|
|
|
De voerstek deel 1 |
|
|
Inleiding |
|
|
Waarom leggen we een voerstek aan? Wat is het idee erachter en wat houdt het in, het voeren vooraf? Eigenlijk is het een gedegen voorbereiding op de vistrip enkele dagen later om met enige zekerheid visplezier te hebben en beloond te worden met een mooie vangst. Alles aan het toeval overlaten en af en toe eens een hengeltje uit te gooien, is op de lange duur niet zinvol meer. Je wilt ook wel eens vangen. Steeds maar zonder vis thuiskomen, kan leiden tot het afhaken van de prachtige sport die “karpervissen” heet. Mijn motivatie voor een voerstek ligt in het zelfvertrouwen en het meerdere visplezier dat ik krijg door een afgedwongen vangst. Als de beloning groot is, vormen slechte weersomstandigheden geen beletsel meer. Bijten ze niet, ondanks een goede voorbereiding, dan heb ik daar vrede mee. Dikwijls kon ik achteraf de oorzaak achterhalen. De term “orde in chaos” is tekenend voor mijn hele visserij. |
|
|
|
|
|
Dit gebeurt niet zomaar in het wilde weg. Er is bijvoorbeeld gepeild, de bodemstructuur is bepaald (hard of zacht), de watertemperatuur is opgenomen en er is gekeken of er al eerder is gevist. Ook het neerstrooien zelf vereist een precisie. Niet te wijd en niet teveel op een hoop. Denk na! Je bent niet de kippen aan het voeren! Netjes en doordacht wordt er afhankelijk van het aas een duidelijk voertapijt aangelegd. Waarom “pre-baiting” of het voeren vooraf? Vooraf betekent: vóór de werkelijke visdag een paar dagen naar het viswater gaan om daar het meegenomen voer op een zorgvuldig uitgekozen stek te gooien.
|
 |
|
|
|
|
|
|
Goed geconcentreerd en duidelijk voor een karper herkenbaar als de plaats van een makkelijke voedselbron. Het tapijt wordt de volgende dag opnieuw aangelegd en zo verder.Het gewenste effect is als volgt te beschrijven: de karper vindt toevallig de plek en eet van het voedsel, keurt het goed en heeft een gevoel van welbehagen, ook na een langere eetperiode. De vis associeert het gevonden voedsel met de vindplaats – de visstek – en blijft in de buurt rondhangen. Het kan ook zijn dat hij wegzwemt en later opnieuw komt schransen. |
|
|
Het doel van de voerstek is: |
|
|
de karpers “vast te houden” of “terug te laten komen”.
Als de vis aast tijdens de eerstvolgende sessie, behoeft de visser in het ideale geval alleen de desbetreffende karpers op te wachten in een beperkt aantal visuren. Mits juist gekozen, zijn vier tot zes uur vissen ruim voldoende voor het beoogde resultaat. Het zal de lezers opvallen, dat ik het heb over de “desbetreffende” karpers. Een enkele grote dominerende vis, een groep, het zijn altijd individuen die de juiste associatie hebben gemaakt. Op die exemplaren vis ik. Dat is het belangrijkste doel van een voerstek. Ik geloof niet in het aanleggen van een voerstek – zeker op groot water – met als doel de gewenning aan een bepaald soort aas. Ook niet ter introductie van harde boilies. Naar mijn stellige overtuiging neemt een karper ook de eerste keer vlot een vreemd voedsel tot zich. Denk aan het vissen in kanalen zonder voerstek, waar boilies direct als voedsel werden herkend. Gewenning is zinloos op groot water als er niet de associatie met een bepaalde plaats aan is gekoppeld. De vis eet, zwemt weg en komt waarschijnlijk nooit meer terug. Gewenning is slechts nuttig in de associatie: plaats – voedsel. Voorts wordt hier nog eens het belang onderstreept van een juiste dagelijkse concentratie voer vooraf. Het bewijs dat ik op “aangevoerde” karpers vis? In de loop der jaren heb ik vele malen identieke ervaringen opgedaan en eigenlijk wordt het elke nieuwe sessie weer bewezen. De karpers liggen vaak gewoon te wachten en niet zelden is het binnen enkele minuten of een half uur prijs. Een wachttijd van een uur is vrij normaal en een wachttijd van drie à vier uren is al lang. Zo kwam bij mij eens een 31-ponder na 45 minuten, een 32-ponder na 50 minuten en een 36-ponder na 30 minuten! Maar datzelfde gold voor talloze 20-ponders en vele, vele kleinere vissen. Vaak had ik bij de snelle vangst van een grote karper zelfs het idee, dat daarmee de volledige buit al binnen was en verder wachten weinig nut meer had. Immers die ene vis, dat was ‘m! Hij had zich volgegeten met het gevoerde aas, wat ik duidelijk kon zien aan de vele resten in zijn ontlasting. Hierbij komt dat vooral de grote vissen de stek vaak domineren en het voer opeisen. Vele malen heb ik na een topvangst langer doorgezeten, echter zonder noemenswaardig resultaat. Maar dat gaf niets, want wat wilde ik nog meer? Ik was uitbetaald met een enorme beloning! De stek was over voor vandaag en het “voertrucje” kon ik ergens anders opnieuw herhalen! Die karper lag toch niet zomaar te wachten? Moet je eens kijken hoelang je moet wachten als niet hebt gevoerd. Als ik alle wachttijden bij elkaar optel – gerekend over het hele jaar, zomer en winter, goede en slechte stekken, inclusief blanks – en ik deel die tijd door het aantal gevangen karpers, dan heb ik nog maar een gemiddelde van ruim vier uur per gevangen karper! |
|
|
De voordelen |
|
|
 |
Tijdsbesparing. Op een voerstek hoef je veel minder uren te wachten. De karpers worden namelijk “vastgehouden” of “komen terug”. Relatief korte sessies van vier tot zes uur zijn mogelijk. |
 |
De “selectie” van grote karpers door hun voorkeur voor veel koolhydraten kan leiden tot dominantie op de stek. De grote vis heeft er belang bij, een kleine karper niet of minder. Ik geloof minder in een selectie van grote karpers door de grootte of de hardheid van een boilie. Wel geloof ik in de witvisongevoeligheid ervan. |
 |
De aangevoerde karpers azen spontaan, zij hebben hun natuurlijk wantrouwen afgelegd: “confidence pressing”. Ingewikkelde rigs zijn niet meer nodig en een goede standaardtechniek voldoet en hoeft uitsluitend te worden aangepast aan de omstandigheden terplaatse. |
 |
De overbodigheid van allerlei middeltjes die dienen ter bevordering van de “instant-respons”. De karper hoeft niet meer te worden verleid om het aas te nemen. Hij kan er dagenlang van eten zonder dat er iets gebeurt en dan voelt hij zich wel of niet goed. Ik bestrijd hier niet, dat een goede smaak het voer zou kunnen meehelpen, maar alleen in beperkte mate. Flavours op wat voor basis dan ook, smaakversterkers, sweeteners, aminozuren, enzymen, kleurstoffen en andere geheime middeltjes verliezen op den duur hun aantrekkelijkheid, als ze die al hadden. Bij een gebrek aan kennis zou ik die op een voerplek niet gebruiken. Daar komt het uitsluitend aan op het aas zelf, de kwaliteit ervan en de bereiding en niet te vergeten de juiste voerhoeveelheid bij een bepaalde watertemperatuur. Als een aangevoerde karper aanwezig is, komt ie echt wel. Het kan een tijdje duren, maar hij “weet” wat ie zoekt. Zit je daarentegen een karper “zomaar” op te wachten, dan ben ik het volledig eens met de noodzaak van een goede “instant-respons” en “heads down” is een must geworden. |
 |
Het effectief bevissen van een stek vanuit een lastige positie. Ik had ooit eens een stek in het riviertje de Angstel waar ik viste naar de overkant. Normaal gesproken was er niets aan de hand, maar al die jachten die daar voortdurend langsvoeren waren in de zomer een verschrikkelijke ergernis. Ik moest constant ophalen en opnieuw ingooien. Op sommige stekken zat ik op een smalle berm, waar vlakachter een B-weg liep met jakkerend verkeer. Gelukkig was het bij tijden ook wel rustig. Iets anders is het vissen vanuit een roeiboot. Hoelang hou je dat vol? Dan was er een stek bij een spoorbrug waar het geluid van de treinen zo doordringend was, dat ik om de haverklap mijn vingers in m’n oren moest steken. Met enig doorzettingsvermogen kon ik het daar nog wel een uurtje of zes volhouden, maar langer niet. Laat staan dat ik er enkele nachten viste vanuit een bivvy, dat was onmogelijk. |
 |
Je valt als karpervisser niet vlug op. Stekkenpezers liggen altijd op de loer. Ze willen profiteren van een ander, oogsten wat een ander heeft gezaaid. Gelukkig heb ik daar weinig last van gehad. Waarschijnlijk wegens het vissen op groot water, waar het al moeilijk genoeg was en ik slechts een enkele aanbeet kreeg per sessie. Ik ben trouwens wel het type dat vertelt, dat ie ergens heeft gevoerd als anderen te dicht in de buurt komen. Het werkt probaat en per ongeluk op je stek zitten, gaat niet meer. De “vijand” benader ik wel menselijk want uiteindelijk heb je toch dezelfde hobby. Volgens mij is een harmoniemodel altijd beter dan een haat- en nijdverhouding. Geven en nemen is mijn parool. Ik geloof ook niet zo geheimzinnig doen aan de waterkant. Daarom stuur ik ook niet snel iemand met een kluitje in het riet. Maar zomaar overal mee te koop lopen waar en hoe ik vis, vind ik het andere uiterste. Alles vertellen, is ook niet nodig. Samen met wat vrienden alleen een viswater kunnen bevissen heeft ook zijn charmes, maar dat tegenwoordig is nauwelijks mogelijk. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
De nadelen |
|
|
 |
Voeren is moeilijk, zo niet onmogelijk bij een grote afstand van huis. Mijn grens is maximaal 30-40 kilometer. Gelukkig is Nederland het waterland bij uitstek en hoeven we normaal gesproken niet eens zover van huis te gaan. Het mooiste is een afstand van 10-15 kilometer en of je verder gaat, hangt hoofdzakelijk af van de beschikbare tijd en de financiën. Toch zijn er gevallen dat voeren niet mogelijk is en dan kan ik me een andere visserij goed voorstellen. |
 |
De tijdrovende voorbereiding. Niet iedereen heeft tijd om boilies te draaien, te koken en die elke dag in het viswater te gooien. Dat begrijp ik, maar waar een wil is, is een weg. Waar liggen de prioriteiten? Langdurige sessies in het weekend zijn misschien de oplossing. Het is maar hoe je de beschikbare tijd indeelt. Grote karpers komen echter niet vanzelf, daar is veel tijd en moeite voor nodig. |
 |
In een druk bevist water kan er nauwelijks op een “eigen stek” worden gevoerd. Claimen is er niet bij, nooit trouwens. Overleg kan uitkomst bieden, maar zijn er echt geen nieuwe stekken meer te vinden? Juist buiten de druk om kan vaak goed gevangen worden. Ook op groot water geldt dit gegeven. Waar de meeste vissers zitten, is volgens mij de kans erg klein om een echte bak te vangen. En zo die er al is, moet net die ene kans ook nog worden gedeeld! Als je alleen ergens vist, heb je zelf alle kans! |
|
|
|
De te voeren hoeveelheid aas |
|
|
Hoe bouwen we een voerstek op en hoe onderhouden we die? De eerste veelgemaakte fout is de voerhoeveelheid. Daarnaast is het aantal voerdagen erg belangrijk, maar daar kom ik uitgebreid op terug. Zoals steeds zijn praktijkervaringen het uitgangspunt. In de loop der jaren heb ik en mijn vismaten tientallen, misschien wel honderden voerstekken bevist en aanvankelijk met wisselend succes. Je moet willen leren van je fouten en ook van die van andere vissers. Pas de vangsten geven aan of je goed of verkeerd bezig bent. Wanneer ik het heb over de hoeveelheid aas en het aantal voerdagen dan geef ik op de eerste plaats mijn persoonlijke mening. Ik heb getracht die zorgvuldig te onderbouwen, door analyses te maken van jarenlange viservaringen. De praktijkgegevens volgens “de methode van de voerstek” zijn gebaseerd op de meest succesvolle vissessies met een duidelijk terugkerend patroon. Maar ook het fiasco, het falen onderzocht ik. Iets “fout doen” is gemakkelijk, iets “goed doen” is moeilijk, maar het continueren van het succes, dat is pas “the art of fishing”. Even afgezien van het aantal karpers is volgens mij de watertemperatuur het meest objectieve uitgangspunt voor de dagelijkse voerhoeveelheid en voor welk soort voer ik kies. Die watertemperatuur heeft grote invloed op de tijdsduur dat het voedsel blijft in de darmen van de karper. Die tijd varieert sterk met het verloop van de watertemperatuur. In de zomer duurt het vijf tot zeven uur voordat de vis de resten van het verteerde voedsel kwijt raakt. Bij 15º Celsius is het 10 uur, om maar niet te spreken van de winterperiode, waar een tijdsduur van 17 uur een feit is. Zie de grafiek over de doorlooptijd in de darmen, die behalve het belang van voedingsvezels, tevens het belang aantoont van een goede voerhoeveelheid. Misschien vinden sommige karpervissers dat het niet zinvol is om de watertemperatuur op te nemen. Voor mij is dan de onzekerheid te groot. Door uitsluitend naar het water te kijken, schiet ik niets op. Ik kan aan de oppervlakte niet zien of het water 10º Celsius is of 16º Celsius. Opmeten kan ik het wel. Voor de voerhoeveelheid wil ik van tevoren een betrouwbare maatstaf hebben. Of is dat soms het aantal karpers van het hele water? Ik heb dat wel eens gelezen, maar vind dat grote onzin. In de praktijk kan het uitgangspunt alleen maar zijn wat haalbaar is op een bepaalde stek, namelijk de stek die is uitgekozen om te bevissen. Op elk water, groot of klein, bestrijkt de gekozen stek een zekere sector. In die sector zwemt maar een deel van het totale karperbestand. De voerstek slaagt, wanneer op een redelijke termijn enkele karpers, individuen, zich op die stek gaan ophouden, dan wel er regelmatig terugkomen. Om te bereiken dat die karpers dat gaan doen, moet moeite worden gedaan, soms zeer veel moeite. Het is vrijwel zeker, dat er altijd karpers zullen zijn die wel van het aas eten en om de een of andere reden niet meer terugkomen. M.a.w. een percentage gaat verloren. Dat geeft niet, want dat feit calculeren we gewoon in. We streven naar de hoogste piek per stek en die karakteristiek is voor een water. Met die piek bedoel ik de top in aantal en de grootte van de karpers, die terplekke bereikbaar is. Het gaat om de juiste combinatie van de hoeveelheid voer per dag en het aantal voerdagen en daarbij het regelmatig afvissen van de stek, die het beoogde succes zal kunnen leveren. Een belangrijke fout die ik veel maakte, was de stek nog beter te willen maken door extra dagen te voeren en heel veel aas te gebruiken. “Heel veel” werkt meestal niet in de praktijk. Die neiging tot overdaad, is een neiging die we allemaal wel hebben. Door schade en schande leerde ik, dat het meer succes opleverde als ik mijn neiging tot “veel en meer” probeerde te onderdrukken. “Veel” leverde dikwijls “weinig” op. Nu eerst de watertemperatuur als maatstaf voor de hoeveelheid aas per dag. Met dit uitgangspunt kan ik een grove driedeling maken en in principe is die onafhankelijk van de exacte kalenderdata: |
|
|
|
|
|
 |
De zomervisserij. |
 |
De overgang van zomer- naar wintervisserij (en omgekeerd). |
 |
De wintervisserij. |
|
|
|
De zomervisserij |
|
|
Het water wordt pas echt warm bij 18º Celsius en hoger. Nu begint de zomervisserij. De temperatuur van het karperlichaam varieert gelijktijdig met het stijgen en dalen van de watertemperatuur. Dit is koudbloedigheid. Het stofwisselingsproces (metabolisme) van de vis staat op het hoogste pitje. De vertering van voedsel gaat snel en de vis is niet gauw te verzadigen. In de natuur is een grote rijkdom aan voedsel. Vooral in de goede wateren is het onvoordelig te concurreren met de natuurlijke eiwitten. Het beste is om een aas te gebruiken, dat hoofdzakelijk bestaat uit producten met een veel koolhydraten. De activiteit van de karper is groot en dikwijls is hij op trektocht, zeker op groot water. Typerend is het enorme verspreidingsgebied in de warme tijd, vergeleken met die in de koude periode. Eigenlijk kan de karper in de zomer op elke plek gevangen worden, diep of ondiep, stijf tegen de oever of op afstand.
Het aas. Voor de boilies prefereer ik ruwweg 17% tot 18% eiwit, maar meestal zit ik tussen de 15% en 20%. Het vezelgehalte is ongeveer 3-4 gr/240 kcal. De vetten houd ik meestal rond of iets onder de 20%. De algemene norm van Schäperclaus is 15-25%. Wanneer ik de hoeveelheid boilies in gewicht uitdruk, vind ik 1100-1300 kant en klaar gewogen, voldoende. Maximaal is 1500 gram (hooguit 2000 gram) per dag. In de praktijk had een groter gewicht geen effect. Meerdere testen in die richting leverden niets bijzonders op. Wat kan hiervan de verklaring zijn? Ik denk dat de belangrijkste reden is, dat je niet meer karpers op je voerstek kunt krijgen dan er langskomen tijdens de dagen, dat je voert. Een gemiddeld voergewicht van 1300 gram had een behoorlijke impact. Ook ten aanzien van een school – grote – karpers. Sessies van zes uur vissen met 70-100 pond karper kwamen voor en redelijk vaak kon ik meerdere 20-ponders vangen. Zeer belangrijk is ook de gretigheid, die in combinatie met de voorkeur van de grote kweekkarper voor koolhydraten, ervoor zorgde dat vooral de zwaarste vissen naar verhouding het vlugste terugkwamen. De kleintjes eten er aanvankelijk wel van, maar komen er minder snel op terug. Heel simpel, omdat ze relatief gezien te weinig eiwit naar binnen krijgen in vrij veel voer. Het is een kwestie van uiteenlopende belangen. Omdat grote vissen in de praktijk nu eenmaal niet voor het opscheppen liggen en je ze maar moet zien tegen te komen, is het gemiddeld rendement per sessie normaal. Twee tot vier aanbeten is al zeer goed op groot water. Ook al had ik het gevoel, dat er in de voorafgaande voerdagen veel meer karpers langsgekomen waren. Als het uitstekend ging, behoorden zelfs zes tot tien aanbeten tot de mogelijkheden. Het geforceerd met behulp van een groter gewicht dan 1500 of 2000 boilies veel aanbeten te willen afdwingen, lukte niet. Komen er weinig karpers langs, dan werkt het effect zelfs averechts. De karpers worden verzadigd en de gretigheid gaat verloren. Een alternatief is misschien om langere vissessies te houden, dus een volledige nacht door te vissen. Een afgemeten hoeveelheid voer van 1300-1500 (of 2000) gram heeft bij korte sessies een continu resultaat als gevolg. Passeert in dit geval een echte zwaargewicht de voerstek, dan is het effect maximaal en is groot succes verzekerd! De gigant zal hebberig liggen te wachten, of hij zal al na enkele uren gretig terugkomen. Hopelijk gebeurt dat bij de geplande vissessie. |
|
|
De invloed van partikels |
|
|
Meerdere malen heb ik geprobeerd met behulp van vele kilo’s maïs of kikkererwten de boiliestek te ondersteunen om een meereffect te bewerkstelligen. Vaak was het resultaat teleurstellend en de beloning te klein voor de geïnvesteerde moeite. De witvisgevoeligheid van maïs bleek óók een nadelige invloed te hebben op de bijliggende boilies. Die werden op den duur ook gepakt en afgevreten door brasem, winde of voorn. Dat kan de bedoeling niet zijn. Incidenteel kan een lange voercampagne met een beperkte hoeveelheid maïs groot succes brengen. Zo wist ik na een dikke week voeren een 36-ponder te vangen in het Uraniumkanaal van de Pegus te Utrecht. Later haalden identieke voerpogingen op hetzelfde water niets meer uit. Ook niet bij het gebruik van zeer grote hoeveelheden maïs in de orde van 10 tot 20 kilo. Maar een paar dagen voeren met uitsluitend boilies waren wel altijd goed om enkele beten af te dwingen. Zo kwamen er toch weer 30-ponders boven water. Op welke wijze kan de maïs zinvol worden gebruikt in de zomerperiode? Maïs in combinatie met een boiliestek met het oog op “stekherkenning” heeft ten doel dat de stek zichtbaarder wordt voor de vis. Bijvoorbeeld in een kanaal, een haven of langs een kale kant zijn twee tot drie kilo ruim voldoende. Hierbij komt de normale hoeveelheid boilies die het eigenlijk (ook zonder de maïs) moeten doen. Ik adviseer in heel onrustig en moeilijk water vijf dagen te voeren. Soms is dat een bittere noodzaak, maar wegens de zware scheepvaart is ook dan succes niet verzekerd. Af en toe heb ik op deze manier wel een zware vis gevangen, maar niet regelmatig. Een andere mogelijkheid van stekherkenning is in rustig stilstaand water, zoals in kreekjes en bij rietkragen en lelievelden van ondiepe veenplassen, waar de bodem venig en modderig is. Bij de afgeplatte boilies werd ongeveer een kilootje, nat gewogen, zacht gekookte maïs gestrooid. Hierdoor kreeg de stek een iets omvangrijker aanzien. Ondanks die witvisgevoelige koolhydraten bleven de boilies toch de overhand houden, waardoor de last van witvis duidelijk minder was. Gelukkig was deze manier niet arbeidsintensief en onder het mottot “baat het niet, schaadt het niet”, gebruikte ik het vaak. Die “kleine combinatie” voldeed bij mij het beste in het najaar bij dalende watertemperaturen. Verschillende zware exemplaren – tot 35 pond! – kon ik aldus verschalken. Nog een laatste woord over de enorme hoeveelheden maïs, waarmee andere karpervissers voerden en zo te horen ook succes hadden. Een flink vraagteken is hier op zijn plaats. Het is net zoiets als de bekende vraag naar de kip en het ei, wat was er eerder? Zo kende ik vissers die jarenlang op dezelfde stek op Vinkeveen tweemaal per week een halve baal – 12,5 kilo – dumpten. Op dinsdag en donderdag, en rauw! Volgens eigen zeggen hadden ze goede tot uitstekende vangsten, maar ook geweldige missers. Dan moesten ze die plek om de zoveel weken een tijd met rust laten om daar opnieuw karpers te kunnen vangen. Er lag gewoon veel te veel! Dit geeft de grote beperking aan van een dergelijke wijze van voeren. Toch was terplekke soms zeer veel karper aanwezig, met name in de paaitijd!? Op een gewone stek kan volgens mij zo’n halve baal nooit goed zijn. Wat bijvoorbeeld als het kouder wordt en goede boilies, denk aan het vezelgehalte dat de vertering bevordert, en gekookte maïs noodzakelijk zijn? Een andere vraag: hoe kan het dat twee man in een driedaagse vissessie samen 66 aanbeten kregen op een stek in Vinkeveen, waar enkele dagen was gevoerd met slechts twee kilo maïs per dag? De doorslaggevende factor was, dat de karpers zich ter terplekke massaal verzamelden en niet dat er op een bepaalde manier was gevoerd. Je kunt de zaak wel beïnvloeden maar niet bepalen. Als er weinig karper is, heeft veel voeren geen enkel nut. Als er veel karper in de buurt zwemt dan heb je dat gauw genoeg in de gaten, ook met een geringe hoeveelheid voer. Meer voeren kan dan altijd nog. |
|
|
Van zomer naar winter en omgekeerd |
|
|
Wanneer het warme water afkoelt en onder de 18º Celsius daalt (17º-16º Celsius), gaat de vertering van het voedsel duidelijk trager. Het aas blijft langer in het lichaam van de karper. Terwijl in de zomerse periode een vis vlak na de vangst nauwelijks resten van het aas in zijn ontlasting heeft, komt dit nu geregeld voor. Dit beeld versterkt zich bij 15º en 14º Celsius. Met een kleine hoeveelheid voer kan veel bereikt worden. Bij deze watertemperaturen zijn zeer goede vangsten te boeken, zowel in voor- als najaar. De maanden april en mei, en september en oktober geven dit verloop te zien. Ook gebeurt dit verloop geregeld in de zomer tijdens een lange en koele, regenachtige periode. Wanneer de watertemperatuur nog verder daalt naar 13º Celsius wordt het kritiek. Bij 12º Celsius treedt de voorbode op van het wintergedrag. De stofwisseling gaat nu zeer traag. De activiteit van de vis neemt af en zijn zwemgebied wordt steeds beperkter. Voor de visser is het lokaliseren erg belangrijk. Zelf beschouw ik 12º Celsius als de scherpe grens en het begin van de echte wintervisserij. Bij 11,5º Celsius blijkt er op vele wateren een duidelijke overeenkomst te bestaan. De karper begint wintergedrag te vertonen en is op zoek naar zijn winterverblijf. Toen ik in oktober 1988 viste in de Angstel, een riviertje van een tiental kilometers lengte, was de karper overal nog goed te vangen bij 14º-13º Celsius. Toen het water daalde naar 12º Celsius waren blanks op de normale zomerstekken aan de orde van de dag. Tot een vismaat een flinke groep karpers lokaliseerde bij een takkenstek. Zijn vangsten begonnen bij 13º-12º Celsius en toen de watertemperatuur snel daalde naar 5º Celsius gingen zijn vangsten door op hetzelfde niveau. Hij had een winterplek gevonden! In die 12º Celsiusperiode bleef ik zelf zoeken naar een geschikte stek en vond pas na vier verschillende stekken en vier opeenvolgende blanks, een uitstekende koudwaterstek een paar kilometer verderop bij een spoorbrug. Daar ving ik onmiddellijk en tot ver in de winter en in december 1988 ving ik op die plek mijn dertigste 20-ponder. Mijn voorspelling is dat stekken die bij watertemperaturen van 12º - 11º Celsius nog karpers opleveren, óók voor 80%-90% productief zijn in de echte winterperiode. Maar er is meer, namelijk de voerhoeveelheid die in deze koude periode vrijwel overeenkomt met die in de echte winterperiode. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Het aas.
De boilies met 17-18% eiwit kunnen nog het meest worden gevoerd. Bij 17º Celsius globaal 1000 gram en dalend naar 750 gram bij 14º-13º Celsius. Rijkere boilies van 23 tot 28% eiwit kunnen met minder toe, die verzadigen de karpers sneller. Ik adviseer 800 gram bij 17º Celsius en geleidelijk naar 500 gram bij 14º Celsius. Bij koud water en een tragere vertering worden voedingsvezels erg belangrijk in het aas.
Wat doen we met de maïs?
De voerhoeveelheid vermindert aanzienlijk en de bereiding wordt intensiever. Na een inweekperiode van minimaal 24 uur en liefst nog langer, dient de maïs minstens tussen de 30 en 50 minuten te worden gekookt. Boterzacht is hier het motto. Om geen risico’s te lopen van slechte vangsten is het verstandig om de maïs reeds te koken rond een watertemperatuur van 17º Celsius, maar vooral rond de 15º Celsius is het een must. De lagere stofwisseling van het karperlichaam veroorzaakt niet alleen, dat het voedsel langer in het lichaam van de karper blijft, maar óók dat de vertering moeizamer gaat. Voorweken en koken versnellen het verteren: zo wordt de maïs als het ware voorverteerd. Denk aan onze eigen aardappels die we ook niet rauw opeten. We koken die niet alleen omdat ze zo lekker zijn, maar vooral omdat ons eigen lichaam die zachte en voorverteerde koolhydraten veel beter kan verwerken. Hoe kouder het water is, des te slechter verteert een harde maïskorrel. Vandaar dat harde maïskorrels hun aantrekkingskracht verliezen bij koud water.
Twee praktijkvoorbeelden: |
|
|
Samenvattend: |
|
|
 |
Bij dalende watertemperaturen: maïs minimaal twee dagen weken en zacht koken. |
 |
Bij dalende watertemperaturen: 2000 gram (nat gewogen) maïs bij 17º Celsius; 1500 gram bij 15º Celsius; 1000 gram bij 14º Celsius; 750 gram bij 13º Celsius en 500 gram bij 12º Celsius. |
|
|
|
De wintervisserij |
|
|
Wanneer de watertemperatuur eenmaal onder de 12º Celsius is gedaald, ontstaat een eenduidig beeld, een situatie met duidelijke kenmerken. Zeker is, dat je nu met de winterse benadering het meeste succes boekt. Daarentegen faalt een zomerse benadering grotendeels. Koud is koud en of het nu 10º of 5º Celsius is, maakt niet veel uit. De stofwisseling van de karper is zeer traag en de rustige runs en het slome vechten zijn tekenend. De karper neemt weinig voedsel tot zich en is gedurende korte periodes actief. De vangplaatsen zijn vooral op groot water moeilijk te vinden. Voor de meeste vissers is, naast het vinden van de goede stekken, het grootste probleem de weersgesteldheid, het trotseren van de elementen. In het najaar is het redelijk toeven aan de waterkant, maar in de wintermaanden is dit anders. Desondanks kunnen de vangsten goed zijn en soms niet eens veel minder als bij hogere watertemperaturen.
Het aas.
In de winterperiode komt uitsluitend de eiwitrijke boilie van 23-28% (op basis van vismeel of trouvit) in aanmerking bij een vezelgehalte van 3,5-4 gr/240 kcal. Ook de vetten zijn nu zeer belangrijk: 20-25%. In het algemeen is de hoeveelheid boilies die we kunnen voeren constant en geldt tot de koudste watertemperaturen, waarin de karper nog actief is (5º-6º Celsius). Maar onder de 4º Celsius is het niet veel meer. In Nederland ligt in de praktijk de watertemperatuur bij onze zachte winters meestal tussen de 5º en 7º Celsius. De hoofdregel is maximaal 500 gram per dag. Meer is overdreven en alleen nodig in uitzonderlijke omstandigheden. Minder is dikwijls te prefereren: het beste is een gewicht tussen 200 en 400 gram, afhankelijk van de vissituatie. In de winterperiode zijn partikels niet essentieel en volgens mij absoluut niet nodig op een voerplek. Bij lage watertemperaturen heeft de karper het aas een zeer lange tijd in zijn lichaam en een goede voedingswaarde plus een goede darmpassage zijn dan van het hoogste belang. Kortom, goede eiwitten, vetten, ontsloten koolhydraten en een juiste hoeveelheid ruwe celstof zijn een vereiste. Wat zouden partikels als maïs in dit opzicht extra kunnen bieden? Als we zien dat met een kant en klaar gewicht van slechts 500 gram, en dikwijls is zelfs dat teveel, een maximaal effect bereikt kan worden, dan stel ik me echt de vraag: “Wat heeft het voeren met partikels in vergelijkbare hoeveelheden dan voor nut?” |
|
|
Watertemperatuur en voerhoeveelheid per dag |
|
|
|
|
|
Zomer |
|
|
|
Watertemperatuur
|
15-20% Eiwit
|
23-28% Eiwit
|
|
24 C
|
2000 gram
|
-
|
|
23 C
|
2000 gram
|
-
|
|
22 C
|
1500 gram
|
-
|
|
21 C
|
1500 gram
|
-
|
|
20 C
|
1300 gram
|
-
|
|
19 C
|
1300 gram
|
-
|
|
18 C
|
1300 gram
|
-
|
|
|
|
Voorjaar en herfst |
|
|
| Watertemperatuur
|
15-20% Eiwit
|
23-28% Eiwit
|
| 17 C
|
1000 gram
|
800 gram
|
| 16 C
|
1000 gram
|
700 gram
|
| 15 C
|
1000 gram
|
600 gram
|
| 14 C
|
1000 gram
|
500 gram
|
| 13 C
|
750 gram
|
500 gram
|
| 12 C
|
750 gram
|
500 gram
|
|
|
|
Winter |
|
|
|
Watertemperatuur |
15-20% Eiwit |
23-28% Eiwit |
|
11 C |
- |
>=500 gram |
|
10 C
|
-
|
>=500 gram
|
|
9 C
|
-
|
>=500 gram
|
|
8 C
|
-
|
>=500 gram
|
|
7 C
|
-
|
>=500 gram
|
|
6 C
|
-
|
>=500 gram
|
|
5 C
|
-
|
>=500 gram
|
|
4 C
|
-
|
>=500 gram
|
|
|
|
|
|
|
Opmerking
Dit schema is een grove leidraad en kan niet in alle omstandigheden te star worden gevolgd. Waarom? Zie de volgende vier punten van toelichting: |
|
|
|
|
|
 |
De associatie stek – voedsel Op een voerstek is het belangrijk dat de karpers de plaats herkennen waar het voedsel ligt of lag en dat ze die plaats in verband brengen met het voedsel zelf, zodat zelfs de domste vissen kunnen weten: “Jongens, hier moeten we zijn!” Op plekken waar karpers zich vanzelf langere tijd ophouden of bij duidelijk gemarkeerde stekken komt de associatie snel tot stand. Denk aan palen of takken in het water of in het water hangende bomen. Vooral bij kleinere stekken kan 200 tot 400 gram in de winterperiode al ruim voldoende zijn. Veel moeizamer komt de associatie tot stand bij kale zandafgravingen of lange kale kanten (kanalen of havens). |
 |
Het “zich prima voelen”, verzadiging en gretigheid Meer voeren dan een karper op kan eten, heeft geen enkele zin. Sterker nog, ook bij het gebruik van overdadig wordt de negatieve kant (te lage eiwitten) van het voedsel, dat als aanvulling is bedoeld, benadrukt. Daarom gebruik ik in de beste viswateren in de zomerperiode graag boilies met 15-20% eiwit en niet lager. Die leveren namelijk de hoogste waardering op. Bij continu erg weinig eiwitten kan voor de karper zelfs de balans doorslaan naar de verkeerde kant. We moeten altijd voorkomen dat een negatief gevoel gaat overheersen en de karper voorgoed wegzwemt van de voerstek. Verzadiging als gevolg van extreme voerhoeveelheden kan nooit goed zijn, niet vanuit de eiwitten, maar ook niet vanuit de koolhydraten! Als we met een gereserveerde hoeveelheid aas de karper een beetje kunnen dwingen in de buurt van de stek ook zijn natuurlijk voedsel te eten, dan komt dat ons én de karper erg goed uit. In dit geval zal zijn waardering voor ons aas hoger zijn, vooral ook omdat er niet veel van aanwezig is: de vis is gretig. |
 |
witvisgevoeligheid en stroming Beide factoren kunnen de oorzaak zijn dat de boilies en partikels verloren gaan en niet door de karper worden opgegeten. Zo zijn grote scholen brasems een verschrikkelijke last, vooral als er wordt gevoerd met kleine boilies. In de zomer leidt de combinatie van zeer veel maïs met boilies dikwijls tot extra witvis op de stek. Het gevolg is eerder een negatief effect dan de beoogde meerwaarde voor de bijliggende boilies. Stroomt het water erg dan kan de voerhoeveelheid meer zijn dan het schema aangeeft. Zo voerde ik in de winterperiode eens in een nauwe doorgang, bij een spoorbrug, die uitkwam op het Amsterdam-Rijnkanaal. Elk uur denderden hier zware vrachtschepen, duwbakken en olietankers voorbij. Die schepen oefenden af en toe zoveel zuigkracht uit op het water, dat op de voerstek een heftige stroming ontstond. Soms zakte het water wel een halve meter! Hoewel terplekke de watertemperatuur schommelde tussen 5º en 8º Celsius leverde 500 gram voer per dag niet veel op. Pas toen ik dat gewicht opvoerde naar 800 gram kon ik er regelmatig aanbeten afdwingen. |
 |
Eiwitten of koolhydraten in de overgangsperiode? In de overgangsperiode is het principe dat bij eenzelfde watertemperatuur zowel met laag eiwit als met hoog eiwit kan worden gevoerd, maar dan wel in andere hoeveelheden. De vraag is nu: “Wanneer voeren we bij een bepaalde watertemperatuur met laag eiwit en wanneer met hoog eiwit?” Het antwoord is eenvoudig te geven. In de zomer vissen we principieel met laag eiwit en in de winter met hoog eiwit. Vanuit de zomer gezien, vissen we zolang mogelijk door met laag eiwit, óók wanneer de watertemperaturen dalen. Omgekeerd, dus vanuit de winter gezien, vissen we zolang mogelijk door met hoog eiwit, óók wanneer de watertemperaturen stijgen. De hoofdregel is: “Trek altijd de succes door!” Dat betekent dat als je eenmaal uitstekend vangt, je niet eerder overschakelt van hoog op laag of andersom dan het moment bereikt wordt, dat de klad in het vangen komt. Zoals uit het schema is op te maken, ligt dat bij laag eiwit rond de 12º-11º Celsius bij dalende watertemperaturen. Bij hoog eiwit ligt dat rond de 17º-18º Celsius bij stijgende watertemperaturen. Nogmaals: succes en fiasco zijn hiervoor in de praktijk maatgevend. |
|
|
|
Het aantal voerdagen |
|
|
In het preboilietijdperk werd een voerstek zorgvuldig opgebouwd. Zachte aassoorten gaven een matige selectie naar de karper toe en een volle week voeren, was toch wel het minimum. Toen kwam de enorme impact van de boilie: met name zijn uitstekende vermogen tot selectie door zijn hardheid die garant staat voor een snelle respons. De karper vliegt erop zogezegd. Hoeveel dagen zijn nodig? Dagelijks voeren of niet? Om met de laatste vraag te beginnen, daarop antwoord ik met een volmondig “Ja, elke dag!” Het voeren “om de dag” zie ik niet zitten. Wat de ene dag wordt opgebouwd, wordt de volgende dag door niet te voeren weer afgebroken. Als het al lukt, dan zijn er toch weer veel dagen vereist. In uitzonderlijke gevallen kan ik het mij nog voorstellen, zoals in de wintertijd of juist in de warmste zomerperiode, wanneer soms met grote hoeveelheden (partikels) kan worden gevoerd. Echter met het dagelijkse voerritueel is het vaak al moeilijk genoeg de karper vast te houden of terug te laten komen. Liever regelmatig en weinig gevoerd dan veel af en toe. De te volgen methode is vrij simpel. Na het vinden van een geschikte stek, wordt er drie dagen gevoerd. De eerste vissessie is op de vierde dag en behoeft niet langer te duren dan vier tot zes uur. Het dagelijkse voertijdstip is natuurlijk wel van belang. Het beste is zoveel mogelijk hetzelfde uur na te streven, vlakvoor een bepaalde aasperiode. De karper bepaalt zelf wanneer hij aast. Dwingen naar een niet-aasperiode is zinloos. Het effect wordt groter naar de aasperiode toe. Meestal is er een duidelijke aasperiode die enkele uren voor het donker begint en die makkelijk kan doorlopen tot in de nacht. Uitzoeken! Is de voorbereiding goed geweest dan moet de beloning komen in de vorm van minimaal één aanbeet. Vier aanbeten vind ik al zeer goed! Let wel, ik heb het hier over groot water. |
|
|
De eerste en tweede sessie |
|
|
 |
De eerste sessie. Hier hangt veel van af. Er heeft 72 uur voer gelegen en dus moet er volgens mij ook gevangen worden. Een blank mag in principe niet. Uitvluchten als “de wind kwam uit de verkeerde hoek” of “regen” of “mist” bestaan voor mij absoluut niet. Dit klinkt hard, maar het is mijn stellige overtuiging. Ik zit liever op een goed voorbereide voerstek met een “foute” wind dan op een stek met een “goede” wind zonder te voeren. Maar het is natuurlijk de kunst om zo goed mogelijk te anticiperen op de mogelijk komende windrichting, dus enkele dagen in de toekomst. De fameuze journalist Joris van de Berg zijn eens: “Wat goed is, komt snel!” Hij had het daarbij over talenten in de sport. Voor een stek waar drie dagen is gevoerd, geldt mijn inziens hetzelfde. Het omgekeerde geldt ook. Is het al direct niets dan blijft het ook vaak niets. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, maar het gaat toch om de regel. Een blank heeft vrijwel altijd een oorzaak. De stek kan niet goed zijn geweest, maar de visser kan ook een belangrijke fout gemaakt hebben. De boilies waren niet hard genoeg, er is te veel of te weinig gevoerd of de kwaliteit van het voer was onvoldoende enz. Ben ik er eenmaal van overtuigd alles goed te hebben gedaan dan krijgt toch echt de stek de schuld. Optimistisch bekeken waren slechts vier tot zes uur vissen nodig om hier achter te komen. Hoe nu verder? Bij een blank is ’t het beste rigoureus met de voerstek te kappen, want de kans op een tweede blank is meer dan 50%! Eventueel kan een tweede poging enkele weken later worden gewaagd, maar niet op te korte termijn. |
 |
De tweede sessie. Zit de eerste sessie erop met enig resultaat, dan wordt de volgende dag – de vijfde – weer gewoon gevoerd en de zesde dag ook. Nu komt er een aanzienlijk verschil met het begin, want niet op de achtste, maar al op de zevende dag is er opnieuw een vissessie van vier tot zes uur. Zo kan de stek aangehouden worden, maar het is zeker geen wet van Meden en Perzen om dit schema aan te houden. Echter, ideaal vind ik het wel. Slechte weersomstandigheden of privé-redenen kunnen aanleiding geven eens een dag extra te voeren. |
|
|
|
Waarom zo kort voeren? |
|
|
Invalshoeken
Er zijn meerdere invalshoeken. Bij meer voerdagen wordt de piek op de stek echt niet beter en vaak genoeg zelfs slechter. Er zijn vissers die wel een week of nog langer voeren en denken dat zij goed vangen. Maar wat is goed? Wat is de norm? Na tien dagen moet je natuurlijk ook wel goed vangen, wil het de moeite waard zijn geweest. Minimaal een flink aantal aanbeten (vijf tot tien), waar ook forse karper bij moeten zitten. Dit lukt misschien een enkele keer, maar ik durf te stellen dat dit toch niet de doelmatigste manier is. Afgezien van de teleurstelling, dat het wel eens een zeer slechte stek kan zijn en dat zou ik al op de vierde dag weten, kunnen er met de aanbevolen methode minstens evenveel en vrijwel zeker meer karpers in hetzelfde tijdsbestek gevangen worden.
Voorbeeld:
Stel er is volgens de voer- en vismethode gevist op de vierde, de zevende en de tiende dag met als resultaat drie karpers per keer. Dus in totaal negen stuks in ongeveer 15-18 bijeengetelde visuren. Ik beweer dat het veel gemakkelijker is drie karpers per keer af te dwingen dan negen. Die moeten eerst nog maar eens gevangen worden. Over een lange periode steeds meer karpers opsparen is volgens mij niet goed mogelijk. Na drie voerdagen heb ik ook wel eens acht tot tien aanbeten gehad! Na een moeizame voorbereiding van tien dagen komt dan alles aan op die ene sessie. Hoe lang zou die trouwens moeten zijn? Met meerdere korte sessies om de twee dagen vang ik meer karpers in dezelfde periode. Een gelijkmatige spreiding van hengeldruk doet wonderen. Soms is het zeer goed eens twee dagen achtereen te vissen of slechts één dag over te slaan, maar dit geldt als uitzondering. Dit moet de visser goed aanvoelen. Algemeen gesteld is de volgende beeldspraak van toepassing: “Hou het gras kort, dan groeit ’t snel weer op.” Ook kom je met lang voeren niet aan veel vissen toe. Een praktisch voordeel van de voer- en vismethode is dat tegelijk twee voerstekken kunnen worden aangehouden. Beide kunnen optimaal “om en om” bevist worden. Vooral in het warmere jaargetijde viste ik aldus vier maal per week, samen ongeveer 25 uur. |
|
|
|
|
|
 |
In het voorjaar van 1988 voerde ik vier dagen met een kilo geweekte maïs, die ik enkele minuten had gekookt. Verder gooide ik er wat boilies bij. Op de vissessie blankte ik bij van 13º Celsius. Ondertussen was ik ook nog bezig op een andere stek in hetzelfde water, maar ongeveer een kilometer verder en daar voerde ik uitsluitend boilies. De stek met die blank liet ik onmiddellijk vallen. Op die andere stek lukte het wel en ving ik o.a. een schubkarper van 13 pond. Het vreemde was dat ik in zijn ontlasting resten vond van maïskorrels, terwijl ik daarmee niet had gevoerd! Die resten zagen eruit als taaie in elkaar gepropte vezelachtige substanties. Het kon er nauwelijks uit. De temperatuur was nog steeds 13º Celsius. Mijn conclusie was dat die karper gegeten moest hebben op die andere voerplek, want terplekke was ik echt de enige karpervisser. Maar… hoeveel dagen geleden had ik daar voor het laatst gevoerd met maïs? Ruim vier dagen! Mijn conclusie was, dat deze vis een kilometer had gezwommen en al dagen geleden van die maïs had gegeten. Dat betekende dat bij lage watertemperaturen het verteren en kwijtraken van maïs bij een karper wel erg lang duurde! De respons was nul komma nul, immers ik had een blank en van enige waardering voor die harde maïs was geen enkele sprake. Op die tweede stek had ik twee dagen gevoerd met 500 gram boilies met 28% eiwit. Het resultaat: drie aanbeten, waarbij een 20-ponder, in vijf uur vissen. |
 |
In oktober 1989 gebruikte ik op een grote veenplas van Loosdrecht de volgende combinatie: 750 gram boilies met 17% eiwit aangevuld met ruim een kilo natte maïs, die ik zeer zacht had gekookt. De resultaten waren uitstekend. Na twee voerdagen waren in zes uur vissen twee tot vier aanbeten te verwachten. De ontlasting van alle gevangen karpers vertoonde het volgende beeld: zacht en brij-ig met vele maïsvliesjes en doorspekt met boilieresten. Achteraf bekeken, maar dat is altijd zo, begrijp ik nu waarom vroeger een aantal voercampagnes van mijzelf en vrienden totaal mislukten. Zo voerde een vismaat eens in april bij 11,5º Celsius vijf tot zes kilo maïs, die hij uitsluitend had geweekt. Veel brasem zag hij nog wel (begin paaitijd – schoolvorming), maar geen karper. Twee fouten dus: 1. Veel te veel gevoerd en 2. Veel te hard en nauwelijks te verteren. |
|
|
|
De Voerstek De voerstek deel 2
|
|
 |
 |
 |
 |
 |
|
 |