De kleinste

Zomer 1986

De laatste juniweken verstreken broeierig en warm. De wind waaide constant uit het noordoosten en zorgde voor een hoge drukgebied met strakblauwe luchten en buitentemperaturen van 25º tot 30º Celsius. Met vismaat Kobus beviste ik de Angstel, een grillig riviertje, dat in verbinding stond met het Amsterdam-Rijnkanaal. Door de hitte van de zomer was de karper overdag niet meer te vangen. Daarbij kwam onze ergernis voor de groepen plezierjachten, die regelmatig langsvoeren in de vakantietijd. Die waren er de oorzaak van, dat we nauwelijks konden denken aan enige vorm van overkantvisserij. Kortom, de visuren overdag hadden weinig nut. Gewoonlijk vertrokken we pas ’s avonds na zes uur, als we de warme maaltijd genuttigd hadden. Elke dag arriveerde Kobus om half zeven met zijn Ford. Bewoog mijn voordeur niet onmiddellijk, dan loeide reeds zijn claxon. De ongeduldige. Onderweg kletsen we over alles en nog wat. Elke dag reden we dezelfde 40 kilometer. Om te voeren, of om te vissen, zoals vandaag.

Kobus wilde vlot succes hebben. Moeizaam vissen zag hij niet zitten en zeker niet om vele uren te gaan wachten op een langszwemmer. We probeerden het voor elkaar te krijgen, dat we op de visdag in zo’n vijf uur tijd altijd karperbeten konden verwachten. Onze voorbereiding was twee of drie dagen van tevoren te voeren en per dag gooiden we er dan ongeveer 1300 gram boilies in. Die maakten we zelf met eenvoudige en goedkope ingrediënten op basis van veel koolhydraten. Met onze mix, die slechts twee tot drie gulden kostte, hadden we de prima resultaten.

Hoe we visten

We hadden alle twee een eigen voerstek met een tussenruimte van zo’n 300 meter. Onze stekkeuze? In de Angstel waren klassieke karperstekken als riet en lelies nauwelijks voorhanden. Niet getreurd, als wedstrijdvissers van origine hadden we zo onze eigen kijk op de zaak. Met een elf meter lange carbonhengel peilden we gewoonweg overal. We zochten zo de diepere gedeeltes en glooiingen op. Ook keken we of de bedding stevig genoeg was. Op een harde bodem is het veel gemakkelijker vissen. Uiteindelijk kozen we ieder een stek net na een scherpe bocht. Dat het water daar sneller stroomde, deerde ons niet. Onze uitgangspunt was, stel dat hier een viswedstrijd zou zijn: “Waar zouden wij dan het liefst gezeten hebben? Wat was strategisch de beste plek om de vis als eerste op te vangen?” Maar er was geen wedstrijd, we waren met z’n tweeën. We hoefde niet eens een lootje te trekken en konden gaan zitten waar we wilden. Kon het nog mooier? Op de dagen dat we voerden, strooiden we de boilies dertien meter uit de kant. We deden dat zeer compact, op een vlak van enkele vierkante meters en netjes naast elkaar. Voersporen maakten we niet. Dan werd de voerstek alleen maar ieler en vermoedelijk minder effectief. Elke dag voerden we op hetzelfde tijdstip.


De laatste weken kregen we drie tot zes runs per keer. We begonnen meestal tegen een uur of acht. Een uurtje na middernacht vertrokken we weer, al dan niet met de buit op zak. Door de vele losschieters waar we ons verschrikkelijk aan ergerden, haalden we slechts een vangstpercentage van ongeveer 60%. Over ’t algemeen vingen we kleine schubkarpers tussen de 10 en 17 pond. Kobus had tot nu toe de zwaarste gevangen. Namelijk een lange schubkarper van 22 pond bij 88 cm, uitgepaaid, hongerig en leeg, een “plank” zogezegd. Behalve deze vis had hij ook nog twee fraaie spiegelkarpers verschalkt van even in de 18 pond. Voor onze begrippen ging het fantastisch. We kregen veel beet en hadden voortreffelijke sport. De vorige keer hadden we alle twee voor de eerste keer op een nieuwe voerstek gevist. Zoals gewoonlijk hadden we daar twee dagen gevoerd. Zelf had ik een enorm fiasco geladen, beide runs had ik verspeeld. Voor m’n gevoel was zeker de eerste vis een dikke 20-ponder geweest. Kobus kreeg die keer vier aanbeten, waarvan hij er slechts twee verzilverde, namelijk schubkarpers van 11 en 17 pond. Net als bij mij schoten die andere twee er jammerlijk af!

De sessie van vandaag

Vandaag, maandag 7 juli, waren we drie voerdagen verder. We popelden om te vissen. Het was een prachtige dag geweest. In de strakblauwe hemel daalde de fel schijnende zon. Warm en lekker weer om buiten te zijn. Rond zeven uur kwamen we aan. Kobus parkeerde zijn auto op ’t door tractoren ingesleten landweggetje. Even later sjouwden we bepakt en bezakt over het dijkje naar onze stekken. Na zo’n 100 meter arriveerden we op mijn stek. We wensten elkaar over en weer succes. Langzaam verdween Kobus in de verte, scherp afgetekend op het dijkje in het vlakke landschap.

Vliegensvlug gooide ik 30 boilies op mijn stek en begon zo snel ik kon mijn visspullen klaar te maken. Schepnet, twee hengels, steunen in de grond. Een bivvy was niet nodig voor die paar uur vissen. Nadat ik beide hengels enkele meters naast elkaar met een onderhands worpje had ingelegd, nam ik mijn gemak ervan. Zo, nog 10 boilies erbij en dat was dat. Uitpuffend in het visstoeltje zag ik Kobus drukdoende in de verte. Traag verstreek de tijd, tenminste gevoelsmatig. Wat is een half uur? Links verscheen een groot duur jacht dat recht op mijn stek afkoerste. Toen het met een flinke boeggolf langscroste, baalde ik behoorlijk. De niets vermoedende passagiers staken vriendelijk een hand omhoog, waarop ik met gemengde gevoelens terugknikte. Het jacht verdween naar Kobus en met een gevoel van leedvermaak lette ik op zijn reactie, maar door de afstand was die niet te zien.

De golven van het schip gingen geleidelijk over in een rustige kabbel. Wreed kliefde een felle pieptoon mijn gedachten, een run! Als door een speld geprikt, zo heftig vloog ik op en in een reflex sloeg ik aan op de wegspurtende karper. Het gevecht was kort en stevig met als resultaat een hoog gebouwde spiegelkarper. M’n eerste 20-ponder op de Angstel! Hij woog 21 pond bij een lengte van 79 cm om heel precies te zijn. Behoedzaam deed ik de vis in een bewaarzak en rende naar Kobus om het blijde nieuws te vertellen. Hij wist genoeg, in de verte kon hij me heel goed zien. Dat ik de karper in een bewaarzak had gedaan, was voldoende te vermoeden, dat ik een twintiger had gevangen. Hij wist ’t zeker toen ik als een gek op hem afstierde. Wat een mazzelpik was ik. En Kobus? Hij had nog niets gezien. Enkele foto’s en een kwartiertje later zaten we weer op onze stekken. We wachtten op de dingen die stonden te gebeuren. Blij, opgelucht, de buit was binnen. Ik was erg benieuwd of Kobus vanavond nog runs zou krijgen.

Twee tegelijk?

Door een onverklaarbaar gevoel schatte ik zijn stek toch beter in. Ik keek naar rechts en zag Kobus zitten. Hij piekerde zeker over mijn succes, wedden? De zon kleurde oranje en daalde snel. De jachten bleven weg en de wind nam af. Ineens werd ’t aanmerkelijk koeler. Tijd om de visjas aan te trekken. Dat doende, merkte ik opeens dat het silhouet van Kobus schuin achteroverhelde. Wat deed ie nou? In slowmotion schuifelde hij langs de oever, terwijl zijn linkerarm regelmatig korte, stotende bewegingen maakte, waarbij zijn lichaam direct van positie veranderde. Zou hij er eentje aan hebben? Hij drilde!

Gespannen en geïnteresseerd sloeg ik het tafereel gade. Ook hield ik de tijd op mijn horloge bij. Twee, drie, vijf minuten duurde het al. Zou ik gaan kijken? Plotseling bukte Kobus zich, draaide zich om en rende terug. Hij pakte wat, sloeg en opnieuw stond ie in die eerste houding, zwaar lopend alsof ie werd tegengehouden door een onzichtbare hand. Ik realiseerde me onmiddellijk dat hij blijkbaar aan beide hengels een karper had. Vlug draaide ik alletwee mijn hengels in en rende naar hem toe.

Toen ik als een hijgende idioot aankwam, schreeuwde Kobus dat ik die andere hengel moest pakken. Ik deed het, maar voelde geen enkele weerstand. Alles was eraf, de lijn was gerafeld en kapotgeschuurd. Ik zei dat ook. Kobus reageerde emotioneel: “Goh… wat heb ik nou gedaan? D’r zat een hele grote aan! Nu heb ik natuurlijk de kleinste. Wat stom, wat stom!” Uit het zware trekken en de behoorlijke kolken concludeerde ik, dat Kobus er toch nog wel een flinke aan moest hebben. “Die is toch niet mis Kobus”, zei ik. “Nee hoor, ik zie het al, deze is veel kleiner. Wat een pech, wat een pech.” “Maar”, zei ik “Kobus, dat is een echte bak, zo eentje heb ik nog nooit gezien!”

De schotel

Korte tijd later, de vis veilig en wel in het landingsnet, zagen we een prachtige schubkarper met een uitzonderlijke vorm. Hij was kort en zeer hoog gebouwd – 35 cm hoog – met de nek en de rug van een bodybuilder. Met slechts een lengte van 77 cm bracht ie het formidabele gewicht van 28 pond op de weegschaal! Het was voor Kobus een nieuw persoonlijk record. De schitterende vis had veel weg van het zeer hoogruggige, Hongaarse ras. Zijn eigen verhaal: “Ik kreeg een run op rechts en na een zware, minuten durende dril had ik ‘m vlak aan de kant. Ik zag hem helemaal, dik hooggebouwd en die andere was nog veel langer dan deze. Tja, die kans krijg ik nooit meer terug. Die was minstens 30 pond. Zeker weten, nu ik deze zie. Opeens ging toen die linkerhengel af en die keihard gillende run kon ik niet weerstaan. Ik dacht dat ’t misschien wel een nog grotere was! Ik hoopte nog dat je het zou zien. Ik deed de beugel op van die bijna afgedrilde vis en legde de hengel op de grond en pakte die hengel van die run. Wat een sport. Die 28-ponder klepperde bijna het weiland in aan de overkant. De rest weet je.” Later hebben we het nog dikwijls over deze sessie gehad. Een onvergetelijk avontuur, zeker voor Kobus.

Noot 2003.

Dit was de eerste vangst van een zeer opmerkelijke karper. Tegenwoordig is deze vis algemeen bekend en kreeg als bijnaam “De Schotel”. De laatste mij bekende vangst gebeurde in juli 1997. “De Schotel” was toen 82 cm lang, had een omvang van 85 cm en woog 34½ pond. Zijn leefgebied strekt zich uit over de volle lengte van de Angstel, van Nieuwersluis tot Ouderkerk aan de Amstel. In de loop der jaren is deze markante vis waarschijnlijk wel een keer of tien gevangen. Over deze vis heb ik ook een artikel gepubliceerd in “Hét Visblad” nr. 10 oktober 1997.