Lente 1988

Wintervissen en Maarsseveen

Dit jaar liet de winter zich niet van zijn strengste kant zien. De maanden januari, februari en maart waren winderig en nat. Milde buitentemperaturen maakten het mogelijk in dit koude jaargetijde door te vissen zonder echt te hoeven afzien door barre weersomstandigheden. Nou ja mild: 4º tot 6º Celsius is niet koud, maar warm is wel even anders.

Er zijn mensen die denken dat in relatief zachte winters de karpers makkelijker te vangen zijn, want de buitentemperatuur is dan een heel stuk hoger. Zelf kon ik in mijn vangsten nauwelijks een verschil ontdekken of het water nu 5,5º Celsius of bijvoorbeeld 9º Celsius was. Integendeel, vaak beten ze zelfs beter bij nog lagere temperaturen! Bij het stijgen van de watertemperatuur van 6º naar 12º Celsius ving ik niet meer karpers, hoewel ik dat aanvankelijk wel verwachtte.

Tot half april viste ik in de twee grote zandplassen van Maarsseveen vlakbij Utrecht. Op dat moment had ik daar 44 karpers gevangen met als zwaarste vis een schubkarper van 21 pond. Gemiddeld wogen ze ongeveer 13 pond. Dat was geen verrassing, want deze zandafgravingen bevatten te grote karperpopulaties en waarschijnlijk van het type 25%-wildbloedhybride. Zandplassen, de naam geeft het al aan. Waar veel zand is afgegraven is het meestal diep en in het midden staat wel een plons van zo’n 25 tot 30 meter water! De bodem is er schraal waardoor een weelderige plantengroei nauwelijks mogelijk is. Brede rietkragen omlijsten deze plassen en domineren het geheel. Met name de oeverzones zijn in de warme zomermaanden het belangrijkste visgebied. De schaarse begroeiing resulteert in combinatie met het teveel aan karpers in een chronisch voedseltekort. Als vele vissen hun eten moeten delen, dan groeien ze gewoon niet veel.

Waarom ik hier dan viste? Hoofdzakelijk wegens een goed alternatief in de winterperiode. Deze plassen gaven me nog de kans op een reële twintigplusser. De meeste cultuurwateren in en rond de stad Utrecht, zoals de forten werden in de loop der jaren volgedumpt met jaarlijkse karperuitzettingen. Als gevolg was het gemiddelde formaat nauwelijks dat van een gup, om het wat oneerbiedig te zeggen. Groot en vrij water echter heeft in de winter het volgende hoofdprobleem: waar zitten toch die karpers? In de zomer is de activiteit van de karpers groot en tijdens zijn enorme trektochten komt hij vrijwel overal langs. In de meeste hoeken en gaten is hij dan wel te vangen. Een beetje redelijk gekozen voerstek levert al aanbeten op. Het gemak waarmee zelfs op de meest uitgestrekte wateren karpers kunnen worden gevangen, is vaak werkelijk verbluffend.

Schril is het contrast met de lange wintermaanden. De karper is honkvast en beweegt zich traag en weinig. Voorts eet hij drie- tot viermaal zo weinig als in de zomer. Dat is volgens mij de reden dat in de koude tijd de meeste zomerstekken nauwelijks renderen. Waarom zou ik dan in de kou moeilijk gaan doen, als ik met de minste moeite in de warmere tijd veel succes kan hebben? Karpers boven de 25 pond vang ik in principe uitsluitend op het grote water. Voor de kleinere vissen hoef ik daar niet te zijn. Daarbij komt dat als het koud is, ik toch wel sport wil hebben in de vorm van een kromme hengel. Maar het liefst zonder veel moeite en in de winter is dat al moeilijk genoeg! Op de Grote Plas van Maarsseveen was ik in de koude tijd verzekerd van één tot drie aanbeten in ongeveer vijf uur vissen.

Afromen

Toen de watertemperatuur boven de 12º Celsius steeg, meestal gebeurt dat in de maand april, begon mijn bloed te kriebelen en zocht ik het grote water op. Zo kwam ik wederom terecht op het vertrouwde, klein ogende kilometerslange riviertje de Angstel. Het vormde de verbinding met de grootste wateren die je je maar kunt bedenken, namelijk het Amsterdam-Rijnkanaal, Loosdrecht en Vinkeveen. Vol verwachting wilde ik een briljant idee op de praktijk loslaten, namelijk de afromen. Alle betrouwbare vangsten van 1984 tot en met 1987 had ik gebundeld en statistisch vergeleken om te zien of er overeenkomsten bestonden voor met name de grootste karpers, de 25- en 30-ponders. In het hoofdstuk “De Voerstek” heb ik dit idee uitgebreid besproken. Beknopt betekent het dat een “bak” bijna altijd vlot kwam. Binnen 14 dagen zou terplaatse de top binnen moeten zijn. Daarna zou ik verkassen ongeacht of er nog veel karpers waren te vangen. Statistisch waren die van veel kleiner formaat. De belangrijkste voorwaarde was een blanco stek. Dus een splinternieuwe stek of een reeds beviste stek die een paar weken met rust was gelaten.

Statistisch gezien zat het idee van dat afromen prachtig in elkaar, toch zou in de realiteit van alledag de echte test dienen plaats te vinden. Tijdens de langzaam wegtikkende visuurtjes voelt dat toch wel anders aan. Ik besloot er twee voerstekken op na te houden en die beurtelings te bevissen volgens de eerder geschetste “voer- en vismethode”. Dus beginnen met drie voerdagen, dan vissen en verder om de twee voerdagen vissen. Als eerste stek koos ik een brede dorbruine rietkraag aan de overkant van een ruime bocht. Mijn andere overkantstek bestond uit een stel stronken en takken, die schots en scheef in het water lagen. De stekken waren zo’n 200 meter van elkaar verwijderd. In eerste instantie waren de vangsten veelbelovend. Zeker wat betreft aantallen deed de rietkraag het geweldig. Er was daar vrij veel karper aanwezig en behalve een sporadische blank kon ik er behoorlijke sport beleven. In nuchtere cijfers uitgedrukt verliep die eerste voerstek als volgt:

De Angstel – rietkraag overkant

Sessie  Dagen  Datum  Resultaat  uren  Watertemperatuur 
1.  18-04-1988  16p 16p 11p 11p  7   15½ C  
2.  21-04-1988  9p 12p  13 C 
3.  10  24-04-1988  Blank  12 C 
4.  14  28-04-1988  20p 5p 13p  13 C 
5.  17  01-05-1988  6p 15p  3   15 C 
6.  20  04-05-1988  8p 10p x 16p 10p 15 C 
x = verspeeld           


Zoals het staatje al aangeeft kwam de groots
te vis, een 20-ponder, pas op de 14de dag. Volgens de afroomtheorie had terplekke een echte topper reeds binnen moeten zijn. Maar ja, een uitzondering kan de regel bevestigen, nietwaar? Daarom plakte ik er nog twee sessies aan vast. De aantallen karpers namen zelfs toe en op de twintigste dag kreeg ik nog zelfs zes runs! Wat nu? Langer doorgaan of niet? Niets is moeilijker dan een productieve stek te verlaten. Toch hakte ik de knoop door, want volgens de statistiek zaten op dat moment grotere vissen waarschijnlijk niet in de buurt. Welgemoed startte ik twee kilometer verder een andere stek. Die derde stek was een grote zwaaikom aan de overkant met fris felgroen ontluikend lelieblad. Hoe was het echter ondertussen verlopen op die tweede voerstek? Hoewel die takkenstek veel minder aanbeten opleverde dan die rietkraag ving ik er wel drie mooie spiegelkarpers van even in de 20 pond. Een overzicht.

De Angstel – takkenstek overkant

Sessie  Dagen  Datum  Resultaat  uren  Watertemperatuur 
1.  29-04-1988  12p 17p  4   13 C 
2.  02-05-1988  22p 15 C 
3.  12  05-05-1988  20p 14½ C  
4.  15  08-05-1988  21p 19p  5   16½ C  
5.  18  11-05-1988  8p 16p 16p 15p  5   17½ C  
x = verspeeld           


Deze tweede voerstek deed het buitengewoon goed met drie fraaie 20-plussers, die allemaal in het eerste visuur werden gevangen! Hier zaten duidelijk niet van die kleine karpers als bij die rietkraag. Het gemiddelde gewicht was bij die takken veel hoger. Van die twee verspeelde vissen weet ik bijna zeker, dat die laatste ook een dikke twintiger was. Echter, opnieuw geen echte topvis. Voor de zekerheid viste ik er toch nog een sessie door, dus langer dan 14 dagen. Hoewel de karpers het ook daar steeds beter gingen doen en de watertemperatuur snel steeg, daalden de gewichten. Ook hier kapte ik resoluut en begon een nieuwe, de vierde, voerstek bij de pijlers van een oude spoorbrug.

Een probleempje

Ondertussen had ik er alweer drie voerdagen opzitten bij die leliestek in die zwaaikom (voerstek drie). Daar had ik elke dag 600 gram vismeelboilies neergeschoten. Op 9 mei ging ik er naartoe. Benieuwd spoedde ik me die dag naar de splinternieuwe stek. Prachtig weer was ‘t. Met de auto kwam ik aan en zag tot mijn schrik, dat twee hengelaars pal op mijn stek zaten. Gelukkig visten ze met de lange lat en waren ze uit op een leefnet vol witvis. Onmiddellijk zag ik het probleem. Aan ze vragen om weg te gaan, was natuurlijk onzin. Maar ik voelde me ook niet op mijn gemak om boven op hun lip te gaan zitten en doodleuk naar de overkant te gooien. Wat voor effect zou dat trouwens wel niet hebben als ik daar in een paar uur enkele karpers zou vangen? Al waren het maar kleintjes? Ik wist dat voor elke niet-karpervisser zelfs een 15-ponder al een gigant van een vis!

Ik heb ‘t wel eens meegemaakt, dat ik op een zondag in een Utrechts fort zat te vissen en een karpertje ving van een pond of acht. Precies op dat moment ging net de kerk uit! Bij die actie was ik direct het middelpunt van de belangstelling. Het was een ware volksoploop, waarbij ik alleen maar opmerkingen hoorde als: “Wat een grote vis. Bij de visboer heb ik nog nooit zo’n gigant gezien! Kunnen ze nog groter worden? Wat zielig, eet U die karper op?” En stel dat ik toevallig een 20-ponder zou vangen. Dan was misschien mijn visserij in de Angstel voorlopig bedorven. Ik kon die vissers toch moeilijk verbieden wat ze hadden gezien! En voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast. Of zou ik toch wat verderop gaan zitten en in een schuine hoek naar mijn stek toevissen? Nee, dan zagen ze het natuurlijk ook. Ik besloot gewoon te wachten tot ze weggingen.

Wacht ‘s, dan had ik nog een probleem. Wat te doen met een eventueel wachtende karper, die misschien op de loer lag naar mijn boilies? Snel bedacht ik een compromis. Ik zette kalm mijn auto aan de kant en pakte een handvol boilies en mijn katapult. Zo onopvallend mogelijk liep ik langs het water en vlijde mezelf ongeveer 30 meter voorbij die hengelaars in het welige oevergras en onkruid. Ik lag daar te genieten van het zonnetje. Althans voor die witvissers leek dat zo, maar in feite schoot ik stiekem boilie voor boilie naar m’n stek aan de overkant. Elk half uur een stuk of tien en wachtte af. Om half vijf was ik aangekomen en de tijd verstreek gelijk een eeuwigheid. De klok sloeg zes uur, zeven uur. Gingen ze nou nog niet weg? En ik maar schieten zonder dat ze het zagen.

Rond half acht werden de gevangen voorns en brasem teruggezet. Er gloorde hoop, maar nee, het leefnet werd in het gras gespannen om te drogen. De luitjes visten vrolijk door alsof er niets aan de hand was. Wat een baaldag. De zon daalde en de eerst zo heldere lucht verkleurde tot een grijze wolkendeken, die niets goeds voorspelde. Zou het nog gaan regenen ook? Ja hoor, de dreiging nam toe en druilerig lieten de eerste minuscule spettertjes zich voelen. Ik deed alsof ik grote druppels constateerde en sperde mijn hand open. Overduidelijk gaf ik de hint: jongens het gaat flink regenen, wegwezen.

Mijn favoriete vis

Een echte afromer en een van mijn favoriete vissen Deze woog ruim 28 pond bij een lengte van 81 cm.

Op een bepaalde moment wilde hij onder de lijn van de rechterhengel doorgaan. Dat zou lastig kunnen zijn en ik hield ‘m krachtig tegen en keerde hem. Direct daarop doorbrak een hoge dikke rug gelijk een onderzeeër het wateroppervlak. Zo te zien leek het een korte vis te zijn. Het gewicht zou dus wel meevallen. Even later zat ie veilig en wel in mijn landingsnet. Ik trok het tegen de begroeide oeverkant en liet de vis daar rustig in het water hangen. Ik vierde de lijn van de molen en legde de hengel langs in het gras. Niets vermoedend pakte ik de unster, maakte het weegnetje nat en stelde die weegschaal op nul. En wat bleek er in het net te liggen?

Een schitterende klepper! Een spiegelkarper met een lengte van slechts 81 cm, maar wat een lichaam! Hij was hoog en diep gebouwd en van een lederachtig type met naar zijn staart een lichte verstrooiing van kleine schubjes. Zijn gewicht was dik 28 pond! Nog steeds is deze karper een van mijn favoriete vissen. ’t Was een bonk vlees. De macht die hij uitstraalde, fenomenaal! Voorts was het een afromer “pur sang”. Dat bedoel ik nou, dat is dat gelukje waar je op uit bent. Net dat ene lot uit de loterij. Drie dagen voeren, tien minuten wachten, één aanbeet en bingo! In theorie zou ik meteen van deze stek moeten opkrassen. Dat zei mijn verstand, maar mijn gevoel wilde nog even doorgaan, dus wie weet? Een overzicht.

De Angstel – lelieblad zwaaikom overkant

Sessie  Dagen  Datum  Resultaat  Tijd  Watertemperatuur 
1.  09-05-1988  28½ p  10 minuten!  16½ C  
2.  12-05-1988  4 uur  18 C 
3.  14-05-1988  15p 13p  5 uur  19 C 
4.  11  16-05-1988  Blank  4 uur  20 C 
X = verspeeld           


De volgende sessies vielen “naar verwachting” flink tegen en inderdaad had ik beter kunnen stoppen naar die eerste keer. Hoe was het ondertussen bij die brug (stek vier) verlopen? Gewoon slecht, dat was een echte miskleun. Er kwam geen enkele aanbeet en direct hield ik het daar voor gezien.

Een mogelijke verklaring

Aangezien mijn eerste stek, die bij die rietkraag, alweer tien dagen met rust gelaten was, besloot ik er een nieuwe kans te wagen. Reeds de eerste sessie zette een domper op mijn hoop. Ik laadde een niet voorziene blank. Achteraf bekeken werd die blank waarschijnlijk door twee dingen veroorzaakt. Op de eerste plaats waren de watertemperaturen gestegen tot bijna 20º Celsius. De hoeveelheid boilies die ik voerde, had ik daarom verhoogd van 700 naar 1000 gram. Op zichzelf was dat wel juist, gezien de snellere doorlooptijd van het voedsel in de vis. Echter, de mix waarmee ik voerde, was nog steeds op die winterse vismeelbasis en bevatte een uitgerekend eiwitpercentage van circa 28%. Bij het voortschrijden van de lente was waarschijnlijk het punt bereikt van de overgang van hoog naar laag eiwit. Het natuurlijk voedselaanbod groeit namelijk explosief in het voorjaar en de karper heeft dan die eiwitten van de karpervisser niet meer nodig. Zeker de grootste karpers niet! Als een karper teveel eiwitten naar binnenkrijgt, kan dat leiden tot een ondoelmatige stofwisseling bij de vis en het kan zijn dat ie zich daar niet helemaal happy bijvoelt. Meer energetische voedingsmiddelen met meer koolhydraten zullen dan een beter effect kunnen hebben. Eigenlijk zijn er dan voor de karpervisser twee mogelijkheden:

Het eiwitgehalte van de boilies omlaag te gooien en zodoende meer nadruk te leggen op de koolhydraten. In dat geval kan er meer worden gevoerd. Met minder eiwitten in het aas verloopt de vertering ook veel gemakkelijker.

Het hoge eiwitpercentage van 28% te handhaven, maar dan vooral niet teveel te voeren. Eiwit- en vetrijk voedsel verzadigt namelijk de karper erg. Het is gewoon erg “machtig”. Vergelijk het maar met een koud buffet, waar met name een eiwitrijke en vette huzarensalade binnen de kortste keren ervoor zorgt, dat je geen trek meer hebt. Je hongergevoel is dan verdwenen. Het duurt dan een hele tijd, misschien wel uren, voordat ‘t weer terugkomt. Daarentegen heb na een koolhydraatrijke maaltijd als bijvoorbeeld bami of nassi van de chinees al vrij vlot weer honger. Dat verschil bedoel ik. Door minder te voeren met “machtig” (eiwitrijk) aas houden we daar dus rekening mee.



Een nieuwe kans

Omdat de vismeelmix die ik de laatste weken gebruikte succesvol bleek te zijn, besloot ik daar zolang mogelijk van te blijven profiteren. Daarom ging ik weer terug naar 700 gram per dag. De volgende vissessie ging weer als vanouds. Snel kwam de eerste aanbeet, maar die vis schoot jammer genoeg los. Twee uur later verspeelde ik voor mijn gevoel een echte topvis. Hoe groot? Zelf denk ik dat ie minstens 25 pond was en met een reële kans op…? M’n grootste fout was dat ik ‘m niet goed genoeg afblokte en veel te weinig kracht uitoefende om ‘m tegen te kunnen houden. Voor ik het goed en wel in de gaten had, wentelde de karper zich en dook in het riet. Ik probeerde ‘m nog hardhandig terug te halen, maar de hoofdlijn van 35/00 schuurde vlotjes door. Alles was eraf! Als visser besef je het gevaar niet altijd meteen, maar zo’n straf doet wel wonderen voor de toekomst.

Het resultaat van een dure les Een afgeblokte schubkarper van 26 pond

Ik had een gouden kans gemist. Dat zou me niet nog eens mogen gebeuren! De volgende keer besloot ik de karper geen enkele kans te geven. Dat kon alleen als ik alert zou reageren op de aanbeet. Dat betekende dat ik op het juiste moment moest aanslaan en vóór de karper ook maar op gang zou zijn, ik een uiterst krachtige blokkade diende uit te oefenen. Als dat lukte, zou de vis alleen naar de zijkanten kunnen wegzwenken, naar links of naar rechts. Daarna kon ik overgaan tot een normale dril. In de praktijk diende ik daarom op drie dingen te letten.

Eerst de hengelopstelling. In het vervolg ik zou slechts met één hengel vissen en die in een schuine stand omhoog stellen en daarbij de achterkant goed vastzetten. En dat met een snaarstrakke lijn. Op die manier zou ik snel de kiem van elke aanbeet kunnen opmerken.

Ten tweede het materiaal. Een sterke maar soepele hengel (een mediumtaper) was een vereiste om veel kracht te kunnen opbouwen zonder dat de zaak te forceren. Een elastische lijn completeerde dan het plaatje.

Vol concentratie vissen en alles in de gaten houden. De onverwachte aanbeet in een flits beoordelen en dan zonder enige twijfel of angst volkomen op het materiaal vertrouwen en de karper krachtig doch beheerst af te stoppen. Let wel, met een vrijwel dichte slip.



Mijn eerste vis in 1987. 26 pond

Warempel, de eerste de beste sessie kreeg ik een nieuwe kans. Ik begon met een fel vechtende 15-ponder, waarop ik uitermate goed kon oefenen met dat blokkeren. Daarna volgde er een 12-ponder. Gelukkig vochten juist die kleine vissen als een gek! Tot slot kwam mijn examen in de vorm van een fraaie schubkarper van 26 pond. Hij was het resultaat van een dure les. Bij het afblokken gaf ik de vis geen duimbreed toe. ‘t Leek wel een touwtrekwedstrijd, maar het lukte de karper niet in het gevaarlijke riet te vluchten. Na de bikkelharde krachtmeting zwenkte hij af, zoals verwacht en zwom naar het midden van de Angstel. Daar zette ik de slip een stuk losser en bespeelde op soepele wijze de vis zonder enig probleem. Eindelijk had ik ‘m en was het kat in het bakkie en een prachtige revanche op mezelf.

De Angstel – rietkraag overkant (2de maal)

Sessie  Dagen  Datum  Resultaat  Uren  Watertemperatuur 
1.  15-05-1988  Blank  19½ C  
2.  18-05-1988  X X (25p)  4   17½ C  
3.  10  21-05-1988  15p 12p 26p  4   17½ C  
4.  14  25-05-1988  X X  19 C  
5.  16  27-05-1988  X 13p  5   19 C 
X = verspeeld            


De stek maakte ik af met een bedroevend aantal losschieters. Die verspeelde gigant in de tweede sessie en die 26-ponder waren blijkbaar de afroomtoppers. Toen de meimaand op z’n eind liep, werd ’t steeds drukker op de Angstel met talloze langsvarende boten en overal recreërende hengelaars. Met twee machtige vissen, waaronder die favoriet van mij van 28 pond en die laatste 26-ponder, was deze maand een geslaagd begin van een nieuw visjaar