|
|
|
Meer dertigers! |
|
|
Boilies in het Uraniumkanaal |
|
|
Na die gedenkwaardige eerste juliweek was de ban gebroken en waren Kobus en ik voorgoed verloren aan het vissen op groot water. De maïsstekken hielden we nog een tijd aan. Bij mij was ’t het eerst gebeurd, behalve dan de vangst van wat kleine karpers ruim onder de 20 pond. Na verloop van tijd verschalkte Kobus nog een langwerpige schubkarper van 24 pond en jammer genoeg bleek voor hem die vis de piek te zijn geweest. In die haven was de maïs duidelijk op zijn retour. Misschien zou een radicaal andere benaderingswijze voor hernieuwd succes kunnen zorgen? Bijvoorbeeld de introductie van boilies? Daarom zocht ik enkele honderden meters verderop een andere stek in een weiland waar twee paarden liepen. Ik peilde daar nauwkeurig direct vanuit de steile schoeiing en het bleek dat er aan de oever nauwelijks water stond, hooguit een metertje. Daarna liep ’t vrij snel af naar een meter of vier, maar pas op een afstand van zo’n twaalf meter bleef de diepte vrij constant. Voor mijn gevoel was dat de perfecte plaats om een nieuwe voerstek te beginnen. Net als in de Angstel introduceerde ik de boilies op een beperkt oppervlak van enkele vierkante meters.
Kijkend naar het uitgestrekte water met zijn zware scheepvaart moest ik mezelf behoorlijk overwinnen om in die zee, dat luttele beetje boilies van 1300 gram neer te gooien. Langs de oever een halve emmer maïs strooien was een ding, maar met boilies zomaar ergens in die haven was heel wat anders. Immers, wat te denken van de felle stroom en de kolossale vrachtschepen, duwbakken en tankers met hun grote diepgang. Ik vroeg me sterk af of die mijn boilies niet zouden kunnen wegspoelen. Maar ja, die twijfel had ik ook met die maïsstek de eerste keer en als ik dat niet had gedaan, had ik die 36-ponder ook niet gevangen. Daarom deed ik het toch maar, alle schepen en stroming ten spijt. Je kunt nooit weten.
Tot mijn verbazing pakten de eerste resultaten bijzonder goed uit. Vergeleken met de maïsstekken konden per sessie zelfs meer en ook veel regelmatiger aanbeten worden verwacht. Met die boilies ging het gewoon veel effectiever. Zo kreeg ik reeds de eerste keer in vijf uur vissen al vier runs! Jammer genoeg schoten er twee af en van de twee andere woog de zwaarste 16 pond. Maar reeds de tweede sessie, twee voerdagen later, ving ik binnen twee uur een prachtige 24-ponder. Kobus die op dat moment nog op zijn maïsstek viste, zag mijn veelbelovende en schakelde ook onmiddellijk over. Waarschijnlijk net te laat. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Dinsdagavond 19 augustus 1986. Als gewoonlijk twee voerdagen later waren we opnieuw aanwezig, maar nu zaten we beiden op een boiliestek. Bij aankomst, rond zeven uur, voerde ik eerst op mijn stek zo’n 50 boilies. Daarna wierp ik beide hengels in. Het begon niet jofel. Binnen 20 minuten voer met enorme zuigkracht een diepgeladen rijnaak recht over mijn stek. Het water zakte dik een halve meter! Triest haalde ik op en wachtte tot de zwaarste kolken wegwaren. Een half uur later werd ik bijna door een boeggolf van mijn stek gespoeld. Als een dwaas raasde namelijk een niets en niemand ontziende sleepboot dwars over mijn stek. Opnieuw een stelletje boilies erin. Rust? Nee, na drie kwartier kwam dezelfde sleepboot terug met een lege aak op sleeptouw, gelukkig aan de overkant. Uitgerekend voor me gooide hij met een daverende klap en hels gerinkel een immens anker overboord! Om vaart te remmen! |
|
|
Vals gehaakt? |
|
|
Mijn sessie was eigenlijk al verziekt voor ie goed en wel begonnen was. Ik had er flink de pest in. Geen beet natuurlijk, de karpers waren vast verjaagd. ’t Was maar de vraag of ik nog beet zou krijgen. Ik gooide nogmaals 30 boilies op mijn stek en ging bij Kobus kijken. Om half elf zag ik hem een schubje vangen van 16 pond. Snel ging ik terug. Even later viel de duisternis in. De scheepvaart werd minder en de aanvankelijk zo rumoerige omgeving werd stiller. Volkomen onverwachts diende zich iets voor half twaalf een bloedharde run aan. M’n hele stellage schudde! Hard aangeslagen, scheerde de karper die massief en sterk aanvoelde in een rechte streep naar rechts. De lijn viel plotseling slap en ondanks zeer snel bijdraaien, bleef ie slap! Hij was er toch niet af? Toch herstelde ik enkele seconden later het contact. De vis was zo goed als onder mijn voeten en gaf nauwelijks weerstand.
In het donker bespeurde ik lichte beweginkjes en op de gladde waterspiegel ontwaarde ik een gering gespetter. Is dat alles, dacht ik. Zeker een 13-pondertje? Opeens zwom de karper weg en daverde pal langs de schoeiing door de niet al te vast afgestelde slip. Na zo’n 20 meter draaide hij naar voren en kwam als in de boog van een passercirkel recht voor me uit. Ik verhoogde de druk op de hengel en zette de slip wat strakker. Het gekke was, hij gaf totaal niet toe en bleef gewoon stevig net onder de oppervlakte rondcirkelen. Wat zullen we nou krijgen? Een kleintje die zo zwaar trok? Dat kon toch nooit? Bliksemsnel concludeerde ik, dat ie dus “vals gehaakt” moest zijn. In dat geval kon het wel een eeuwigheid duren en dat zou tijdverspilling zijn. Geen nood, ik zette de slip bijna dicht en sleurde de karper naar de kant met grove pompbewegingen. |
|
|
Het gesprek |
|
|
Het landen van de vis vormde geen enkel probleem. Zo, gauw de gup op de kant getild. Het net zat vast! Waar had ik dat eerder meegemaakt? Dat kon toch niet? Met de grootste krachtsinspanning lukte het me toch. Ik pakte mijn zaklantaarn en keek nieuwsgierig in het opengespreide landingsnet. Niet te geloven. Daar lag een reusachtige schubkarper, magnifiek van bouw, ietwat plomp en zeer dikbuikig weelderig in zijn vlees naar adem te snakken. Geen twijfel mogelijk. Zo goed en zo kwaad ik kon, probeerde ik de lengte van de vis te meten. Hij ging naar de 90 cm toe! Met dat dikke lijf wist ik genoeg en deed onmiddellijk de karper in een bewaarzak. Dolgelukkig rende ik naar Kobus, waar zich de volgende dialoog ontspon.
Ik hijgde: “Kobus ik heb een behoorlijke gevangen.” Nuchtere Kobus: “Hoe zwaar?” Nog niets verklappend antwoordde ik: “Hij zit in de bewaarzak, maar ik heb ‘m nog niet gewogen.” Kobus: “Niet gewogen? Is ie dik en lang?” Ik juichte: “Ja, ja!” Met een hangend hoofd realiseerde zich het onvermijdelijke: “Zeker ook nog naar de 90 cm toe?” Ferm antwoordde ik nogmaals: “Ja!” en Kobus concludeerde: “Dus je hebt weer een 30-ponder gevangen?” Toen aarzelde ik even en zei: “Eh…, dat weet ik niet zeker”. Kobus overrompelde me met: “Dat weet je wel, mazzelpik. Wat zullen Ruud en Chris wel niet zeggen, als ze dit horen.” Een paar uur later wogen we samen de karper in het donker. We wogen ‘m samen. Hij woog 32 pond bij 88 cm! De volgende dag namen we de foto’s in de aanwezigheid van Ruud en Chris. Wat een succes, ik kon mijn geluk niet op. Ik ving twee dertigers in vijf weken tijd. Als eerste visser ergens komen, een andere aanpak en bingo! M’n onbevangenheid, nauwelijks geremd door de eiwittheorieën bracht mij soepel en spontaan gelukt in ’t laatje. |
|
|
Een superzondag in september |
|
|
Kobus lukte het niet om een dertiger te vangen. Op zondag 7 september ving ik voor de eerste maal “het Schilderij”, een fraai getekende spiegelkarper van 26 pond. Chris die toevallig kwam kijken, was getuige van deze vangst. ’t Leek wel of alles bij mij op rolletjes liep. Op aandrang van Kobus gingen we ook weer voeren in het riviertje de Angstel. Direct al de eerste sessie ving hij daar een schubkarper van 25 pond! Diezelfde avond kreeg ik jammer genoeg een vlotte losschieter en ving pas laat op de avond een jeugdig 8-pondertje. Die eerste had ik moeten hebben! Nu voerden we elke dag op twee wateren.
Zondag 14 september. Vroeg in de avond zaten we opnieuw in het “bakkenwater”. ‘t Was drukkend en warm. De dagen werden in september al duidelijker korter en met de zomertijd daalde de zon onder de horizon rond negen uur. Kobus die ondertussen van stek veranderd was, zat nu zo’n 60 rechts van mij. Met de scheepvaart viel het mee. ’t Was weekend en als gebruikelijke voorbereiding hadden we twee dagen gevoerd. Makkelijk gezegd, maar we moesten wel twee stekken onderhouden en elke dag zo’n 2500 gram draaien en koken. Echt een dagelijks opgaaf. Toch klaagden we niet, want we vingen ze ook. Wie wist welk avontuur we vanavond gingen beleven?
We waren begonnen om zeven uur. De kriebels van het eerste spannendste uur gleden langzaam weg. Om half negen meldde zich een knolletje van een pond of acht, een anticlimax. Echter, vlak daarna sloeg Kobus met groot geweld toe. Om klokslag negen uur kreeg hij een snoeiharde run die na een heftige dril uitmondde in zijn eerste 30-ponder! Ook Kobus had de magische grens doorbroken en met deze schitterende vis een nieuw persoonlijk record gevestigd. Hij was “over the moon” en zielsgelukkig, hij had zijn doel bereikt. We visten verder, na de karper in een bewaarzak te hebben weggehangen. De buit zou nu wel binnen zijn, of zou mijn geluk als mazzelaar zijnde soms aanhouden? Half elf kreeg ik een tweede run. Kobus zag ’t en kwam enthousiast kijken. Hoewel fel vechtend, moest de karper vlot het loodje leggen. ‘t Viel tegen, want de schubkarper woog slechts 19 pond. Tja, dat is wel 11 pond lichter als je net een dertiger hebt gezien. Kobus keerde gerustgesteld weer terug. Haastig voerde ik een handvol boilies en gooide snel weer in. Tijdens het wachten zat ik maar te denken aan het onderlijntje dat er wel goed uitzag, maar waarvan de knoop iets pluisde. Perfectionistisch ingesteld als ik ben, kon ik me niet meer inhouden en haalde de bewuste hengel in. Hoewel lastig in het donker verving ik ‘m door een nog niet gebruikte, thuisgemaakte en goed gecontroleerde onderlijn. Zo, een nieuwe boilie eraan en met een onderhands worpje legde ik de hengel zo precies mogelijk in. Binnen tien minuten ging nota bene deze hengel af! Dat ging goed. Kobus was opnieuw snel ter plaatse en constateerde, zo te zien, dat er weinig aan de hand was. Waarschijnlijk was de dril niet spectaculair genoeg en hij verdween in de nacht met de opmerking: “Ik heb ’t alweer gezien.” Kalm en nietsvermoedend zwom de karper pal onder de schoeiing heen en weer. Ineens wist ik ‘m met een snelle schepbeweging in m’n landingsnet te glippen. Totaal niet uitgevochten geselde zijn staart met krachtige slagen het wateroppervlak. Hoog spetterde het op. De steel van het net boog gelijk een hengel onder dit geweld. Na een paar wilde rukken werd het stil. Mijn hart sloeg over toen ik de vis op de kant zag. ‘k Had weer een bak, 28 pond was ie! Te gek voor woorden! Snel deed ik de karper in een bewaarzak en vertelde Kobus wat ik had gevangen. Dat had ie niet verwacht, maar toch was hij de man vanavond. We besloten in ieder geval tot twee uur te blijven zitten. Eigenlijk was dat voor ons doen al lang, verwend als we waren aan vlot succes op een geslaagde voerstek. |
|
|
Ons geheim? |
|
|
Toevallig hadden Ruud en Chris ook die avond in het Uraniumkanaal gevist. Ze zaten een flink stuk verderop en kwamen tegen middernacht bij ons langs. En? Ze hadden een complete sof geladen, geen enkele run gehad en niets gezien en dat na een dikke week intensief voeren! Niet begrijpend, hoorden ze beteuterd ons successtory. Twee bakken: een 30-ponder en een 28-ponder op één avond! Ze zagen en bewonderden onze karpers. Wat ontzettend goed, maar… waarom hadden zij dan niets gevangen? Was hun stek niet in orde? Of deugde hun aas niet? Uitgebreid begonnen we hierover te kletsen. Ruud en Chris kregen de laatste weken nauwelijks beet, ondanks dat ze hardnekkig voerden op diverse stekken. Hadden wij soms een geheim boilierecept? Helemaal niet, wij gebruikten gewoon een eenvoudige boiliemix die we zelf maakten op basis van simpele en goedkope ingrediënten. Als producten gebruikten we onder andere volkoren tarwemeel, maïsmeel, aardappelmeel, sojabloem, koekjesmeel enzovoorts. Bij die mix gooiden we per pond nog een vijftal eieren en completeerden ‘m met een zoetmaker plus een creamflavour. Eigenlijk zaten zij met het allerbeste, namelijk een hartstikke dure “high protein”-mix zo uit de winkel, waar volgens de winkelier geen eieren meer bij hoefden om de boilies goed te laten uitharden. Dat was voordelig, want zonder die eieren drukte dat weer de kosten. Echter, op een voerstek bleek die geldverslindende mix compleet te mislukken. Ironie van het lof: vergeleken met onze resultaten was die mix waardeloos en in geld uitgedrukt dus niets waard. Succes is niet te koop! Die avond waren we het er eigenlijk alle vier over eens, dat hier iets niet klopte, alle Engelse theorieën ten spijt. ’t Was wel gek, want onze boilies, die hoofdzakelijk bestonden uit laag eiwit producten, deden het uitstekend op grote karpers. Dat hadden we vanavond wel weer bewezen. Dit soort herhaaldelijk voorkomende praktijkconfrontaties van fiasco en succes waren uiteindelijk voor mij en Ruud de reden, die ons zo aan het denken zetten en eind 1986 deden besluiten tot een diepgaand aasonderzoek. Maar dit terzijde. |
|
|
De Angstel |
|
|
De volgende ochtend werden beide bakken vereeuwigd. Diezelfde avond, maandag 15 september, gingen we naar onze boiliestek in de Angstel. Het sombere weer van gisteren had aangehouden. De toegenomen koele noordwestenwind maakte ’t buiten een heel stuk frisser. De asgrauwe, onheilspellende lucht voorspelde niet veel goeds. Waarschijnlijk zou ’t niet lang duren voor de bui losbarstte. Snel naar de stek! Gelijk gisteren begonnen we om zeven uur. Het donkere weer maakte het onmogelijk om Kobus in de verte te zien. Een heel verschil met enkele maanden geleden. Fijne druppeltjes weefden een mistig net, alsof de wolken omlaag zakten. De straffe wind veroorzaakte een felle kabbel, tegengesteld aan de constante stroom van het riviertje. De plek op het dijkje gaf me geen enkele beschutting. Na zo’n drie kwartier besloot ik ongeduldig beide hengels te verleggen. Ook wilde ik zeker weten of de onderlijntjes niet toevallig door de stroming in de war waren geraakt, of dat er vuil op de haakpunt zat. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Ik gooide de tweede hengel in en net toen ik weer ging zitten… kwam er een gierende run op de rechterhengel! Kortstondig zwom de karper een tiental meters stevig door de slip. Omhoogkomend sloeg hij een plat vlak van dik een meter doorsnede in de harde kabbel. De hengel veerde even omhoog om direct daarna het woeste schot van de vis op te moeten vangen. Met een niet aflatende noodgang raasde hij naar de overkant. Ik zag gevaar en zette vliegensvlug mijn vinger op de spoel. Daar lagen grote met staal doorregen betonnen blokken ter ondersteuning van de oeverkant. Om nog meer zijn vaart te remmen, liep ik met de kromgebogen hengel naar achteren, het dijkje op. De karper haalde het net niet en draaide naar links. Kalm zwom ie nu parallel aan de oever van de overkant. Dat gunde me de tijd om met enkele snelle pompbewegingen vele meters lijn terug te winnen, terwijl ik onderwijl weer terugliep over het dijkje. M’n gevoel op de karper was nu veel directer. Opeens draaide hij zich naar rechts en zwom naar het midden van de Angstel. Steeds trager ging het tot ie vrijwel stillag in de vaargeul. Ik verhoogde de druk op de vis en als reactie kwam ie weer op gang en zwom snel naar de oever aan m’n rechterkant. Ook daar lagen gevaarlijk keien. Als een gek bijdraaiend trachtte ik de karper voor te lopen, wat me op het nippertje lukte. Hij zat nu op zo’n drie meter uit de kant recht onder mijn hengeltop. Ik hield ‘m iets uit de kant en zette voor de veiligheid de slip iets losser. In een onverwachtse uitloopbeweging versnelde hij naar rechts, strak langs de kant zwemmend. Ik wilde ‘m niet in het puin aan de kant laten komen en liep zo hard mogelijk mee, ondertussen “Kobus, Kobus!” schreeuwend. Hoewel we die richting opgingen, hoorde hij me niet. Na zo’n 30 meter stokte het, waarschijnlijk uitgeblust. Wat nu? Mijn schepnet lag nog op mijn visstek, wel zo’n 50 meter naar links! Het had geen zin de vis nu naar de oppervlakte te trekken. Ineens wist ik wat te doen. Ik wachtte tot ie met zijn kop naar links gericht stond, wat ik kon voelen aan de zwemrichting. Behoedzaam leidde ik de karper als een gehoorzame hond terug naar mijn stek. Boven verwachting was er geen vuiltje aan de lucht. Bij het net aangekomen, dwong ik de karper krachtig omhoog en zag ‘m toen voor de eerste maal in zijn volle glorie. Een fantastische spiegelkarper verscheen aan de oppervlakte. Zo, hupsakee, het net in. Voorzichtig tilde ik het zware net de kant op en zag daarin het roomkleurige lijf van een gigantische spiegelkarper. Het meetlint wees 87 cm aan en weer wist ik genoeg. De karper had een dikke ronde, witte buik die fluweelzacht aanvoelde toen ik ‘m in de bewaarzak legde. Mijn huid tintelde, voor de derde keer dit jaar kreeg ik het zelfde zenuwachtige gevoel. Gisteren had ik een 28-ponder en vandaag…? Extra gemotiveerd door de toenemende motregen besloot ik in te pakken. Ik had de buit op zak. Opnieuw schrok Kobus. Weer had ik een bak en niet gewogen! Vanmorgen liet hij nog een 30-ponder fotograferen en wie ging daar waarschijnlijk overheen alsof het niets was? Ik dus. Hoofdschuddend hoorde hij het hele verhaal en zei: “Ik vang toch ook hartstikke goed, maar wat jij vangt… Tegen zoveel geluk kan niemand op.” Weer wogen samen de karper en inderdaad: 32 pond! Het was mijn derde 30-ponder in 1986! Eens in je leven? Eens per maand! |
|
|
Epiloog |
|
|
Mijn geluk stopte pas in oktober bij de vangst van een schitterende schubkarper van 28 pond. Kobus kon nog twee 24-ponders aan zijn totaal toevoegen. Wat een jaar, 1986, voor ons een jaar om nooit te vergeten. Hadden we in enkele maanden een succesformule ontdekt? Het hoe en waarom was ons nog niet helemaal duidelijk, maar wat gaf dat. Een 36-ponder, twee 32-ponders en twee 28-ponders voor ondergetekende! En voor Kobus een 30-ponder, een 28-ponder en een hele serie 24- en 25-ponders!
Onze ervaringen, een toevallige leerschool in de praktijk, wezen op verschillende interessante zaken, waar we toen nog weinig van beseften. Zo konden we deze resultaten boeken met maximaal 500-600 zuivere visuren de man. We raakten gewend aan het effectief gebruiken van kortstondige voerstekken met een afgemeten hoeveelheid aas. De manier van stekken zoeken en maken door de bril van een wedstrijdvisser. Het succes van het vissen op groot water met zijn onbeperkte mogelijkheden. Het feit dat binnen enkele uren de buit binnen kon zijn en dat er echt niet oeverloos gewacht hoefde te worden. Dat een stek snel goed kon zijn of juist niet. Het als eerste ergens vissen. Of onze manier objectief de juiste was, weet ik nog steeds niet. Voor ons was het een begin, een formule die uitgewerkt zou kunnen worden om in de toekomst consequent grote karpers te kunnen vangen. |
|
 |
 |
 |
 |
 |
|
 |