood-systeem. |
|
|
|
|
|
|
De backstop: de rubberstuitjes. De afstand tussen 2. en 3. is een extra bewegingsruimte van stel 10 tot 35 cm. De totale lengte kan dus variëren van ongeveer 40 tot 65 cm en dat houdt een grote bewegingsruimte in. De enige reden om hiervoor te kiezen kan zijn, dat de karper dan meer ruimte ter beschikking krijgt voor zijn beweging waardoor hij sneller zwemt en zich als gevolg daarvan dan ook beter prikt. Hier kun je een vraagteken achter plaatsen. Naast de ‘overbodige’ ruimte is er nog een ander belangrijk nadeel. Omdat er een splitsing is tussen 1. en 2. + 3. Is er sprake van twee verschillende soorten vrijheden, namelijk:
De onderlijn – met maximale vrijheid en De schuifruimte – met een schuifpunt, dat afhankelijk van de zwemrichting van de vis een bepaalde hoeveelheid weerstand levert, hoe klein ook. Het gevolg kan zijn dat de onderlijn zich strekt en langzaam de bek begint uit te glijden zonder dat er al een stopmoment (de weerstand) is. In het beste geval komt de plotselinge weerstand nog net op tijd. Anders kan het visaas + haak even aan de voorkant van de bek blijven hangen met alle gevolgen vandien, de vis krijgt gelegenheid onraad te bemerken. Hij kan tot uitspuwen overgaan. Bij een vastlood-systeem glijdt de onderlijn snel de bek uit met een direct opgebouwde weerstand.
Het eventuele voordeel van meer bewegingsruimte met een betere inprikkans is op zichzelf niet eens bewezen, maar in het geval dat het aanwezig is, weegt het niet op tegen het nadeel van de mogelijke weerstand door het schuifpunt. Wil je meer bewegingsruimte geven, dan blijft het vastlood-systeem toch de beste oplossing, want door een simpele verlenging van de onderlijn naar 50 of 55 cm wordt het geschetste nadeel geheel opgeheven. Het oplopen is in deze zin niet meer dan een kunstmatige verlenging van de onderlijn met bijkomende nadelen. |
|
|
Het materiaal van de onderlijn |
|
|
|
|
|
De onderlijn moet aan de volgende eisen voldoen: |
|
|
 |
Trekkracht – minimaal 15 pond; normaal is 20 pond. |
 |
Soepelheid – met als voordeel: een betere beweeglijkheid, waardoor de onderlijn maximaal benut kan worden en dat de karper zo weinig mogelijk merkt. |
 |
Uitgaande van de benodigde trekkracht is het gewone nylon in de dikkere maten veel te stug en te springerig en is daarom niet aan te bevelen. De gevlochten lijnen dienen de voorkeur. Goede ervaringen heb ik opgedaan met die van het merk Berkley. Echter het feit dat die gevlochten lijnen in het water omhoog gaan staan, zou een nadeel kunnen zijn. Voor het vangen maakt het meestal niet veel uit, maar bij lengtes van 35-40 cm kan het problemen geven, daar de lijn wel erg omhoog gaat staan. Kans op in elkaar draaien bestaat, naast de mogelijkheid van het in de war gooien. De afgelopen jaren zijn er weer nieuwe materialen op de markt verschenen, zoals de multi-strands en gamabraid. Door gebrek aan ervaring kan ik weinig zeggen over de multi-strands, maar met gamabraid heb ik meer ervaring. De voordelen waren een hoge trekkracht bij een vrij geringe diameter. Er is grote soepelheid en het staat nauwelijks omhoog. Nadeel was wel een lage schuurvastheid. |
 |
Schuurvastheid – voor bescherming tegen scherpe en ruwe dingen, als riet, mosselen, stenen, zware plantengroei, takken, wortels (enz.). |
|
|
|
|
|
|
De gewone gevlochten onderlijnen schieten hier vaak tekort, evenals gamabraid en kryston multi-strand! Als de praktijk een hoge schuurvastheid verlangt en dat een hogere prioriteit heeft dan de eis van soepelheid, is het gebruik van kevlar onderlijnen aan te bevelen. Bijvoorbeeld zoals die gemaakt worden voor roofvis! De stugheid is natuurlijk wel een nadeel, maar het gaat niet tot nauwelijks kapot tussen takken of driehoeksmosseltjes. Te grote stugheid kan gedeeltelijk verholpen worden door de lijn te voorweken in een wasverzachter, maar waarschijnlijk wordt de schuurbestendigheid dan minder.
Wegens de enorme trekkracht – tot 30 pond toe – en de formidabele schuurvastheid kunnen kevlar-lijnen zeer goed gebruikt worden als een voorslag of een zogenaamde “shockleader” van een tot enkele meters in allerlei gevaarlijke omstandigheden. Zelf gebruik ik het meest een lengte van ongeveer twee meter met erop gemonteerd een stukje silicone van 1 cm met een bezemsprietje dat fungeert als backstop in het vastlood-systeem. Aan de onderkant maak ik een lus, waar doorheen eenvoudig het warteltje van de losse onderlijn kan worden gehaald, na eerst aan de waterkant de rubbertjes en het afhoudertje met wartellood erop geschoven te hebben. Een extra voordeel van een kevlar-onderlijn is, dat die veel minder omhoog gaat staan dan een gewone gevlochten onderlijn, wat zeker bij lengtes boven 35-40 cm van belang is. Echter dit voordeel is ook aanwezig bij de multi-strands en gamabraid. |
|
|
Modderbodems |
|
|
Het vissen op een zachte bodem brengt voor het vastlood-systeem moeilijkheden met zich mee. Afhankelijk van de dikte van de zachte modderlaag kan het wartellood er helemaal in wegzakken en de onderlijn met zich meetrekken. Afbeelding 24 tekening loodverlenger bij zachte bodem (pagina 140)
Voor wat betreft het lood is er een eenvoudige oplossing voorhanden. We maken een verlengstuk aan het wartellood. Die maken we als volgt. We nemen een stuk harde tube van minimaal drie cm of naar behoefte 10 tot 15 cm. Verder behoeven we een dik stuk nylon van stel 35/00. Dat nylon binden we goed vast aan de wartel van het wartellood en trekken vervolgens de nylon dubbel door de tube, waar bovenop we een gewone wartel knopen. Wartellood plus verlengstuk kunnen dan normaal in de speldwartel worden gehangen. |
|
|
Het mechanisme van zelfhaking |
|
|
Bij het napluizen van mijn vangstgegevens van zeker 300 karpers vond ik iets heel opmerkelijks. Ik heb altijd het punt genoteerd van de eerste inhaking in centimeters uitgedrukt vanaf de voorkant van de vissenbek. Die afstand varieerde van de rand van de lip tot ver naar achteren. Eenmaal had ik zelfs een inslikker(!) en dat bij vastlood en 35 cm, maar dit terzijde. Het blijkt dat de meeste eerste inhakingen vóór in de bek zijn en de piek valt tussen 1,5 en 2 cm, waarbij over het geheel gezien een inhaking van 4 cm of meer zeer zelden of nooit voorkomt. Ongeacht: |
|
|
|
|
|
 |
De watertemperatuur, |
 |
De lengte en de ligging van de onderlijn, |
 |
De haaksoort, |
 |
De grootte van de haak, |
 |
De grootte van de karper. |
|
|
|
De constante eerste inhaking |
|
|
Zeker is dat een karper voldoende tijd krijgt voor de opname, waardoor de boilie veel dieper dan 2 cm in de vissenbek kan komen en zeer waarschijnlijk ook komt. Een theoretische verbetering in ligging middels PVA en/of lengte van de onderlijn zou meerdere centimeters winst moeten opleveren. Uit de grote hoop van inhakingen van 1,5-2 cm blijkt dat niet zo te zijn. In het beste geval verschuift de piek slechts 0,5 cm en komen er wat minder inhakingen naar de rand van de lip toe. Hoewel die 0,5 cm een duidelijke winst bleek in de praktijk, is dat eigenlijk toch wel weinig. Die specifieke prikafstand van 1,5-2 cm kan logisch geredeneerd alleen maar een aanwijzing zijn voor de wijze, de manier waarop het mechanisme van zelfhaking in de vissenbek werkt. Omdat de watertemperatuur en de grootte van de karper geen invloed hebben op de prikafstand, betekent dit ook dat het mechanisme constant werkt. Een goed inzicht in de werking van dit mechanisme kan van groot belang zijn voor de haaksoort en de bevestiging van de boilie. In de tekening hieronder wordt het mechanisme – wat er eigenlijk gebeurt – zo duidelijk mogelijk aangegeven.
Afbeelding 25 tekening grote karperkop + arcering (pagina 143 boek) |
|
|
|
|
|
 |
Dit zijn de boilie + haak die bij een goede opname veel dieper in de bek komen dan 2 cm. |
 |
Dit is de onderlijn die zich strekt en door het zwemmen van de karper uit de vissenbek gaat schuiven. |
 |
Op dit punt scharniert de onderlijn langs de lippen heen, in een neerwaartse beweging. |
 |
Hier ligt het vaste lood en op dit punt houdt de bewegingsvrijheid op. Het vaste lood houdt de onderlijn tegen en die gaat schuiven door het zwemmen van de karper. |
 |
De twee gearceerde delen – onder en boven – geven de plaatsen aan waar de meest inhakingen beginnen, dus ongeveer 1-2 cm in de vissenbek. |
|
|
|
Conclusies: mechanisme van zelfhaking |
|
|
 |
Er komt een karper aangezwommen en met een snelle inzuiging neemt ie de boilie + haak in zijn bek. Als alles goed gaat met de onderlijn komen in het algemeen en dat is vrij zeker, de boilie + haak diep in de vissenbek, zeg een afstand van zo’n 5 tot 10 cm! Vervolgens zwemt de karper weg waardoor de los kringelige onderlijn – die vastzit aan het lood – snel strak gaat staan. Mijn eerste en belangrijkste conclusie is nu dat de haak vrijwel nooit onmiddellijk ergens in de bek zal inhaken, ofwel precies op het moment dat de onderlijn zich strekt! |
 |
Wat gebeurt er: de onderlijn gaat glijden in een neerwaartse beweging, want het lood ligt immers op de bodem. Het hele zaakje, de boilie + haak, glijdt gewoon naar de voorkant van de bek in een soort “duikbeweging” en nadert de binnenste lipranden meer en meer, totdat het gearceerde deel (boven en onder) van de bek wordt bereikt, waar de kans het grootst is dat de haakpunt in zal haken. |
 |
Wat we weten is, dat een goede opname is vereist voor een marginale verbetering van het inhaken aan de voorkant van de bek. Een grote afstand van de boilie in de bek is nodig om een kleine afstandsverbetering tot gevolg te hebben. Een kleine hoek tussen onderlijn en onderkaak is blijkbaar noodzakelijk voor de vishaak om eerder in te prikken. |
|
|
 |
 |
 |
 |
 |