|
|
|
Een Droomvis |
|
|
Het Uraniumkanaal |
|
|
Tijdens diezelfde juliweek dat Kobus "De Schotel"
ving, onderhield ik nog een tweede voerstek. Kobus vond het voldoende
om twee, hooguit drie keer per week te vissen. Zeker in de wetenschap
elke dag 1300 gram boilies te moeten draaien en die te voeren, waarachtig
geen geringe klus. Een extra stek erbij? Geen denken aan! Zelf wilde
ik wel vaker vissen met dat mooie weer van de laatste tijd. Daarom
zocht ik een extra stek niet ver van huis. Maar waar? Het liefste
op groot water. Nou lag enkele kilometers verderop het Amsterdam-Rijnkanaal
en het havencomplex van de Lage Weide. Uit mijn witvistijd wist
ik daar een rustig en afgelegen gedeelte, namelijk achterin het
Uraniumkanaal. Maar karpers vangen in zo'n groot en moeilijk
water met al die zware scheepvaart? Ach, ik had toch al mijn plezier
met Kobus in de Angstel. Een gokje tussendoor kon er nog wel van
af.
Ruud bracht me op het idee om met geweekte maïs te voeren. Hij kende namelijk iemand uit Oostenrijk die in de zomer met die partikels veel succes had. Die kennis had op voerstekken met uitsluitend maïs hele grote karpers gevangen. Om niets aan het toeval over te laten, besloot ik minstens een volle week te voeren. De stek die ik had uitgezocht, leek wel op een oerwoud. Metershoog onkruid tierde er welig. Massa's brandnetels, scherpe distels doorvlochten met stengels van verdord hooiachtig gras. Zo goed mogelijk fatsoeneerde ik de bende, maar zo dat niemand dat op afstand kon zien. De drie meter brede oever liep steil naar beneden. Makkelijk zitten zou er lastig zijn.
Onderaan de kant hield de oever abrupt op en begon een schoeiing, waar een meter lager water klotste. Aan de kant was 't er twee meter diep en glooide de bodem langzaam naar vier meter. Elke dag reed ik er met mijn brommer heen, om vijf uur, net voor het avondeten. Een halve emmer geweekte maïs nam ik dan mee. Het voeren was zo gebeurd. Bij wijze van spreken keerde ik gewoon de emmer om, zo compact voerde ik voor mijn voeten. De eerste voerdag was op 27 juni. Omdat Kobus elke dag om half zeven voor mijn deur stond, om te vissen of te voeren in de Angstel, moest ik die maïs wel op dat tijdstip voeren. Consequent ging ik ernaartoe, dagen achtereen in de hitte, het zweet soms gutsend onder mijn valhelm vandaan, zo nu en dan een pijniging. Je kon nooit weten. Visioenen over nooit gevangen monsterkarpers hielden me al die dagen op de been. De werkelijkheid zou wel anders zijn. |
|
|
De flank |
|
|
Vrijdag 4 juli. Vandaag had ik gepland voor de eerste keer op die maïsstek te gaan vissen. Er diende zich echter een voerprobleempje aan: namelijk met Kobus voeren in de Angstel. Om mijn dagelijkse voerritueel zo min mogelijk dwars te zitten, besloot ik als compromis om vijf uur gewoon de helft van de normale portie maïs te voeren. Zo gezegd, zo gedaan. Helaas was Kobus aan de late kant, terwijl ik popelde om naar die haven te gaan. Op van de zenuwen arriveerde ik op de stek en zag dat het al acht uur was. Razend benieuwd was ik na die zeven dagen voeren. Fiasco of Succes? Vanavond zou ik het weten. Vlug gooide ik nog enkele forse handen maïs erin. Daarna begon ik voorzichtig mijn spullen klaar te maken. Schepnet in elkaar, molen op de hengel... een geweldige klap, een plons! Gelijk een dolfijn sprong een schubkarper van 15 pond precies op m'n stek. Hij kwam er helemaal uit en slechts twee meter van mij vandaan. Mijn schrik spoelde weg door een golf van vreugde. Ze zaten erop!
Met trillende handen haalde ik de lijn door de ogen van m'n tweeponder en schoof de dobber op de lijn. Minstens driemaal moest ik de haak aanzetten. Als laatste enkele loodjes op de lijn om de pen af te stellen. Terwijl ik overeind ging staan, zag ik alweer een karper rollen. Nog een handje maïs erbij. Nee, de pen stond nog niet goed, iets te diep, een loodje eraf. Op de steile kant had ik een behoorlijk overzicht. Ik keek naar links. Zo'n 15 meter uit de kant dreef aan de oppervlakte iets bleeks. Het leek net op een grote plasticzak. Nieuwsgierig keek ik beter. Hé… dat was een vis, een karper. Schuin in de golfjes hangend, reflecteerde zijn flank de zonnestralen van de ondergaande zon. Lichtbruin, goudachtig, een volledig schubbenpatroon van een mooie 20-ponder. Langzaam drong iets onwerkelijks tot me door. Die enorme lengte en die indrukwekkende hoogte van die flank. Een droom? Nee, ik knipperde met m'n ogen. Traag zakte de vis weg en als bij een zinkend schip kwam de oranjekleurige staart even steil omhoog om abrupt te verdwijnen. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Het moment vervloog. Was er iets gebeurd? Wat een vis!
Het zien, het niet geloven, de verbouwereerdheid en weg was het.
Mijn persoonlijk record stond op 23 pond en van Kobus had ik een
maand geleden een 24-ponder gezien. Ik dacht dat ik wel wat gewend
was, maar deze vis sloeg alles. Iedereen zei in die tijd dat de
vangst van een dertigponder van het kaliber was van "eens in
je leven", onbereikbaar en niet te realiseren. Bevangen door
de zenuwen begon ik te vissen en voortdurend dwaalden mijn gedachten
af. Dat was geen toeval, die vis vlakbij mijn stek waar ik zeven
dagen had gevoerd! Zo-even was ie er al geweest, toen ik met Kobus
in de Angstel was. Plotseling kreeg mijn pen een flinke tik en verdween.
Na een stevige aanslag kreeg ik contact met een wegscheurende vis
en begon de dril van mijn eerste havenkarper. Het resultaat was
een spiegelkarper met goudkleurige schubben als florijnen zo groot.
Zijn gewicht was 20 pond. Wat een succes. In de volgende uren gebeurde
er niets meer en verdween alle karperactiviteit. Ik had er veel
eerder moeten zijn! De volgende ochtend nam Kobus de foto's.
Hij stond perplex van mijn verhaal over die geweldige gigant en
ook hij besloot met maïs in die haven te gaan vissen. Toch
hield Kobus zijn twijfels over die 30-ponder. |
|
|
Het begin |
|
|
Zondag 6 juli was ik weer te laat en begon ik voor de tweede keer na achten. Hoewel er nog verschillende karpers in de buurt sprongen, ving ik pas uren later een schichtig 6-pondertje. Niet veel voor de moeite. Aangezien Kobus hier nu ook voerde, besloten we, mijn wel erg vroege voertijdstip van vijf uur te verleggen naar zeven uur.
Maandag 7 juli. Topdag van Kobus in de Angstel. Deze avond ving
hij "De Schotel".
Donderdag 10 juli. Daar gingen we, op weg naar de maïsstekken. We kwamen van de Angstel, waar we onze boiliestekken hadden bijgehouden. Het weer was goed maar somberder dan de laatste dagen. Zo nu en dan brak de zon door de bewolking heen. Bij de haven stapten we snel uit de auto en liepen we ieder naar onze eigen stek. Op het braakliggende land konden we elkaar door de zware begroeiing al gauw niet meer zien. Mijn stek lag er nog net zo bij als de vorige keer. Om het dagelijkse voerritueel weer na te bootsen en me enige voorbereidingstijd te gunnen, strooide ik ineens de helft van de maïs over de kant. Op mijn gemak tuigde ik mijn hengel op. Nu het aas nog op de haak. Ondertussen verstreek een half uurtje. Het vissen kon beginnen. De wind rimpelde het water. De af en toe felle stroom trok mijn pen beurtelings naar links en rechts. Niets. Tien minuten later passeerde kalm een grote schuit. Sterk zoog ie het water naar zich toe, waardoor 't kortstondig daalde, maar snel weer rees. Lang bleef het water nadeinen, waarschijnlijk door de rechte oeverkanten. |
|
|
De dril van een gigant |
|
|
Een half uur later. Een aarzelende tik. Bruusk werd de pen tegengehouden in de stroming. Aanslaan? Nee, ik moest het zeker weten en pas aanslaan als ie stevig wegliep. Een kwartier verstreek. Nauwkeurig observeerde ik de waterspiegel, vlakvoor m'n neus. Een enkel belletje kwam naar boven. Ineens vier tegelijk en na heel even te hebben gedreven, knapten ze als kapotgeprikte luchtballonnetjes. Zag ik dat goed? Weer twee belletjes. Er was vis op de stek, maar karper? Ik haalde voorzichtig op en keek voor de zekerheid de korreltjes nog even na. Minuten verstreken. De pen kreeg een harde stoot en begon bedaard in de diepte weg te glijden. De korte afstand tussen hengeltop en pen deed de lijn snel strakstaan. Nog iets toegegeven, een beheerste maar krachtige aanslag, weerstand. De hengel stond als een hoepel gebogen. Karper! Snel opgang komende power zwom zwaar naar links, weg van de plaats des onheils. De slip die ik niet zo stevig had afgesteld, deed netjes tikkend zijn werk.
Na zo'n 30 meter leek de run te stoppen, de hengel veerde omhoog;
snel strakker gedraaid. Met grote lome bewegingen draaide de vis
zich in de diepte, zijn koers nog meer naar links verleggend. Nogmaals
ging 't 30 meter door de slip. Voorzichtig ging ik staan om een
beter overzicht te hebben. Zittend was dat knap lastig door het
hoge onkruid. Ik pakte het schepnet, gooide dat naar links en liep
al drillend die kant op. De karper keerde zich om en kwam weer terug,
vermoedelijk begon ie moe te worden. Als dat niet een mooie 25-ponder
was, wist ik het ook niet meer. Daar vocht ie zwaar genoeg voor.
't Koppie erbij houden dan kon er niets gebeuren. Wat duurde
dat lang. Voor mijn gevoel al een dik kwartier. M'n arm begon
pijn te doen. Steeds vocht de vis in hetzelfde locomotiefachtige
patroon. De ene keer ging ie naar links om zich dan ineens met logge,
goed op de hengel te voelen bewegingen om te draaien. Daarbij gleed
waarschijnlijk ook de lijn van zijn rugvin, wat een gevoel veroorzaakte
alsof de lijn losschoot. Dan ging het weer naar rechts.
Goh…, wat duurde dat lang. Mijn stijve arm hield ik wat anders. Wat was dat? De hengel veerde op, de karper zwom naar me toe. Ik hield contact door snel bij te draaien. Zo'n vijf meter uit de kant wentelde de vis zich moeizaam om vervolgens loodrecht van mij vandaan te zwemmen. Op de hoge kant staande zag ik de snaarstrakke lijn door de waterspiegel kerven. Ik verhoogde de druk en keek nieuwsgierig vóór de lijn. Het water was redelijk helder en enigszins bleekbruin gekleurd door de stralen van de toevallig schijnende zon. Zwemmend kwam de vis omhoog. Op afstand keek ik op de volle lengte van een donkerbruine rug. Wat er toen door me heenging, onbeschrijflijk! Dat kon niet, dat leek wel een 40-ponder. Kijk goed, normaal blijven, die was minstens dertig pond! 't Was niet te geloven, maar ik zag het echt. De karperreus verdween weer in de diepte en zwom rustig zijn rondjes. Wat als ie eraf schoot? Kobus, iedereen, ze zouden me nooit geloven. Niet in paniek raken. Hij zat er al een hele tijd aan. De haak kon dus niet slecht zitten. Druk houden, deze vis moest ik hebben.
De rondjes werden kleiner en kleiner. Opnieuw zwom de karper van de linkerkant naar me toe. Weer kwam ie omhoog door de toenemende druk. Daar was hij, een schitterende schubkarper verscheen in zijn volle glorie aan de oppervlakte. Met zijn kop naar me toe gericht, hapte hij amechtig naar lucht. Hij gaf zich gewonnen, maar daar had ik nog niet op gerekend. Het schepnet had ik nog niet in het water gestoken. Het duurde te lang en in een flits gaf ik toe, waarop het grote lijf in het water terugzakte. Uitgevochten begon de vis aan zijn laatste rondje. De slip iets losser stellend, liet ik 'm begaan in de overtuiging, dat hij zo dadelijk op dezelfde wijze zou reageren. Met m'n linkerhand pakte ik het schepnet en stak dat in het water, maar door de steile oever gleed het weg. Daarom klemde ik de steel onder mijn been. Door de hoge kant moest ik de vis helemaal onderaan de schoeiing brengen. Met dit in m'n achterhoofd wachtte ik tot de vis opnieuw naar me toe zou zwemmen. Ja hoor, daar kwam ie weer. Nu wist ik wat er ging gebeuren. Met grote, lange halen, snel bijdraaiend tijdens de pompbeweging, gaf ik de vis wat extra vaart mee. Hoog in het water gleed ie op zijn flank naar mijn schepnet en hupsakee erin. Joegee! Onbekommerd gooide ik m'n dure hengel naar achteren en pakte het net aan beide armen vast om het hele gevaarte op de kant te tillen, maar dat lukte me niet. Het net zat vast. |
|
|
De apotheose |
|
|
Een paar minuten later was ik nog geen millimeter opgeschoten.
Hoe kon dat nou? "Kobus, Kobus!", schreeuwde ik. Hij kwam
niet, dan maar wachten. Plotseling kwamen zware voetstappen dichterbij,
gelukkig. Achter me hoorde ik Kobus zeggen: "Evert, ik heb
zojuist een 12-ponder gevangen. Dat wou ik je komen zeggen. Waarom
zit jij daar eigenlijk zo gek daar onderaan de kant?" Ik antwoordde:
"Kobus je moet me helpen. Er zit een hele grote karper in mijn
schepnet, misschien wel de vis van mijn leven! " Kobus werd
hartstikke nieuwsgierig en keek halsreikend over de hoge kant naar
wat daar hing. Hij schrok en kon nog net uitbrengen: "Wat een
grote, dat is niet normaal! " Met zijn tweeën tilden we
de karper moeizaam op de kant en liepen omhoog. Op veilige afstand
van het water spreidden we het net open. Daar lag een indrukwekkend
bulkend lijf. Imponerend, zo groot. Dat hadden we nog nooit gezien.
Kobus stamelde steeds dezelfde woorden: "Ongelooflijk, ongelooflijk, ongelooflijk! " Expres stelde ik de domme vraag: "Zou die dertig pond wegen? " Kobus schudde met z'n hoofd en zei: "Wat een gek, die is veel zwaarder! " Met de grootste moeite wogen we de karper. Hij woog 36 pond bij een lengte van 94 cm! Daar dansten twee karpervissers als kinderen zo blij. Na de foto's deden we de karper in een bewaarzak. We stopten direct met vissen, want de zenuwen gierden door ons heen. Toen we thuiskwamen was het donker. Tegen middernacht belde ik Ruud uit zijn bed en deed hem het hele verhaal uit de doeken. Onmiddellijk kwam ie naar me toe. En opnieuw gingen we met zijn drieën naar de waterkant en bewonderden de karper. Mijn persoonlijk record van 23 pond was verpletterd. Het duurde tien jaar voor ik een evenzware karper ving. |
|
|
Epiloog |
|
|
Op zich verliep de vangst van deze 30-ponder erg gemakkelijk, maar daarna was het afgelopen. In 1987 lukte het ons niet meer in diezelfde haven, ondanks stevig vissen. Maar ja, dertigers zijn erg zeldzaam. In 1988 viste ik zeer intensief in deze haven, maar mijn zwaarste vis woog slechts 26 pond. Ook Chris, een andere vismaat, viste er vaak, maar kon niet naar de top doorstoten. Raar, als je het geluk wil afdwingen, komt het zelden, terwijl ik die gigant ving voor ik er erg in had. Achteraf bekeken was het "moment suprême " zo gemakkelijk, maar in een zee van moeite.
Wat gebeurde er in 1989?
Theo de Kraay, een karpervisser uit Maarssen, besloot ook eens zijn geluk te beproeven in het Uraniumkanaal. Twee dagen voerde hij met 800 gram boilies op nog geen 40 meter van mijn oorspronkelijke stek. De derde dag kreeg hij rond middernacht een run. Bingo! Een fantastische schubkarper van 35 pond bij de respectabele lengte van 95 cm was zijn vangst! Het verhaal ging als een lopend vuurtje. Ik hoorde ervan en bekeek de foto's met speciale interesse. Volgens mij was hij het! Van harte gegund Theo! Vreemd, zijn eerste vis en mijn derde vis op dat water. De geschiedenis herhaalde zich op identieke wijze. Eigenlijk liep Theo er nog gemakkelijker tegenaan dan ik. Theo viste verder, maar dan lukte het ineens niet meer. Daar was ik inmiddels ook al achter gekomen. Opmerkelijk is trouwens, dat Theo die karper ving op datzelfde stuk waar ik hem ook al had in 1986! Als je weet hoe groot het is, schrik je wel even. Aan de andere kant lijk het alsof ie er maanden, wat zeg ik, jaren, niet is. Je moet 'm dus wel op het juiste moment tegen het grote lijf aanlopen.
In 1986 dacht ik, dat er nog veel meer zware vissen zouden zitten. Echter, mijn huidige mening is dat die 36-ponder, in ieder geval in het Uraniumkanaal tot aan de Pegus de absolute top verpersoonlijkte. Hoewel helemaal zeker weten, doe je het nooit. Een ding is wel zeker. De gigant zit er en af en toe komt ie er heel "gemakkelijk " uit.
Een interessant punt wordt hier aangesneden, namelijk de eventuele plaatsgebondenheid van een grote karper. Behoudens op kleinschalig water, waar dat fenomeen zich veel duidelijker kan voordoen, geloof ik er echt in, dat dit ook geldt voor het grote water, de trekvissen uitgezonderd. Een mooi voorbeeld is een andere herhaalde vangst. In hetzelfde Uraniumkanaal ving ik op een andere stek een spiegelkarper van 26 pond. Dat gebeurde in september 1986. Die vis kreeg de bijnaam "het Schilderij " wegens zijn bijzonder fraaie schubbenpatroon, waarin zeer kleine en grote schubben elkaar afwisselden. Een jaar later, in augustus 1987, ving Kobus hem ook en op exact dezelfde stek! Weer twee jaar later, in september 1989, viste ik zelf een maand op deze stek en temidden van vele kleinere karpers kwam maar één grotere vis. De lezer raadt het al en hij heeft gelijk. Het was "het Schilderij ", ditmaal op 27 pond. Tevens was hij dat jaar mijn zwaarste vis in die haven! Vier jaar lang kwam hij terug naar dezelfde plaats, wat we inmiddels hebben aangetoond. Misschien deed ie dat al veel langer of vaker, maar dat weten we niet.
Tenslotte nog iets over het aas. Gedurende de succesvolle maïsstekken betrof het een hete zomer met als gevolg hoge watertemperaturen van 24º tot 26º Celsius. Na een week voeren werkte de beperkte hoeveelheid maïs uitstekend, want vooral in het begin zaten er heel wat karpers op mijn stek, inclusief die 36-ponder. Tweemaal was ik te laat en miste de gigant, die zich ondertussen tegoed had gedaan aan de maïs. De derde keer ving ik 'm toch. Wat me opviel was, dat naarmate de tijd verstreek buiten deze vis nog nauwelijks andere karpers op de stek aanwezig waren. Eigenlijk was hij de enige vis die overbleef! Dominantie of uiteenlopende belangen? Ik heb me vaak afgevraagd, waarom bleef juist hij, de grootste, alleen over op die stek? Dat gebeurde immers op een partikelbed van louter koolhydraten, terwijl toch in het licht van de moderne eiwittheorieën juist de hoge eiwitten, dat zouden moeten bewerkstelligen! Hier moest een plausibele verklaring voor zijn. Blijkbaar was de geweekte maïs voor deze gigant om de een of andere reden zeer aantrekkelijk. Hij voelde zich er prima bij. Hoe was dat te rijmen met het normale dagelijkse voedsel van de karper, dat toch principieel bestaat uit eiwitrijke diertjes? Kreeg die supervis soms iets speciaals, wat hij goed kon combineren met zijn natuurlijk voedsel? Ik wist het toen nog niet. |
|
|
|
|
|
Noot 2003.
De 36-ponder zou in latere jaren nog een keer of drie gevangen
worden. Bob Siemons was de laatste visser die deze unieke karper
ving in mei 1995 op bijna 37 pond. Hij ving 'm op het
hoge platform in de Kernhaven van de Pegus. Deze karper heeft
nu de bijnaam "de Havenbaron " en ook over hem schreef
ik een uitgebreid artikel in "Hét Visblad ".
Zelf heb ik het idee dat deze vis nog steeds zijn leefdomein
heeft op dezelfde plaats achterin het Uraniumkanaal en daar
zelden nog vandaan komt. Het braakliggende terrein waar ik en
Kobus vroeger visten, is tegenwoordig niet meer bevisbaar door
enorme fabrieken. Vermoedelijk is dat de hoofdreden dat deze
vis zo weinig gevangen wordt. |
|
|
 |
 |
 |
 |
 |
|
 |