|
|
|
De dril en zijn problemen |
|
|
De dril zelf |
|
|
Wanneer een karper is gehaakt, heeft de visser de taak om de vis veilig in zijn landingsnet te loodsen. Meestal is er veel voorbereiding nodig om een aanbeet te krijgen. De stek is uitgezocht, er is gepeild en gevoerd. Alle moeite is gedaan en uiteindelijk culmineert dit alles in een gevecht met een karper. Ook al is het materiaal perfect en zit de haak goed vast, dan nog kunnen er allerlei dingen fout gaan. Is ’t niet zonde om na zoveel moeite een mooie karper te verspelen? Altijd is er wel wat aan de hand. Fouten worden in de praktijk meestal genadeloos afgestraft. Door ervaring kun je wijs worden, tenminste als je wilt leren. De uitspraak: “Ervaring is verspeelde vis!”, raakt vaak de kern van de zaak.
Iemand kan nog zoveel aanwijzingen geven en zeggen, dat ’t zo en zo moet worden gedaan, toch ondervind je dikwijls in de praktijk pas aan den lijve, wat er nou precies bedoeld werd. Maar dan is het meestal te laat en is de visser letterlijk een ervaring rijker. In feite heeft de visser de meeste invloed op de vangst tijdens de dril. Als het alleen op de techniek, de tackle van het boilievissen aankomt, heb je die invloed niet. Behalve dan vooraf. Heeft men eenmaal ingegooid met een rigsysteem, waarbij de zelfhaking voorop staat, dan heeft de man zijn best gedaan. Er zijn mensen die zeggen dat de karper dan geen kans meer heeft en dat de dril niets voorstelt. Je reinste flauwekul, natuurlijk!
Op de eerste plaats omdat elk zelfhakingssysteem, dat in principe buiten de visser omwerkt, nooit foutloos kan zijn en de bijbehorende losschieters kent. Soms zelfs zoveel, dat je er moedeloos van wordt en potentieel fantastische sessies in het water vallen. Waar ’t aan ligt? De haak of de rig? Vragen en vragen? Er wordt niet voor niets zoveel over technische zaken nagedacht en zoveel soorten rigs in elkaar geknutseld. Wat ik wil zeggen is, dat het meest kritieke moment van de losschieters het ogenblik is van de daadwerkelijke aanbeet en de eerste seconden hierna. Het kwaad is al geschied voor het je goed en wel in de gaten hebt. Losschieters voorkomen, heeft alles te maken met het materiaal en de wijze hoe je dat gebruikt. Het is een hele klus om een hoog vangstpercentage te halen. Zou dus enige kennis en inventiviteit in dit opzicht niet nodig zijn? Het machteloze gevoel van de onverklaarbare losschieters is de grootste ergernis die ik ken bij het verspelen van gehaakte karpers. De vis is helemaal niet kansloos!
Op de tweede plaats, stelt de dril dan echt niets voor? Kom nou, er is sport genoeg. De karper zwemt toch niet zomaar in het net, integendeel! Het is ‘t de meest fascinerende onderdeel van het karpervissen! Er kan nog steeds van alles misgaan en de visser is zeker nog niet uitgepraat. Sterker nog, handigheid en stalen zenuwen zijn dikwijls een vereiste. Wat het materiaal betreft, geef ik de voorkeur aan een hengel van 3,65 meter en een testcurve van 2 Lbs. Het mooist is een krachtige en soepele hengel en het liefst in combinatie met een elastische lijn, tenminste als ik niet op afstand vis. |
|
|
Wat je voelt bij kleine en grote karpers |
|
|
Bij de dril is met een goede hengel het verschil tussen grote en kleine karpers duidelijk te voelen. Hoe kleiner de vis is, hoe heftiger, feller en schichtiger hij vecht. “Een knoerthard eerste schot, kwijt. Dat was zeker weten een gigant!”, hoor ik regelmatig zeggen. Dat zegt me cht onvoldoende en het lijkt me eerder een indicatie dat men te doen met een gestroomlijnde knokker, die de kunst verstond om als een gek te accelereren. Hoe groot ie wel was, is moeilijk aan te geven. Echte grote vissen daarentegen, zeg alles boven 25 pond, zijn over het algemeen veel minder fel. |
|
|
|
|
|
Een zwaar beschubde spiegelkarper van 31 pond en 91 cm. Gevangen binnen een half uur op een voerstek bij een watertemperatuur van 12°C
|
|
|
|
|
|
Af en toe schudt zo’n grote vis zijn kop met snelle schokkende bewegingen, wat goed te voelen is. Gestaag zwemt ie naar een bepaalde kant en verlegt meestal na enige tijd zijn koers. Wanneer zo’n karper zich omdraait, gaat dat gepaard met logge en trage bewegingen. Natuurlijk, zijn kracht is groot, maar zijn acceleratie is niet te vergelijken met die van de slanke en veel jongere vissen, die nog in de kracht van hun jeugdige leven zijn. Wel is een kleine karper veel minder opgewassen tegen de kracht van het materiaal. Daarentegen heeft een gigant in eerste instantie meer te vertellen, maar is naar verhouding veel sneller uitgeput. Een zwaargewicht legt letterlijk zijn gewicht in de schaal.
Verhalen als: “Die was niet te houden en hij zwom mijn hele spoel van 200 meter leeg!”, neem ik dan ook met een flinke korrel zout. Mij is dat in ieder geval nog nooit overkomen. Als het al zou gebeuren dan is de oorzaak waarschijnlijk te zoeken in het gebruik van ondeugdelijk of te licht materiaal. Zelf vis ik vrij zwaar wat hengel en lijndikte betreft, maar mijn slip staat echt niet afgesteld op de zogenaamde “klassieke breeksterkte” van de lijn. Mijn afstelling is veel losser, uiteraard met in achtneming van de omstandigheden terplaatse. |
|
|
Hoe harder je drilt, hoe harder hij vecht |
|
|
Stel je vist in een kanaal dan heb je in principe de ideale situatie. Daar zijn geen gevaarlijke oeverkanten en geen obstakels, behalve misschien in het water geduwde auto’s. Er is ruimte genoeg. Laat in het begin de karper zichzelf maar uitleven, het eerste schot stopt echt wel. Vervolgens kan iedere meter die de vis toegeeft, behendig van ‘m worden afgepikt. Paniek en brute kracht leiden tot niets. Het principe is dat hoe harder je drilt, hoe harder de karper vecht. Omgekeerd zorgt een lichte druk ervoor dat de karper veel kalmer is. Het heeft ermee te maken dat de karper bijna altijd “van de druk afgaat”. Trek je naar links, dan zal hij naar rechts willen gaan en trek je naar rechts, dan wil hij naar links.
Van dit gegeven kan op vele manieren gebruik worden gemaakt. Beheerste afdrillen is er al een van. Een andere manier is om bij obstakels de vis daar juist naartoe te trekken, of bij de aanslag juist die kant uit te slaan waardoor de karper geneigd zal zijn de tegenovergestelde richting te kiezen. Belandt de karper eenmaal onder de hengeltop, dan kan de slip voor de zekerheid iets losser worden gezet. Geeft de karper zich over dan kan hij boven het in het water gestoken landingsnet worden getrokken.
Zelf heb ik voor de landing een wat andere tactiek. Met de huidige lichte carbonnetten is het mogelijk een snelle steekbeweging te maken schuin onder de vis. Dikwijls beschouwt men dit als een klassieke fout, ik weet ‘t, maar als het moment goed getaxeerd wordt, kan het wel. Zo heb ik meerdere malen grote karpers geschept, terwijl ze rustig onder lichte druk langs de kant heen en weer koersten. Ze waren zich nergens van bewust en geenszins uitgevochten.
Ook hoeft een gemiddelde dril niet lang te duren. In het algemeen is binnen vijf minuten de kat in ’t bakkie! Betreft het een zware vis dan kan het wat langer duren, maar dat hoeft niet. Zo ving ik eens een 32-ponder binnen drie minuten! Daarentegen haalden fel vechtende 16-ponders soms gemakkelijk de vijf minuten. Onnodig rekken slaat nergens op. Liever iets te zwaar gevist dan te licht. Als een karper een fout maakt, kunnen we er van profiteren. Misschien is het jammer van de sport, maar je kunt ’t ook beschouwen als een vlotte overwinning. Het mooiste is natuurlijk een ongelooflijke dril, maar kwijtraken is ook zo wat en een onnozel verspeelde 30-ponder vindt niemand leuk. |
|
|
Moeilijke stekken |
|
|
Tot zover waren er nog geen problemen. Voor moeilijke stekken heb ik voor mezelf na een aantal pijnlijke ervaringen de volgende hoofdregel opgesteld: “Ga bij de dril, op een stek met mogelijke gevaren, altijd bij voorbaat uit van al die dingen, die de karper in de meest ongunstige zin kan doen!” Ook al is alles bedacht en gedaan om dit te voorkomen! Een pasklare oplossing op het allerlaatste moment bedenken, namelijk pas als het fout dreigt te lopen, is onzin. Als ergens een paal in het water staat dan moet je er dus altijd rekening mee houden, dat de karper daar ook in de buurt komt. Of een karper zoiets “weet”, weet ik niet, wel dat ’t logisch is, dat ‘t gebeurt. Gewoon, omdat die paal de enige lastpost is terplekke.
Als je dus weet dat die paal er staat, moet je van tevoren reeds beletten dat een karper sowieso in die richting gaat. Bijvoorbeeld door met de hengel naar links of rechts druk op de vis uit te oefenen! Gaat ie toch in de richting van die paal dan hangt het ervan af, hoe hoog die paal is. Er is niets aan de hand als de lijn er simpel overheen kan worden geheveld. Kan dit niet, dan is het zeker niet de oplossing te wachten tot de karper er omheen dreigt te zwemmen. Bijtijds moet de druk worden verhoogd en desnoods moet getracht worden de karper af te stoppen. De door mij aanvankelijk meest gemaakte fout was de redenering: “Het gevaar is… dus dan doe ik dat… en dan heb ik hem.” Als de karper dan wat anders doet dan je dacht wat hij zou doen, is het leed niet meer te overzien. Het gaat er nou net om dat leed te voorkomen. Kortom, van tevoren moet je voor elk probleem een oplossing hebben bedacht. |
|
|
Drilproblemen |
|
|
Tot slot volgen nu een aantal visstekken met als uitgangspunt een speciaal probleem bij een dril. Het gaat in hoofdzaak om veel voorkomende praktijkgevallen. De visstek X is langs de begroeiing zoals riet, lelies, takken of overhangende bomen. Dit is een moeilijke positie, want een karper zal vrijwel altijd de beschutting opzoeken. De visser kan hier vanwege de draaicirkel nauwelijks invloed uitoefenen. Een verbetering is te bereiken, wanneer de visser zichzelf naar links verplaatst of de visstek X korter op rechts aanlegt. Dan wordt de draaicirkel kleiner. |
 |
|
|
|
De overkant- of obstakelstek. |
|
|
Meestal dient de vis hier te worden afgestopt. De visserij vindt plaats loodrecht op het gevaar. De vis die “van de druk afgaat” moet niet alleen worden tegengehouden, maars desnoods met harde hand volkomen worden afgestopt.De slip is hier zeer zwaar afgesteld. Als de karper van het gevaar is tegengehouden en zijwaarts wegzwemt, dan pas kan de afstelling van de slip worden versoepeld. De visser heeft hier veel invloed. Voor de blokkade is durf en handigheid nodig. Die is te leren door veel praktijkervaring. Bij dit soort plekken zijn veel aanbeten mogelijk, maar ook het aantal verspeelde vissen is vaak niet mis. |
 |
|
|
|
Bij het obstakelvissen kan meehelpen: |
|
|
 |
Het bewaren van enige afstand tot de paal, de takken of de rietkraag. Zeg twee tot drie meter, ook al blijft de aanbeet langer uit. Beter één kans benut dan vijf verprutst. |
 |
Strakke lijn, vast lood, top omhoog en zo geconcentreerd mogelijk vissen. Het doel is dat vóór de run echt op gang komt, de vis wordt afgestopt. Vaak is dat moeilijker bij de 12- en 19-ponders die sneller accelereren dan de zwaardere vissen. |
 |
Krachtig en vooral soepel en elastisch materiaal |
|
|
|
De visstek op vrij water. |
|
|
Bijvoorbeeldvanuit een rietkraag. De vis gaat “van de druk af” en de slip wordt soepel afgesteld. Het probleem is hier dat de karper bij het terughalen naar de zijkant weg gaat zwemmen. Vandaar dat direct na het eerste schot geprobeerd moet worden de afstand tot de karper zo klein mogelijk te maken. Daardoor verkrijgen we een kleinere draaicirkel. We halen de karper terug door beurtelings links of rechts druk op hem uit te oefenen. Dat is afhankelijk van de zwemrichting van de vis. De karper komt dichterbij in een soort zigzagbeweging. De karper zwemt meestal tijdens het eerste schot recht vooruit en zal op ’t eind naar links (of rechts) zwemmen. Reeds na enkele meters naar links druk uitoefenen (met de vis mee dus), meestal zal de vis zich dan naar rechts omdraaien.
Tijdelijk is dat de goede kant. Rustig de druk verminderen en normaal verder drillen. Dat gebeurt totdat de karper een aantal meters voorbij het midden naar rechts uitkomt. Nu leggen we de hengel om naar rechts en verhogen opnieuw de druk, waardoor de vis zich opnieuw zal omkeren (enz.). Ten overvloede: het punt van tegendruk dient te liggen ruim vóór het moment dat het fout dreigt te gaan. We wachten dus beslist niet tot het allerlaatste moment. Het gaat er juist om moeilijkheden te voorkomen. |
 |
|
|
|
De visstek als wedstrijdvisser. |
|
|
De visstek X is tien tot vijftien meter uit de oever. Die is bijna identiek aan de vorige positie. Het grote verschil is dat er geen enkel gevaar te duchten is, behalve misschien wat rommel aan de eigen kant. Bijvoorbeeld in een kanaal, een riviertje of een kale plas. Opnieuw kan de slip soepel worden afgesteld. Het probleem dat een karper naar de zijkanten kan wegzwemmen (scheren), is simpel op te lossen door vlug langs de oever mee te lopen. Zo kunnen we de vis op tijd uit de kant trekken op plaatsen waar dat nodig mocht zijn. Hoewel deze wijze van drillen op een ander vreemd kan overkomen, is het zeer effectief. Behalve onder de hengeltop behoeft er geen zware druk op de vis te worden uitgeoefend. Je moet natuurlijk wel de ruimte hebben en niet andere vissers met deze methode lastig vallen. Vergeet ondertussen niet het schepnet mee te nemen! Deze manier van drillen gebruikte ik veel op het riviertje de Angstel. Het was daar geen enkel probleem om mee te lopen over dijkje. Een ideale situatie! Bijna alle praktijksituaties zijn variaties op bovengenoemde posities. |
 |

|
|
|
Takkenstek in een riviertje. |
|
|
Een stek bij takken in het riviertje de Angstel met een breedte van circa 30 tot 40 meter. De positie A. van de visser op de noordzijde is zeer moeilijk. Hij vraagt om problemen met een vis die tussen de takken kan belanden. Dat komt door de draaicirkel waar de visser nauwelijks invloed op heeft. De posities B. van de vissers op de zuidzijde zijn goed te bevissen. Ze vereisen wel een boel praktijkervaring met de blokkadevisserij. Zie ook de obstakelstek. 1) Visstek naar de kop van een eiland 2) De afstand is ongeveer 20 meter. |
 |

|
|
|
|
|
|
 |
Visser 1. is expres iets rechts van het eiland gaan zitten en denkt dat de gehaakte karper naar links zal gaan. Hij zit rechts en geeft ook druk naar rechts. Zijn gedachte is dat de vis naar links “van de druk zal afgaan”. Zijn gedachtefout blijkt als de karper ineens toch besluit zich om te draaien en vervolgens naar rechts om het eiland heen verdwijnt! Als dat gebeurt staat deze visser opeens op de meest ongunstige plek, die hij zich kan maar bedenken. In een paniekreactie kan hij zijn probleem misschien nog verhelpen door hard naar links te rennen om in een ultieme poging in het verlengde van de lijn proberen te komen. |
 |
Visser 2. heeft de beste oplossing bedacht of is daar terecht gekomen na zijn pijnlijke ervaring als zijnde visser A. De vis- of voerstek is nu verplaatst ongeveer 10 tot 15 meter naar links op dezelfde hoogte van de kop van het eiland. Dat kan gemakkelijk door daar een grote voerstek aan te leggen met een strak voerspoor naar het eiland toe. Gaat de karper rechtdoor of linksaf dan is er geen vuiltje aan de lucht. Gaat de vis naar rechts dan kan de karper vanwege de beperkte draaicirkel voor de kop van het eiland langs worden geleid. In het slechtste geval staat de visser B. gelukkig al op de goede plaats, namelijk in het verlengde van de lijn. En kan hij trachten hem naar zich toe te halen door lichte druk op de karper uit te oefenen. De kans dat de lijn kapotschuurt, zal in dit geval minder groot zijn. |
|
 |

|
|
|
Twee extra punten. |
|
|
 |
De gemakkelijkste posities kunnen veel minder aanbeten te zien geven dan de moeilijke posities. Daar staat tegenover, dat hoe verder men van het gevaar af ligt, hoe gemakkelijker het drillen wordt. Twee of vier meter vissen voor de takken of voor een rietkraag vind ik dichtbij genoeg. Of het erg is dat het wat langer duurt voor de aanbeten komen, is maar de vraag. Het eindresultaat bepaalt pas het succes. Zelf prefereer ik op de eerste plaats enkele goed benutte kansen boven veel verspeelde aanbeten. |
 |
Een speciaal probleem is het vissen op riviertjes en smalle kanalen en wel om de volgende reden. Het passeren van plezierjachten of gewone schepen kan tijdens een dril het pijnlijke gevolg hebben, dat een gehaakte karper wordt verspeeld! Het is mijn gewoonte om, als ik naar de overkant vis, mijn hengels binnen te halen zodra ik in de verte een boot zie aankomen en er niet mee te wachten tot het allerlaatste moment. Voorkomen is beter dan genezen. Wat namelijk te doen bij de dril van een zware karper als er net een schip langsvaart? Wie weet, misschien verspeel je wel de vis van je leven? |
|
|
 |
 |
 |
 |
 |
|
 |