|
Algemene voedingsleer |
|
|
Algemeen |
|
|
Nutriënten zijn essentiële voedingsstoffen die niet of onvoldoende door het lichaam kunnen worden gemaakt. Het ontbreken van een of meer ervan maakt leven uiteindelijk onmogelijk! De nutriënten beïnvloeden elkaar onderling in de stofwisseling. Ruwweg zijn het er een vijftigtal, te weten de essentiële aminozuren en vetzuren plus de meeste vitamines en een aantal mineralen. Optimale voeding is die voeding waarin alle nutriënten aanwezig zijn en wel in een optimale hoeveelheid en in een juiste verhouding. Eenzijdige voeding is slechte voeding. Een tekort aan nutriënten heeft als gevolg gebreksziekten en stofwisselingsstoornissen. Men kan zich lange tijd slecht voeden zonder er onaangename gevolgen van te ondervinden: op den duur echter is aanpassing niet meer mogelijk en wordt de grens tussen het schijnbaar normale en ziekte overschreden. |
|
|
|
|
|
 |
De minimumhoeveelheid is door onderzoek vast te stellen, maar is niet veilig en een snelle balansverstoring is mogelijk. |
 |
De aanbevolen hoeveelheid is moeilijk vast te stellen. Hiervoor zijn balansstudies. De aanbevolen hoeveelheid kan 30% tot 100% hoger liggen dan de minimumhoeveelheid en is afhankelijk van het nutriënt. |
 |
De optimale hoeveelheid is slechts te gissen – balansstudies. |
|
|
|
Yudkin heeft begrippen visueel voorgesteld |
|
|
Bron: Nieuwe Voedingsleer
|
|
|
Vier gebieden zijn aangegeven |
|
|
|
Overvoeding
|
Het gebied boven B1
|
|
Voedingstoestand
|
B-B1
|
|
Suboptimale voedingstoestand
|
A-B
|
|
Ondervoeding
|
Gebreksziekten
|
|
|
|
|
|
|
Op de horizontale as staan de eenheden van opneming van voedingsstoffen. Ze hebben de bedoeling een verhouding weer te geven. De afstand tussen 0 en 3 geeft aan dat slechts een kleine hoeveelheid nodig is om een gebreksziekte te voorkomen. Veel breder is het gebied van de suboptimale opneming 3 tot 12, terwijl de optimale behoefte binnen een minder brede marge valt: 12-18. De mogelijkheid bestaat dat daarboven teveel van een stof wordt gebruikt. |
|
|
Bij de nutriënten onderscheiden we: |
|
|
 |
Energiebronnen: Eiwitten, Koolhydraten, Vetten |
 |
Mineralen |
 |
Vitamines. |
|
|
|
De energiebronnen |
|
|
De energiebehoefte wordt uitgedrukt in warmte-eenheden, de kilocalorie. De behoefte aan eiwitten, vetten en koolhydraten wordt berekend op hun energetische waarde. Belangrijk is de balans of de onderlinge verhouding. In principe kunnen ze elkaar als energieleverancier vervangen: Isodynamie. Dat kan echter niet geheel, omdat de verschillende stoffen ook elk in het lichaam een eigen specifieke werking hebben. |
|
|
Het lichaam heeft energie nodig voor: |
|
|
 |
Het basaalmetabolisme: de stofwisseling in rust; |
 |
De Specifiek Dynamische Werking (SDW). Door voedsel te eten wordt de stofwisseling aangezet. De intensiteit is verschillend. Voor vet bedraagt de verhoging van de stofwisseling slechts 4% en voor koolhydraten is dat 6%. Voor eiwitten echter is dat 20 tot 30%. Dit verschijnsel noemt men specifiek dynamische werking (SDW).Een voorbeeld: bij een basaalmetabolisme van 1500 kilocalorieën met uitsluitend vetgebruik zou het lichaam om in evenwicht te blijven, dus 1560 kilocalorieën moeten opnemen. Bij een gemengde voeding is de SDW circa 10%. Dat de SDW voor eiwit zo hoog is, heeft een chemische verklaring. Ook verhoogde orgaanactiviteiten vervullen bij de SDW een rol. De SDW kan enige uren aanhouden. Het stofwisselingsaanzettend effect van eiwitten wordt belangrijker naarmate de gemengde voeding minder energie bevat! Vet echter draagt bij tot een economisch gebruik van de voedselenergie door het lichaam. Vet heeft namelijk de eigenschap de SDW te verminderen. |
 |
Verrichte arbeid; |
 |
Verliezen in feces. |
|
|
|
De kilocalorie als warmte-eenheid |
|
|
Hoewel tegenwoordig als eenheid van energie de kilojoule wordt gebruikt, is bij enkele rekenvoorbeelden nog gemakshalve uitgegaan van de kilocalorieën. Voor het resultaat maakt het niet uit. De definitie van de kilocalorie luidt als volgt: dat is de hoeveelheid warmte die nodig is om een kilo water te verhitten van 15,5º naar 16,5º Celsius. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
De voedingsleer berekent de balans van koolhydraten, eiwitten en eiwitten als volgt (andere berekeningsmethoden zijn onjuist!): eerst tellen we per nutriënt de grammen en daarna vermenigvuldigen we die met de kilocalorieën per nutriënt. Dat is voor:
Eén gram koolhydraten = 4 kilocalorieën Eén gram vetten = 9 kilocalorieën Eén gram eiwitten = 4 kilocalorieën
Hoewel afgerond zijn deze getallen voldoende. Deze hoeveelheid energie die wordt uitgedrukt in kilocalorieën (of kilojoules) noemt men de EnergieVoorziening (EV). De voedingsbalans is nu in procenten te bepalen. |
|
|
Rekenvoorbeeld |
|
|
|
|
|
We nemen het volgende recept: |
|
|
|
|
|
De gegevens van die drie ingrediënten zijn per 100 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Voedingsmiddelen
|
Gram
|
Eiwitten
|
Vetten
|
Koolhydraten
|
|
Tarwemeel
|
80
|
0,8 x 10 = 8,00
|
0,8 x 2 = 1,60
|
0,8 x 62 = 49,60
|
|
Magere melkpoeder
|
30
|
0,3 x 35 = 10,50
|
0,3 x 1 = 0,3
|
0,3 x 50 = 15,00
|
|
Ei nr. 2
|
60
|
0,6 x 13 = 7,80
|
0,6 x 11 = 6,60
|
0 x 0 = 0.00
|
|
Opgeteld
|
170
|
26,30
|
8,5
|
64,60
|
|
-
|
-
|
x 4 kcal
|
x 9 kcal
|
x 4 kilocalorie n
|
|
Totalen
|
-
|
105,2 kcal
|
76,5 kcal
|
258,4 kilocalorie n
|
|
|
|
|
|
|
100% energievoorziening (EV) = 105,2 + 76,5 + 258,4 = 440,01 kilocalorieën |
|
|
|
|
|
|
Eiwitten
|
105,2 : 440 * 100%
|
=
|
23,9%
|
|
Vetten
|
75,69 : 440 * 100%
|
=
|
17,38%
|
|
Koolhydraten
|
258,4 : 440 * 100%
|
=
|
58,71%
|
|
|
|
|
|
|
Elk willekeurig mengsel dient op de hierboven geschetste wijze te worden berekend.
Karpervoer 2000 geeft als uitkomst: |
|
|
|
|
|
|
|
|
De koolhydraten |
|
|
Hiertoe behoren de suikers en zetmeelstoffen. Het zijn de belangrijkste energieleveranciers voor de mens en bedragen tussen de 50% en 60% van de EV. Voorts geven zij volume aan het voedsel. Belangrijk is de samenhang met B-vitamines! Als er meer koolhydraten in een voedsel voorkomen, dan zijn er ook meer B-vitamines nodig. De meeste koolhydraatrijke producten bevatten naast water nog mineralen en vitamines (vnl. B), eiwitten, vetten en vezels. Als voedingsmiddelen zijn dit met name granen en meelproducten. Tot de koolhydraten worden gerekend: |
|
|
De mono-sachariden of enkelvoudige suikers: |
|
|
 |
Glucose (Druivensuiker), |
 |
Galactose |
 |
Fructose (In honing) |
|
|
|
De di-sachariden of dubbelsuikers: |
|
|
 |
Sacharose (Riet en Bietsuiker), |
 |
Lactose (Melksuiker), |
 |
Maltose (Moutsuiker). |
|
|
|
De poly-sachariden |
|
|
 |
Zetmeel en het dierlijk equivalent glycogeen, |
 |
Cellulose, hemicellulose en pectines. |
|
|
|
|
|
|
 |
Zetmeel wordt bij de vertering via dextrines en maltose gesplitst in glucose. Zetmeel wordt na verhitting ontsloten, waardoor het beter toegankelijk wordt voor de verteringssappen. Zetmeel is het reservevoedsel van zaden, knollen (aardappel), bollen, wortels en wortelstokken. Zetmeelrijke producten die na industriële bewerking verkregen worden, zijn maïzena, aardappelmeel en sago. |
 |
Glycogeen wordt als reserve opgeslagen in de lever met een gemiddelde hoeveelheid van 10% van het levergewicht. Glucose namelijk wordt, voor zover niet dadelijk gebruikt in de stofwisseling, in de lever gepolymeriseerd tot het dierlijk zetmeel glycogeen en wordt daar opgeslagen tot het verder moet dienen voor de verbranding. Daarna wordt het afgebroken tot glucose |
 |
Van zetmeel naar suikers In het spijsverteringskanaal worden poly-sachariden afgebroken tot mono-sachariden en in de dunne darm geabsorbeerd. Voor de mens wordt aanbevolen om van de koolhydraten die bestaan uit eenvoudige suikers (mono- en di-sachariden) niet meer te gebruiken dan 15-25% EV. Anders kan namelijk de voorziening met bepaalde mineralen en B-vitamines in het gedrang komen. Ook uit eiwitten kunnen in de stofwisseling koolhydraten worden gevormd, echter met deze beperking dat ten hoogste 58% van het eiwitmolecule kan worden omgezet in koolhydraten. |
 |
Cellulose De celwand van planten bestaat voornamelijk uit cellulose en lignine of houtstof. Planten met veel houtweefsel zijn oneetbaar. Cellulose is bijna onverteerbaar. |
|
|
|
Voedingsvezels |
|
|
Dit is een verzamelnaam voor vezelstoffen, pectines, hemi-cellulosen en andere “dietary fiber”. Zij worden ook wel aangeduid als ruw vezel of ballaststof. Voor het grootste deel zijn het de resten van plantaardige voedingsmiddelen, die niet door de verteringssappen kunnen worden aangetast. Een deel van de vezelstoffen (hemi-cellulosen) is verantwoordelijk voor de toeneming van de fecesmassa door een sterk waterbindend vermogen. De dichtheid van de feces wordt hierdoor gunstig beïnvloed, waardoor de darmpassage wordt versneld. |
|
|
|
|
|
Een prachtige opname van een 26 pond's 'zoetwatervarken'
vlak voordat deze aan zijn element werd teruggegeven
|
|
|
|
|
|
De belangrijkste functie van de voedingsvezels is het sponseffect. Ze kunnen namelijk aanzienlijk opzwellen en daardoor de feces een gewichtsvolume meegeven van het drie- tot viervoudige per dag vergeleken met een gewichtsvolume van feces dat arm is aan voedingsvezels. De ontlasting wordt zachter en brij-iger met als gevolg een mooie verdeling in de darmen met gelijkmatige druk op de darmwanden. De aard van de voedingsvezels bepaalt de hoeveelheid ontlasting. Een belangrijk neveneffect is dat een voedingsvezelrijke voeding een remmende invloed heeft op het hongergevoel. Je bent langer verzadigd. Grote vezelpartikels versnellen de darmpassage meer dan de fijngemalen vezels. Beïnvloeding van de faecesmassa vindt plaats door: |
|
|
|
|
|
 |
De aard van de voedingsvezels, |
 |
De hoeveelheid voedingsvezels, |
 |
De mate waarin voedingsvezels zijn gemalen: grof of fijn. |
|
|
|
Berekening vezelgehalte |
|
|
De voedingsvezels worden in de voedingsleer uitgedrukt per 240 kcal. of 1000 Joule. Voor de mens wordt aanbevolen een hoeveelheid van 3 gr./240 kcal. Wanneer de som bekend is van de kcal. van eiwitten, vetten en koolhydraten, kunnen we niet alleen de balans bepalen in procenten, maar ook het voedingsvezelgehalte. Dat doen we door het totale vezelgewicht te bepalen en dan te kijken hoeveel eenheden er zijn van 240 kcal. De formule die KARPERVOER 2000 gebruikt is: Som EV : 240 kcal. = X Som vezelgewicht : X = … gr./240 kcal. (1000 Joule)
|
|
|
De vetten |
|
|
 |
Vetten leveren in kleine hoeveelheden veel energie, namelijk één gram vet levert 9 kcal. Vetten zijn dus economische energieleveranciers. Vet vermindert ook de SDW, want voor de aanzet van de stofwisseling is slechts 4% EV nodig. |
 |
Vetten zijn óók dragers van de in vet oplosbare vitamines: A, D, E en K. |
 |
Sommige onverzadigde vetzuren zijn van essentiële betekenis voor de gezondheid. Zij hebben een genezende werking en hebben daarom de naam “essentiële vetzuren” – vitamine F: - Linolzuur, - Linoleenzuur, - Arachidonzuur. |
|
|
|
|
|
|
Dierlijke vetten als rundvet en reuzel bevatten veel verzadigde vetzuren en weinig essentiële vetzuren; geen vitamines en weinig cholesterol. De meeste plantaardige oliën zijn rijk aan onverzadigde vetzuren met veel essentiële vetzuren. De aanbevolen hoeveelheid is voor de mens circa 30%-35% EV, waarvan 1/3 verzadigde en 2/3 onverzadigde vetzuren. Het lichaam kan een overmaat aan koolhydraten in vet omzetten! |
|
|
De eiwitten |
|
|
Dit zijn de bouwstoffen voor het lichaam. Ze zijn nodig voor: |
|
|
|
|
|
 |
Afbraak en opbouw, |
 |
Jeugd (Groei), |
 |
Volwassenheid, |
 |
Soort. |
|
|
|
|
|
|
Eiwitten zijn niet-economische energieleveranciers, want één gram eiwit levert slechts 4 kcal., terwijl voor de aanzet van de stofwisseling veel energie nodig is: SDW = ± 25%. De behoefte van de mens ligt tussen 11% en 13% EV. Een volwassene gebruikt tussen de 0,6 en 0,8 gram eiwit per kilo lichaamsgewicht, waarvan tenminste 1/3 dierlijk. |
|
|
Biologische waarde (BW) |
|
|
Eiwitten zijn opgebouwd uit ruim twintig verschillende aminozuren. Ze zijn te onderscheiden in essentiële en niet-essentiële. Het onderscheid is, dat de niet-essentiële aminozuren tijdens de stofwisseling door het lichaam gemaakt kunnen worden en de essentiële niet. Als één van de essentiële aminozuren niet aanwezig is in de voeding kan er géén eiwit worden opgebouwd en is de biologische waarde nul! Een voorbeeld. In gelatine ontbreekt vrijwel het essentiële aminozuur tryptofaan. Hoewel het eiwitpercentage 100% is, kan er door het lichaam geen bruikbaar eiwit gemaakt worden en is het dus waardeloos. Het is zonder meer duidelijk dat een voedingseiwit, dat het rijkst is aan essentiële aminozuren en in een verhouding die het dichtst het lichaamseiwit benadert, voor de voeding de hoogste waarde heeft. |
|
|
Essentiële aminozuren: |
|
|
 |
Lysine, |
 |
Fenylalaline, |
 |
Tryptofaan, |
 |
Methionine, |
 |
Threonine, |
 |
Leusine, |
 |
Isoleusine, |
 |
Valine. |
|
|
|
|
|
|
 |
Biologische waarde (BW). Deze term geeft een waardeoordeel over de kwaliteit van een eiwit. Het geeft de al dan niet volwaardigheid aan ten opzichte van andere eiwitten. Bij deze waardebepaling is niet in rekening gebracht, hoeveel van het gegeten eiwit het lichaam werkelijk ten goede komt. Als de biologische waarde van een eiwit bijvoorbeeld 96 is (eiwit in het kippenei) dan dient er nog een correctie te worden aangebracht. De netto eiwitbenutting (NEB) is dan 93. Het uitgangspunt is het bruto eiwitgehalte. Voor de mens wordt een NEB aanbevolen van 70%. |
 |
Standaardeiwit. Oorspronkelijk koos men om praktische redenen het eiwit uit het kippenei als het standaardeiwit, aangezien dat het ideale lichaamseiwit van de mens t.a.v. de essentiële aminozuren het dichtst zou benaderen. In de voedingsleer wordt het dan ook gebruikt als standaardeiwit. Andere eiwitten worden daarmee vergeleken. Waarschijnlijk heeft de combinatie van ei-eiwit en aardappeleiwit een hogere waarde dan ei-eiwit alleen. De beperkende factor van een eiwit is dat essentiële aminozuur dat vergelijkenderwijs in de geringste mate in een eiwit voorkomt. Als verschillende eiwitten bij elkaar worden gevoegd dan verandert in dat mengsel de BW en de NEB, omdat aanvulling over en weer van de essentiële aminozuren plaatsvindt. Het ene overschot zal het andere tekort aanvullen en andersom. Mengsels hebben daarom altijd de voorkeur. Voorbeeld: melk heeft een lysineoverschot en tarwe heeft een lysinetekort: reden waarom melk en brood elkaar aanvullen. |
|
|
|
Voedingsmiddelen die elkaar aanvullen |
|
|
 |
Aardnoten + Haver |
 |
Aardappeleiwit + Ei |
 |
Aardnoten of gist + Tarwe |
 |
Graan, rogge, tarwe + Groentes |
 |
Melk, vlees of organen + Granen |
 |
Melk, vlees of ei + Tarwe |
 |
Melk, aardnoten of gist + Maïs |
 |
Melk of melkeiwit + Aardappelen |
 |
Vis + Graan |
|
|
|
|
|
|
In het algemeen kan gezegd worden, dat de BW en de NEB van eiwitten die een dierlijke oorsprong hebben (vlees, melk, vis, kaas) hoger zijn dan die van eiwitten met een plantaardige oorsprong (soja uitgezonderd). Aangezien eiwitten in het algemeen vrij duur zijn, is het van belang bij een gebruik van een product of voedingsmiddel niet alleen te letten op het totale percentage, maar met name op de BW en de NEB ervan. Een hoog percentage eiwitten is geen waarborg voor de kwaliteit. Eiwitrijke voedingsmiddelen bevatten in principe naast water nog mineralen, vetten, koolhydraten en vezels (nutriënten). Een hoog percentage eiwitten vinden we al in tarwekiemen (27%), eidooier (16%), volle melkpoeder (26%). Het eiwitpercentage van voedingsmiddelen schommelt in het algemeen tussen de 5% en 13%. Bij zeer eiwitrijke producten heeft men het percentage eiwit opgevoerd door zuivering of raffinage. Dit betekent het verwijderen van andere nutriënten.
Hoe zuiverder een product aan eiwit wordt, hoe armer het is. Het enige voordeel is dat de eigenschappen van een specifiek eiwit naar voren komen. Het nadeel ligt in het verlengde: gedurende het raffinageproces zijn tal van andere nutriënten afgescheiden en in een volwaardig pakket komen die later weer tekort. Om optimaal voedsel te krijgen dienen ze opnieuw te worden toegevoegd. Ter overdenking: het moet te denken geven dat volwaardige, dus niet gezuiverde producten niet zulke hoge eiwitwaardes bevatten. Wil je per se uitkomen boven de 30% eiwit dan is daar al veel moeite voor nodig. |
|
|
Netto eiwitbenutting (NEB) |
|
|
Van elke willekeurige voersamenstelling of boilierecept kan de kwaliteit van de eiwitten benadert worden. KARPERVOER 2000 neemt hiervoor de netto eiwitbenutting (NEB) als uitgangspunt. Behalve dat van de NEB een norm bekend is, zijn daar ook veel gegevens van aanwezig (zie EV-tabel). In elk mengsel zitten goede en slechte eiwitten. Het streven is om de NEB van alle eiwitten in een mengsel tezamen, gemiddeld dus, minimaal te laten voldoen aan de norm van 70%, die aanbevolen is voor de mens. Deze vergelijking van een menselijke norm met die van karper is niet ongebruikelijk. Zie in dit verband de volgende uitspraak van MANN (1935): “Ganz algemein kann gesagt werden, dass die Eiweissausnutzung der Fische annährend an die Menschen und der höheren Tiere heranreicht.” Voor elk levend wezen geldt het principe dat het ideale aminozurenpatroon zoveel mogelijk correspondeert met het eigen lichaamseiwit dat een bepaald patroon vereist. De getallen in de EV-tabel van KARPERVOER 2000 zijn bij benadering toegesneden op de kweekkarper en geven een duidelijk richtsnoer. De ervaring leert bij vissen dat eiwitten uit andere vissen het beste worden opgenomen. Andere aan eiwit rijke voedingsstoffen met voor het visorganisme gunstige aminozurensamenstelling zijn het vlees van kreeftachtigen, mosselvlees, insecten en insectenlarven. Vlees van warmbloedigen heeft als visvoedsel een minder gunstige eiwitopbouw. Haringmeel en trouvit zijn in de EV-tabel opgenomen als 80% aangezien zij theoretisch gezien in hoge mate voldoen aan het principe van het ideale aminozurenpatroon. Een inschatting van net op de norm van 70% zou erg laag zijn. |
|
|
De formule die KARPERVOER 2000 gebruikt is: |
|
|
Eiwit in grammen per product x NEB per product = X (per product) Som van X (per product) = B B : som eiwit in grammen = NEB |
|
|
Mineralen |
|
|
Ook dit zijn nutriënten zonder welke leven uiteindelijk onmogelijk is. Overal in het lichaam hebben ze hun functies. Niet alleen dient er een bepaalde hoeveelheid mineralen in het voedsel (later in het bloed) aanwezig te zijn, tevens is een zeker mineralenevenwicht belangrijk. Meestal zijn mineralen as-bestanddelen in zoutvorm, waarvan kalk (Calcium) en fosfor de belangrijkste zijn. Ze zijn nodig voor de opbouw van het lichaam (groei), o.a. voor het beenderstelsel (skelet). Mineralen vormen een bestanddeel van dierlijke producten, zoals melk, eieren en vis. In de voedingsmiddelentabel zijn met name terug te vinden: |
|
|
|
|
|
 |
Calcium - Ca |
 |
Fosfor - P |
 |
IJzer - Fe |
 |
Natrium - Na |
 |
Kalium - K |
|
|
|
|
|
|
 |
Sporenelementen: Niet alleen zijn de Na-, K-, Ca- en P-zouten van belang, maar daarnaast zijn ook geringe hoeveelheden noodzakelijk van koper, zink, kobalt mangaan en molybdeen. Juist omdat er maar geringe hoeveelheden van nodig zijn, spreken we over sporenelementen. |
|
|
|
Vitamines |
|
|
Dit zijn “levensstoffen” met een beschermende werking. Ze komen in kleine hoeveelheden voor in natuurlijke voedingsmiddelen. Vitamines hebben een specifieke werking bij vitale functies in cellen en weefsels in het lichaam. |
|
|
In vet oplosbare vitamines: |
|
|
|
Soort
|
Tekort
|
Komt voor in o.a.
|
|
A retinol
|
oogaandoeningen, celopbouw.
|
Eidooier, vette vis, lever(traan).
|
|
D calciferol
|
rachitis, skelet.
|
Eidooier, vette vis, lever(traan).
|
|
E tocoferol
|
steriliteit bij dieren, spierdystrofie.
|
Tarwekiemolie, sojaolie, vis, ei, volkorenbrood.
|
|
K naftochinon
|
geen stolling van bloed.
|
Groene planten, menselijk lichaam maakt het zelf.
|
|
F - essenti le vetzuren
|
gebrek geeft ziektes.
|
|
|
|
|
In water oplosbare vitamines: |
|
|
|
Soort
|
Tekort
|
Komt voor in o.a.
|
|
B1 thiamine
|
Beri beri, stoornis in koolhydraatstofwisseling; verhouding met koolhydraten: bij meer suikers en zetmeel, dan méér B-vitamines.
|
Zemelen, tarwekiemen,granen, gist, vlees, ei.niet in: suiker, oli n, vet en aardappelmeel.
|
|
B2 riboflavine
|
verslechterde koolhydraat- eneiwitstofwisseling; processenvan het zien; verhouding meteiwitten.
|
melk, gist, ei,tarwekiemen.
|
|
B6 pyridoxine
|
verslechterde koolhydraat-,eiwit-, en vetstofwisseling
|
lever, vlees, groeten,bruinbrood.
|
|
Biotine
|
kippen-eiwitziekte, speelt rol bij vetzuursynthese.
|
Organen, eigeel, lever,melkpoeder.
|
|
C ascorbinezuur
|
scheurbuik.
|
Groenten, citroenen, sinaasappel, kiwi.
|
|
|
|
|
|
|
Een teveel wordt via de urine uitgeplast en leidt niet snel tot schadelijke gevolgen. |
|
|
|
|
|
 |
Vitamine C Kan door bijna alle dieren in het lichaam worden gemaakt tijdens de stofwisseling, behalve door mens en aap. Dit betekent voor de karper, dat het niet per se noodzakelijk is om dit vitamine toe te voegen. |
 |
Caroteen is een pro-vitamine A, een overgangsvorm. 1/6 deel vitamine A staat gelijk met één deel caroteen. Let met name op de typische kleur geel en oranje in bijvoorbeeld ei, maïs, kaas en wortel. Dit zijn de belangrijkste vitamines. Bij de samenstelling van een voedselpakket is het een voordeel dat verschillende voedingsmiddelen meerdere soorten vitamines opleveren. Bij een redelijke hoeveelheid van de bovengenoemde vitamines zal er van de overige voldoende aanwezig zijn. Heel vaak zijn er samenhangende complexen. Bij B-vitamines zal een tekort al blijken op een vrij korte termijn blijken. Bij vitamine C voor de mens zal een tekort pas blijken op de lange termijn. Nogmaals, vitamines zijn zeer belangrijke nutriënten zonder welke het leven uiteindelijk onmogelijk is. |
|
|
|
Enzymen (fermenten) |
|
|
|
|
|
Onder de werkzame stoffen verstaat men: |
|
|
 |
Vitamines. Zij werken alleen maar in levende cellen en dienen door middel van de voeding te worden opgenomen. Voor een deel zijn het bestanddelen van enzymen. |
 |
Enzymen. Dit zijn organische reactieversnellers, die zowel in levende als in dode cellen chemische processen op gang brengen, maar in het eindproduct niet voorkomen. |
 |
Hormonen. Zij worden door het organisme op een bepaalde plaats geproduceerd en afgescheiden om op een andere plaats hun werking te kunnen doen. |
|
|
|
|
|
|
Stofwisselingsprocessen kunnen alleen verlopen bij de aanwezigheid van enzymen. Deze reactieversnellers zijn nodig omdat de temperatuur die in de cellen heerst, te laag is om de verschillende chemische processen spontaan te doen verlopen. Bovendien kunnen deze processen door de enzymen nauwkeurig bestuurd worden. Enzymen zijn zowel nodig bij de splitsing van een stof in meer stoffen, als bij de verbinding van stoffen tot één stof. De stof waarop het enzym inwerkt, heet het substraat. Bij een splitsingsreactie verbindt het enzymmolecuul zich tijdelijk met het substraatmolecuul. Dat wordt hierdoor minder stabiel en valt gemakkelijker in twee moleculen uiteen. Bij een bindingsreactie verbindt het enzymmolecuul zich tijdelijk met twee verschillende substraatmoleculen. Deze gaan daardoor gemakkelijker een binding aan. Na de reacties zijn de enzymmoleculen weer onveranderd aanwezig. Er zijn dan ook niet veel enzymen nodig bij een reactie. Een enzymmolecuul kan pas werkzaam zijn als zijn chemische structuur past op die van het substraatmolecuul, gelijk een sleutel op een slot. Als gevolg daarvan eist elk substraat een ander enzym en kan een bepaald enzym alleen maar één specifieke reactie versnellen (specifieke werking). Enzymen zijn altijd eiwitten, maar lang niet alle eiwitten van een cel zijn enzymen; vele doen dienst als bouweiwit. In veel gevallen zijn echter ook niet-eiwitachtige organische stoffen, zogenaamde co-enzymen, nodig voor de enzymwerking. Enzymen worden in hun werkzaamheid beïnvloed door factoren als temperatuur en zuurgraad. |
|
|
|
|
|
 |
Hydrolasen Alle enzymen van de spijsvertering zijn hydrolasen. Hydrolasen splitsen onder opname van water complexe moleculen van voedingsstoffen in eenvoudige moleculen. Een voorbeeld: één deel amylase kan vier delen zetmeel omzetten in het suiker maltose. De naamgeving van enzymen geschiedt bijna altijd door achter hun specialiteit t.a.v. hun substraat het woordje ase toe te voegen. Een voorbeeld: lactose wordt gesplitst door het enzym lactase. |
|
|
|
Men onderscheidt de hydrolasen in: |
|
|
 |
Carbohydrasen - De koolhydraatsplitsende enzymen |
 |
Esterasen - De vetsplitsende enzymen |
 |
Proteasen - De eiwitsplitsende enzymen |
|
|
 |
 |
 |
 |
 |